I.

Ik heb nu in verschillende bladen al zooveel leelijks van de chineezen

verteld, dat ik werkelijk wel eens iets goeds van hen mag zeggen,

en zelfs met pleizier. [1] Want de chineezen zijn eigenlijk een oude

liefde van mij. Er ligt heel veel doode illusie van mij verwaaid in

China. Ik heb liever lief dan ik haat. En als ik eenmaal iets lief

heb gehad, blijft er altijd iets van over.

Toen ik pas uit Holland kwam, en de chineezen in hun eigen land zag,

voelde ik mij, het spijt me dat ik het zeggen moet, niet bizonder

ongelukkig. Wat mij in Holland het ergste hinderde, was de wèlgedane

bourgeois, die 's Zondags met zijne familie op den Scheveningschen

weg in den Haag wandelt, de type fatsoenlijk-man, met "een positie"

en die "een beschaafd Nederlander" is. Dien was ik in China kwijt,

en ik zuchtte van verlichting.

Dat mooie, trotsche, eenvoudige, vrome land waar ik in kwam, daar

om Amoy!

Die sombere, zwijgende rotsen, onwankelbaar opgerezen, in den

roerloozen stand der volmaaktheid, zóó als ze zijn volkomen, in

eeuwige rust staande door de eindeloosheid!

Dàn die gouden bergen, in rossen gloed, zoo ontzachlijk rijzend als

in een hartstorm naar boven, en dàn weer zacht en deemoedig glooiende

naar beneê, en zéér gedwee blijvend, in sterke zwakheid, onder hunne

reine omlijningen, die vèrre en vèrre door droomen, naar ongekende

zaligheden van licht en lucht! En dan de zee, die is rusteloos gaande,

en eindeloos, als mijn eigen ziel! Ik kon er zweven in horizonnen en

verten, en werd er zoo intiem met de natuur, alsof ik zelf een zachte

stille bloem ware.

En hier leefde dat mooie, gracieuze volk, altijd zacht en statig

stappende in de wuivingen van hunne zijden gewaden, met de voorname

gebaren van hunne handen, en de ernstige kalmte, die een wijze

heeft! Alles was mooi wat zij aanhadden, waar zij in leefden, wat

ze gebruikten, en ik, die altijd een mensch meen te kennen aan de

dingen, waarmede hij zich omringt, en die mij door den artiest in mij

altijd gaarne parten laat spelen, ik vergat mijn loggen, kiezenden,

zondagsch-een-schoongesteven-hemd aanhebbenden hollandschen bourgeois

en werd verliefd op den schoonen schijn van het chineesche volk, als

op een meisje. Ik ben sinds wijzer geworden, en ben niet meer naïef,

nadat uit zoovele zacht-glanzende vruchten de gore wormen kropen. Maar

toch is het wel eens een beetje prettig, nog eens om vroegere liefheid

terug te denken, en het lust mij, dit nu even te doen.

De chineezen zijn toch o! zoo'n lief volk, als men ze alleen van

buiten ziet. Vooreerst hebben zij bijna allen, tot den minsten koelie

toe, een zeker gevoel voor mooi, voor schoonheid van kleur, lijn en

gebaar. Men behoeft maar naar hunne gewaden te zien, zooals zij die

in China dragen, naar hun gereedschap, en hun huisraad. Zet eens een

hollandsche theekop "Voor uw verjaardag" naast een eenvoudig chineesch

kopje. Het eerste is log en plomp. Het tweede heeft een sierlijkheid

van vorm en kleur, waar een eenigszins artistiek ontwikkeld mensch zich

bizonder pleizierig bij begint te voelen. Zie een hollandsche bak naast

een chineesch wierookvat, zooals dat in de huizen wordt gebruikt. Het

laatste is als eene devotie, zoo streng van vorm, en zoo teer wordt

het van den grond opgelicht door de kleine gracieuze pootjes. Zie

een europeesch fantasiepak naast een gewoon blauw zijden chineesch

gewaad. Als de chinees in zoo'n wijd gewaad met zijn langzamen stap

loopt, is er wijsheid in de diep neerhangende plooien zijner mouwen,

en beweegt hij zich, alsof niet zijn lichaam enkel vooruitgaat, maar

zijn geheele innerlijkheid, met al wat hij weet en voelt van het leven.

Zie een chinees, die u voor zijn huis ontvangt, hoe hij voor u

neerneigt, symbool der heiligste reverentie, voel u geleiden naar

een mooien, van parelmoer blinkenden stoel, en zie in het mystieke

schemerduister van zijn interieur, waarin achter vrome kaarsen branden

in zachtblauwe lotuskelken!

Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik er ingeloopen ben, en heb gezegd:

"Wat een volk! Wat een voornaamheid! Wat moeten die lui een fijn gevoel

hebben, om alles om zich heen mooi te willen hebben, van een tafel en

een lamp, tot een lepeltje toe, welks steel een rechte lotusstengel is,

uitbloeiende in een reine bloem, waarin roerloos de boeddha Kwen-Gin

in meditatie!"

En niet alleen hoe voornaam, maar ook hoe adorabel! De chineezen

houden zoo van bloemen en vogeltjes en kleine kinderen. Is het niet

om over te lachen van liefheid, dat de Canton chinees 's morgens

met het eerste dage-gloren vroeg opstaat, een doek over de kooi van

zijn leeuwrikje doet, en voorzichtig met het kooitje uitgaat? Is

de schemering dan reeds blij van vroeg, jong licht in de velden,

dan neemt de chinees het doekje voorzichtig weg, en wandelt zachtjes

met zijn vroolijk tierelierende lieveling in den glanzenden morgen!

En is niet de grootste trots van een chinees zijn kind? Overal loopen

flinke, volwