Ik was in den tempel Shien Shan, op een klein eilandje in de Chineesche
zee, een paar uren varens van de havenstad Ha To. Van het Westen kwamen
twee rijen bergen zacht naar het eilandje toe, dat in hun midden lag,
in de stille samenvloeiing van hunne omlijningen. In het Oosten was
de oceaan, eindeloos. De tempel staat hoog tegen rotsen geleund,
in de schaduw van breede boeddha-boomen.
Het eilandje wordt weinig bezocht. Somtijds komen er visschers ankeren
die, gevlucht voor een naderenden typhoon, niet meer de havenstad
konden bereiken. Waarom de tempel staat op deze eenzame plek weet
niemand, maar hij is er sedert eeuwen, en heeft dus een heilig recht
van bestaan. Vreemdelingen komen er weinig, en er leven een klein
honderdtal van arme menschen, die daar wonen omdat hun voorouders er
gewoond hebben.
Ik was er heengegaan in de hoop van er een ernstig man te vinden, van
wien ik leeren kon. Meer dan een jaar had ik de tempels en kloosters in
den omtrek afgereisd, zoekende naar serieuze priesters, die mij konden
zeggen wat in de oppervlakkige boeken over Chineeschen godsdienst
niet stond, maar overal was ik terecht gekomen bij onwetende en domme
schepsels, die voor beelden knielen, van welke zij de symboliek niet
begrijpen, en vreemde Sûtra's opdreunen, van welke zij geen enkel woord
verstaan [18]. En ik had al mijne kennis moeten verzamelen uit slecht
vertaalde boeken, die door de Europeesche geleerden nog erger bedorven
waren dan door de Chineesche literatoren, wien ik om raad vroeg.
Eindelijk hoorde ik een ouden Chinees iets mompelen van "de Wijze
van Shien Shan", die de geheimen van Hemel en Aarde wist.
En zonder veel verwachting was ik over zee gegaan, om den Wijze
te bezoeken.
De tempel was dezelfde als zoovele anderen, die ik gezien had. Smerige
priesters waren neergehurkt op den drempel, in hunne vuilgrijze
gewaden, en zagen mij dom-lachend aan. De beelden van Kwan-Yin,
en Çakyamuni, en Sam Pao Fu waren onlangs hersteld, en glommen
van allerlei schelle kleuren, die hunne vroegere schoonheid geheel
bedierven. De vloer was bedekt met vuil stof en sinaasappelschillen
en stukken suikerriet. En eene muffe lucht benauwde mijn borst.
Ik sprak een der priesters aan, en zeide:
"Ik ben gekomen om den ouden Wijze te zien. Is hier een oude Wijze? Hij
wordt bijgenaamd Lao Tsz'."
En hij antwoordde met een verwonderd gezicht:
"Lao Tsz' is op de rots, in het bovenste paviljoen. Maar hij houdt
niet van barbaren."
Ik antwoordde kalm:
"Wilt ge mij bij hem brengen, Bikshu, voor een dollar?"
Hij keek begeerig op, maar schudde het hoofd, en zeide:
"Ik durf niet. Ga maar zelf."
De andere priesters grinnikten, en boden mij thee aan, om een goede
aalmoes te krijgen.
Ik ging heen, en beklom de rots. Na een half uur gegaan te zijn kwam
ik op den top, waar een steenen, vierkanten kluisje stond. Ik klopte
op de deur. Ik hoorde iemand een grendel verschuiven.
De Wijze stond voor mij, en zag mij aan.
En het was eene Openbaring.
Het was of ik een groot Licht zag; een licht, dat niet verblindde,
maar rust gaf. Hij was zoo groot en recht als een hooge palm. Zijn
gezicht was zoo kalm als een avondstond met stil maanlicht en roerlooze
boomenkruinen. Zijn geheele lichaam was zoo statig als de Natuur,
zoo mooi van eenvoud, zoo van-zelf opgerezen als een berg of een
wolk. Er was een heiligheid om hem als om een landschap, als in
plechtige schemering de ziel daarvan afglanst in het late licht en
in den devoten dichter een gebed opruischt. Zijne oogen zagen diep in
mij, en ik voelde mij bevreesd bij dien blik, en zag mijn arme leven
in al zijn kleinheid. Ik kon geen woord zeggen, en voelde zwijgend
zijn licht in mij gaan.
Hij hief de hand op, met een gebaar, zooals een bloem beweegt, en
stak hem mij toe, in gulle overgave. Hij sprak, en zijn stem was
zachte muziek, als van wind in bladeren:
"Ik groet u, vreemdeling. Wat komt gij zoeken bij mij, ouden man?"
Ik antwoordde deemoedig:
"Ik kom een' Meester zoeken. Ik wil de rechte Leer vinden, om een
goed mensch te worden. Ik heb lang, lang gezocht in dit schoone land,
maar het volk is als dood, en ik ben even arm als te voren."
"Dat is niet zoo heel goed," zeide de Wijze. "Gij moet niet zoo heel
goed willen zijn. Gij moet er niet al te veel naar zoeken, want dan
vindt ge de ware Wijsheid nooit. Weet gij niet hoe de Gele Keizer
zijne wonder-parel weervond? Ik zal het u vertellen.
"De Gele Keizer [19] zwierf eens ten Noorden van het Roode Meer,
en beklom de toppen van het K'un-Lun gebergte. Toen hij naar het
Zuiden terugkeerde verloor hij zijne wonder-parel. Hij gebood zijn
Verstand om haar terug te vinden, maar verkreeg niets. Hij gelastte
het Gezicht om haar terug te vinden, maar kreeg niets. Hij gebood
Woorden om terug te vinden, maar kreeg haar niet. Ten laatste gebood
hij Niets, en Niets kreeg haar. "Hoe vreemd!" riep de Gele Keizer uit,
"dat Niets haar kon krijgen!" Begrijpt gij mij wel, jonge man?"
Ik antwoordde: "Ik geloof, dat deze parel zijn ziel was, dat
wetenschap, gezicht en spraak de ziel eer verduisteren dan in het
licht brengen. En dat de ziel alleen in absolute Rust weer aan den
keizer bewust werd. Is dit zoo, mijn Meester?"
"Goed zoo. Ge hebt het gevoeld zoo als het is. En weet ge ook, van
wien dit schoone verhaal is?"
"Ik ben jong en onwetend. Ik weet het niet."
"Het is zoo verteld door Chuang Tsz', den discipel van Lao Tsz', den
grootsten Wijze van China. Het zijn noch Confucius, noch Mencius die de
reinste Wijsheid hebben gezegd in dit land. Lao Tsz' was de grootste,
en Chuang Tsz' was zijn apostel. Ik weet, gij vreemdelingen hebt een
soort van welwillende bewondering, zelfs voor Lao Tsz', maar ik geloof
niet, dat velen onder hen weten, hoe deze de puurste mensch was,
die ooit ademde onder den hemel. Hebt gij den Tao Teh King gelezen,
en hebt gij wel eens nagedacht, wat hij bedoelde met Tao?"
"Ik zou zeer gelukkig zijn als mijn oude Meester mij wel zou willen
zeggen, wat Tao is."
"Ik geloof [20], dat ik u wel leeren mag, jonge man. Ik heb
sedert jaren geen leerling gehad, en ik zie in uwe oog en geen
nieuwsgierigheid, maar zuiveren wil naar wijsheid, om uwe ziel
te bevrijden. Hoor dus. Tao is eigenlijk niets anders dan wat gij,
vreemdelingen, God noemt. Tao is het Eéne. Het Begin en het Einde. Het
omvat alles, en alles keert er toe terug. Lao Tsz' schreef in het
begin van zijn Boek het karakter Tao. Maar wat hij bedoelde, het
Aller-Hoogste, het Eéne, kan geen naam hebben, kan niet verklankt
worden door een klank, omdat het Eén is juist. Evenmin kan uw God
God heeten.--Wu--Niets--dít is de Tao.--Gij begrijpt mij niet? Hoor
maar verder. Er is dus iets absoluut Reëels, beginloos, eindeloos,
dat wij niet kunnen vatten, dat dus voor ons Niets is. Wat wij
wèl begrijpen kunnen, het voor ons dus betrekkelijk reëele, is
in werkelijkheid maar een schijn; het is een gevolg, een geboorte
van het absoluut Reëele, omdat tot dat Reëele alles terugkeert, en
alles er uit is voortgekomen. Maar niet in-zich-zelve zijn de voor
ons reëele dingen reëel. Wat wij Zijn noemen, is dus eigenlijk niet
Zijn, maar wat wij Niet-Zijn noemen, is juist Zijn. Wij leven dus in
groote duisternis. Wat wij reëel denken is niet-reëel, en toch komt
het uit het reëele voort, want het Reëele is Alles. Welnu, alle Zijn,
en ook alle Niet-Zijn, is dus eigenlijk Tao. Maar onthoudt hierbij
vooral, dat Tao maar een woord-klank is, door een mensch gezegd, en
het eigenlijke Tao onnoembaar is. Alle door de zintuigen waarneembare
dingen, en alle begeerten van het hart zijn onreëel. Tao is het Begin
van Hemel en Aarde. Eén baarde Twee. Twee baarde Drie. Drie baarde
millioenen dingen. En millioenen dingen keeren tot Eén terug.
"Indien gij dit goed onthoudt, jonge man, zijt gij binnen de eerste
poorten der wijsheid getreden. Gij weet dan, dat Tao de oorsprong
van alles is. Van de boomen, en de bloemen, en de vogelen. Van de
zee, en de woestijn, en de rotsen. Van licht en donker. Van warmte
en koude. Van den dag en den nacht. Van leven en dood. Van winter en
zomer. Van uw eigen leven. Werelden vergaan, en oceanen verdampen in
de eeuwigheid. Een mensch heft het hoofd op uit het duister, lacht in
't vage licht, en vergaat. Maar in ál deze wisselingen was het Eéne. In
alles is Tao. Uwe ziel in essentie is Tao. Ziet gij de wereld vóór u,
jonge man?"
En hij wees met een statig gebaar over de zee.
De bergen aan weerszijden stonden zeker, met groote energie in de
lucht. Zij waren als krachtige gedachten, welbewust uitgehouwen. In
de verte werden zij teerder, en droomden weg in vage horizonnen van
licht en lucht. Op een' heel hoogen top stond eenzaam een boompje,
zachtneigend, met bladertjes heel fijn tegen het licht. De avond begon
te vallen. Een vage liefde daalde rustig neder van de hemelen. Er
begon ook zacht rood op te droomen, en de blauwe bergen stonden er
licht tegen, met een wonderen glans van zaligheid. De lijnen om hen
werden duidelijker. Overal zacht, hoog opgaan, en dan heel statig
rechtop blijven, als een welbewuste vroomheid. En de zee kwam langzaam,
langzaam aandrijven, in een stil-zwevend glijden. Het rustige, zekere
aankomen van een eindeloosheid. En dan een klein scheepje, met een
teêr gloeiend, gouden zeiltje, dat kwam onbevreesd, heel klein,
en heel liefdevol aan in dat immens groote. Het was alles absoluut
zuiver, zonder eenige slechtheid.
En ik sprak, met een vreemde, hooge vreugde:
"Ik voel het nu, o Meester! Overal is het, wat ik zoek. Ik had het niet
zoo héél ver moeten zoeken, want het was vlak bij mij. Overal is wat
ik zoek, wat ikzelf ook ben, wat mijn ziel is. Het is zoo vertrouwd
als mijn zelf. Alles is Revelatie. Overal is God. Tao is in álles."
"Goed zoo, jonge man. Maar verwar het niet. In wat gij ziet is
Tao. Maar Tao is niet wat gij ziet. Gij moogt vooral niet denken, dat
gij Tao zoudt kunnen aanschouwen met uwe oogen. Noch zal het vreugde
wekken in uw hart, noch zullen er uwe tranen van vloeien. Want al uwe
gevoelens en emoties zijn betrekkelijk en niet reëel. Maar hierover
wil ik op het oogenblik nog niet verder praten. Gij staat nog maar
voor de eerste Poort, en gij ziet nog maar het eerste uchtendgloren van
het licht. Dat gij weet hoe Tao in alles is, is reeds veel. Het zal uw
leven natuurlijker maken en vertrouwder. Want, geloof me, gij ligt in
de omarming van Tao als een kind in moeders omhelzing. Gij zult er zoo
heel ernstig door worden, want gij zult u overal voelen nog heiliger
dan een vroom priester in een tempel. Gij zult ook niet vervaard meer
zijn voor de wisseling der dingen, voor leven en dood. Want gij weet
èn leven èn dood zijn uit Tao. En het is zoo eenvoudig, dat Tao, dat
u in het leven omringde, ook na den dood even eindeloos om u heen zal
zijn. Zie naar het landschap voor u! De boomen, de bergen, de zee zijn
uwe broeders, en ook de lucht en het licht. Ziet ge, hoe de zee daar
aankomt? Zoo van-zelf, zoo natuurlijk, zoo omdat-het-nu-eenmaal zóó
moet. Ziet gij het boompje neigen, uwe lieve zuster, en ziet ge hoe
teêr en eenvoudig al die bladertjes doen? Dan zal ik u vertellen van
"Wu Wei" [21], van "Niet-Doen," van "Van-Zelf-Gaan" op den adem van
uwe beweging, zooals die uit Tao is geboren. De menschen zouden ware
menschen kunnen zijn als zij hun leven van-zelf lieten gaan zooals de
zee gaat, zooals de natuur bloeit, in de simpele mooiheid van Tao. Er
is in elk mensch een drang van beweeg, die uit Tao is gekomen, en
hem weer tot Tao wil terugvoeren. Maar de menschen worden verblind
door hunne zintuigen, en hunne begeerten. Zij willen lust, verlangen,
haat, roem, en rijkdom. Zij bewegen fel als groote stormen, en hun
gaan is een woest opstijgen, en wild weer neervallen. Zij houden
zich vast aan alles, wat on-reëel is. Zij willen veel te veel om
het Eéne te willen. Zij willen ook wijs zijn, en goed, en dit is
het ergste. Zij willen te veel weten. Maar het éénige Heil is: de
terugkeer tot onzen Oorsprong. In ons is Tao. Tao is Rust. Wij kunnen
alleen tot Rust komen door niet te verlangen, ook niet naar goedheid
of wijsheid. O! Al dat verlangen om te weten wat Tao is. En dat droeve
werk van woorden om het te zeggen, om het te vragen. De ware Wijze
betracht de Leer die zonder woorden is, die ongesproken blijft. [22]
En wie zou ooit Tao kunnen uitzeggen. Die weten (wat Tao) is spreken
het niet uit, wie het uitspreken weten het niet. [23] Ook ik zal u
niet zeggen wat Tao is. Gij moet dat zelf gaan vinden door u vrij te
maken van alle begeerten en emoties en dan Van-zelf te leven, zonder
onnatuurlijke actie. Gij moet zacht naar Tao heenedrijven, zoo egaal
en rustig als daar de vlakke, groote oceaan beweegt. Zij beweegt niet
omdat zij wil bewegen, omdat zij weet dat het wijs of goed is om te
bewegen. Zij beweegt vanzelve, en weet het zelve niet. Zoo zult gij
in luchte zweving naar Tao verglijden, en gij zult het niet weten
als gij aangekomen zijt, want dan zult gij Tao zelve zijn."
De Wijze hield even op, en keek mij zacht aan. Zijn oogenlicht was
zoo rustig als een stille egaal-blauwe hemel.
"Vader," zeide ik, "wat gij mij zegt is schoon als de zee. En het
lijkt wel zoo eenvoudig als de natuur. Maar het is niet zoo heel
eenvoudig voor den mensch om zoo in rustig niets-doen zacht naar Tao
te verglijden."
"Verwar niet woorden met elkaar," antwoordde hij. "Met niets-doen,
Wu Wei, bedoelde Lao Tsz' niet gewone inactie, zoo maar lui zijn,
en de oogen sluiten. Hij bedoelde inactie van aardsche beweging. Van
begeerten, en verlangens naar onreëele dingen. Maar hij bedoelde actie
van reëele dingen. Hij bedoelde een zeer krachtige beweging van de
ziel, die uit het donker lichaam moet bevrijd worden als een vogel
uit een kooi. Hij bedoelde toegeven aan den drang in u van binnen,
aan de beweging die u door Tao is gegeven, en die uwe ziel naar Tao
geleidt. En, geloof me, die beweging is zoo natuurlijk, als die van
deze wolk boven ons."
Boven onze hoofden, hoog in het blauwe, waren gouden wolken, die
langzaam afdreven naar de zee. Zij glansden wonderrein, van een heel
hooge, pure liefde. Zacht, zacht droomden zij voort.
"Straks zijn zij vergleden in de eindeloosheid van den hemel," zeide
de Wijze, "en gij zult niets meer zien dan het eeuwige blauw. Zóó
zal uwe ziel in Tao verdroomen."
"Mijn leven is vol zonden," antwoordde ik. "Ik ben zwaar beladen
van duistere begeerten. En zóó zijn mijne donkere medemenschen. Hoe
kan dit ooit zoo goud-licht, in allerzuiverste essence naar Tao
heendrijven? Het is zwaar van slechtheid, en zinkt terug in het
droeve slijk."
"Geloof dit niet, geloof dit niet," sprak de Wijze, en hij lachte
zacht, vol genade en liefde. "Géén mensch kan Tao vernietigen, en in
allen blinkt de ziel in ondoofbaren glans. Denk niet dat der menschen
slechtheid zóó groot en sterk is. In allen leeft de onsterflijke Tao,
in wijzen en dichters, in moordenaars en hoereerders. Zij dragen een
onverbreekbaren schat met zich om, en géén is beter dan de ander. Gij
kunt den een niet lief hebben boven den ander, gij kunt niet den eenen
zegenen en den ander verwerpen. Zij zijn in essentie gelijk als twee
zandkorrels op deze rots. En géén van allen zal eeuwiglijk uit Tao
verbannen zijn, want zij dragen allen Tao met zich om. Hunne zonden
zijn bedriegelijk, als vage nevelen. Hunne daden zijn een valsche
schijn, en hunne woorden vergaan als ijle droomen. Zij kunnen niet
slecht zijn, zij kunnen ook niet goed zijn. Zij worden onweêrstaanbaar
naar Tao gedreven, als een droppeltje water hier beneden naar de
groote zee. Het kan alleen bij den een wat langzamer gaan dan bij den
ander. Maar wat zijn eenige honderden eeuwen in de oneindigheid? Arme
jongen! Heeft uwe zonde u dan zoo bang gemaakt? Dacht gij uwe zonde
dan sterker dan Tao? Dacht gij de zonden der menschen sterker
dan Tao? Gij hebt te goed willen zijn, en daardoor te veel uwe
slechtheid gezien. Gij hebt de menschen te goed willen zien, en
zijt toen verkeerdelijk bedroefd door hunne slechtheid. Maar dit
alles is schijn. Tao is niet goed en Tao is niet slecht. Want Tao is
Reëel. Tao alleen is. En alle onreëele dingen leven een schijnleven
van contrasten en betrekkingen, maar zij bestaan niet in-zich-zelf,
en zijn zeer bedriegelijk. Wil dus vooral niet goed zijn, en vind u
niet slecht. Wu Wei--niet Doende, u van zelf latende gaan--dit moet
gij zijn. Niet slecht en niet goed, niet klein en niet groot, niet
laag en niet hoog. En dán eerst zult gij werkelijk Zijn, als gij--in
dezen zin--Niet-Zijt. Als gij maar eerst vrij zijt van al uwen schijn,
van al uwe begeerten en verlangens, dan zult gij vanzelf gaan, zonder
te weten dat gij gaat, en gij zult naar Tao heenedrijven op de luchte
beweging die uw reinste en eenig reëele levensprincipe is, zoo licht
en zoo onbewust als de gouden wolken boven uw hoofd vergleden zijn
in de hemelen."
Ik voelde mij opeens veel vrijer dan te voren. Het was geen vreugde,
geen geluk. Het was eene zachte uitspreiding, een uitspansel in mij
van groote horizonnen.
"Vader," sprak ik, "ik dank u. Uwe woorden vol Tao geven mij reeds
eene beweging, die ik mij niet verklaren kan, maar op welke ik mij
zacht voel drijven. Hoe wonderbaarlijk is Tao! Ik heb dit met al
mijne wijsheid, met al mijn weten nooit gevoeld."
"Houd op met dit willen naar wijsheid," zeide de Wijze. "Wil niet te
veel weten, en gij zult later van-zelf weten. Door niet-natuurlijke
actie verkregen weten leidt u af van Tao. Zoek niet te veel alles
te weten van de menschen en dingen om u heen, en vooral niet van
hunne betrekkingen en contrasten. Zoek ook vooral niet te veel naar
geluk, en wees niet te bang voor ongeluk. Want geen van beide zijn
reëel. Noch is vreugde reëel, noch leed. Kunt gij u Tao voorstellen
als leed, als vreugde, als geluk, als ongeluk, dan zou het Tao niet
zijn, want Tao is één, en kan geen contrast hebben. Chuang Tsz'
zeide dit zoo eenvoudig: "Het opperste Geluk is géén Geluk." En ook
de smart zal voor u weg zijn. Gij moet vooral niet denken dat smart
een reëel ding is, een essentieel principe van het bestaande, dus
van uw leven. Uw smart zal ééns van u gaan, zooals de nevelen van
de bergen glijden. Want gij zult eenmaal zien, dat al het bestaande
heel natuurlijk, en vanzelf is, en alle groote dingen, die u zoo
lang droef en duister hebben geschenen zullen Wu-Wei, heel eenvoudig,
Niet-Doende, dat is, niet wonderlijk, expresselijk, toevallig Doende
voor u zijn. Want alles is uit Tao, alles is een natuurlijk deel
van het groote stelsel, dat uit één principe is voortgekomen. Dan
kan niets u meer bedroeven en niets u meer verblijden. Niet lachen
zult gij, en niet weenen. Ik zie u twijfelend kijken, alsof gij mij
te hard vindt, te koud. Maar als gij wat verder zijt, zult gij zien,
dat het geheel volgens Tao is, als gij zoo zijt. Want, leed ziende,
zult gij weten hoe het eens verdwijnen moet, omdat het onreëel is,
en vreugde ziende, zult gij gaan begrijpen, hoe die nog maar heel
primitieve vreugde is, die gebonden is aan omstandigheden en tijd,
en alleen door haar contrast met leed schijnbaar bestaat. Een lief
mensch ziende zult gij het natuurlijk vinden, dat hij zoo is als hij
is, en voorgevoelen, hoe veel beter hij eenmaal worden zal als hij
niet eens meer lief en goed is. En een' moordenaar zult gij aanzien
met rustige oogen, vooral zonder te veel menschelijke liefde, vooral
zonder haat, want hij is uw gelijke in Tao, en géén zijner zonden kan
Tao in hem vernietigen. Als gij Wu Wei, Niet-Zijnd, in den gewonen,
menschelijken zin, kunt zijn, kunt gij eerst recht Zijn, en gij
zult zoo kalm en vanzelf door uw leven glijden als de eindelooze
zee vóór ons. Niets zal uwe rust verstoren. Uw slaap is droomeloos,
en gij zult geen zorgen hebben over wat ge u bewust wordt [24]. Gij
zult in alles Tao zien, gij zult één zijn met al het bestaande,
en de geheele natuur als een goed vertrouwde, als uw eigen zelf om
u heen zien. En, kalm aannemend de wisselingen van dag en nacht, van
leven en dood, zult gij door deze wisselingen van-zelf heenglijdend,
eenmaal binnengaan in Tao, waar géén verandering meer is, en waaruit
gij eenmaal gekomen zijt even puur als gij er weer heenedreeft."
"Vader, wat gij zegt is zoo simpel, en ik moet het van-zelf wel
gelooven. Maar ik heb het leven nog zoo lief! En ik ben bang voor den
dood. Ik ben bang ook voor den dood van mijne vrienden, en mijn vrouw,
en mijn kind. De dood lijkt mij zoo somber en zwart. En licht, licht
is het leven, met de zon, en de blinkende, groene aarde vol bloemen."
"Dat is, omdat gij nog niet recht voelt, hoe van-zelf, hoe heel
natuurlijk de dood is, evenals het leven. Gij denkt te veel om het
nietige lichaam, zoo diep in de koude aarde, maar dat is het gevoel
van een' gevangene, die vrij zal worden, en wien het bedroeft, zijn
donkere cel te verlaten, waar hij zoo lang leefde. Gij ziet den dood in
contrast met het leven, en beide zijn onreëel, zij zijn eene wisseling,
een schijn. Maar uwe ziel vaart slechts uit een welbekend meer naar
een onbekenden oceaan. Het reëele in u, uwe ziel, kan nimmer vergaan,
en is ook niet bevreesd. Gij moet voorgoed dien angst vergeten,
of liever, als gij ouder zijt, en gij van-zelf, natuurlijk op de
beweging van Tao hebt geleefd, zult gij dien angst van-zelf niet meer
voelen. Ook zult gij niet treuren om wie heenegingen, en met wie gij
eens vereenigd zult zijn zonder zelfs te weten dat gij vereenigd zijt,
omdat gij dan ook niet meer het contrast scheiden weet.
"Toen Chuang Tsz's vrouw was gestorven vond Hui Tsz' den weduwnaar heel
kalm op den grond gezeten, tot tijdverdrijf op een schaal slaande,
zooals hij dat wel meer deed. Toen Hui Tsz' hem hierover verweet, en
liet uitkomen, alsof hij liefdeloos was, antwoordde Chuang Tsz': [25]
"Dat is niet natuurlijk (zooals gij ziet). Toen zij pas dood was kon ik
wel niet anders dan bedroefd zijn. Maar bij nader inzien bedacht ik,
dat zij van te voren oorspronkelijk niet in 't leven was, en wel niet
alleen niet geboren was, maar ook geen vorm had, en niet alleen geen
vorm had, maar zelfs nog geen levens-beginsel in dat vormelooze was
gemengd. Evenals in broeiende grassen kwam er toen levens-beginsel,
levens-beginsel werd tot vorm, vorm werd geboorte. Nu heden gebeurde
er weer wisseling, en zij stierf. Dit is gelijk de gang der vier
jaargetijden, lente, herfst, winter, zomer. Rustigjes slaapt zij in
het Groote Huis. Als ik nu jammerlijk weende zoude ik zelf van dit
alles niet doordrongen zijn. En daarom hield ik er mede op."
De Wijze vertelde dit zoo eenvoudig, op zulk een' toon, alsof hij
het alles heel natuurlijk vond. Maar het was nog niet helder in mij,
en ik zeide hem:
"Ik vind deze wijsheid ontzettend. Zij maakt mij bijna bang. Het
leven lijkt mij zoo koud en leeg als ik zóó wijs moest zijn."
"Het leven is koud en leeg," antwoordde de Wijze, zonder verachting,
en op zeer kalmen toon. "En de menschen zijn bedriegelijk als het
leven. Geen die zich zelf kent, geen die een' ander kent, en toch
zijn zij allen gelijk. Het leven bestaat in 't geheel niet. Het is
niet reëel."
Ik kon niets meer zeggen, en staarde in den avond.
De bergen sliepen zacht in den nacht, in vage nevelen. Er was een
wonderteêre blauwe schijn om hen heen, en zij waren als kinderen zoo
deemoedig neergelegen onder den grooten, grooten hemel. Onder ons
flikkerden weifelend roode lichtjes. Een klagende fluit begeleidde
een droef, monotoon gezang. De zee lag ontzaglijk diep in den nacht,
en een eindeloosheid ruischte, ruischte ver en ver.
Toen welde een heel groote smart naar mijne oogen, en ik zeide met
hartstochtelijken aandrang:
"Maar Liefde dan? En vriendschap?"
Hij zag mij aan. Ik kon hem in het duister niet goed zien, maar een
vreemd, teeder licht scheen uit zijne oogen. En hij antwoordde zacht:
"Deze zijn de allerbeste dingen in het leven. Zij gaan mede in de
eerste bewegingen van Tao in u. Maar ééns zult gij ze niet meer kennen,
evenmin als de rivier zijne oevers weet als hij vergleden is in den
eeuwigen oceaan. Denk niet, dat ik u leeren wil Liefde uit uw hart
te doen, want dat zou tegen Tao in zijn. Heb lief wat gij lief hebt,
en laat u niet verwarren door het denkbeeld, dat liefde een hindernis
zou zijn, die u gevangen houdt. Liefde uit uw hart te doen zou dwaze,
aardsche Actie zijn, en gij zoudt verder van Tao zijn dan gij geweest
was. Ik zeg u alleen, dat eenmaal Liefde vanzelf zal verdwijnen, zonder
dat gij het weet, en dat Tao géén liefde is. Vergeet niet, dat ik u,
zooveel ik dat wil en voor zoover dat goed is, van de hoogst mogelijke
dingen spreek. Sprak ik alleen van het leven en de menschen dan zou
ik u zeggen Liefde is het hoogste. Voor wie in Tao gaat verglijden
is Liefde een verleden, en vergeten. Maar het is nu laat, en ik zal
u niet te veel ineens zeggen. Gij zult zeker in den tempel willen
slapen, en ik zal voor u zorgen. Ga maar voorzichtig mede den berg af."
Hij stak een lichtje aan en gaf mij de hand om mij te leiden. Zóó
ging het heel langzaam, stapje voor stapje. Hij was zóó bezorgd,
alsof ik zijn kind was. Bij ieder steil plekje lichtte hij mij bij,
en leidde mij zacht voort, op iedere beweging van mij lettend. Toen
wij beneden waren wees hij mij het ontvangkamertje voor de mandarijnen
[26], en haalde een deken en een hoofdkussen voor mij.
"Ik dank mijn ouden Meester zéér," zeide ik. "Wanneer zal ik er u
ooit voor kunnen beloonen?"
Hij zag mij rustig aan. Zijn blik was groot als de zee. Hij was zoo
kalm en zacht als de nacht.
Hij lachte mij toe, zooals het licht lacht boven de aarde. En zwijgend
ging hij heen.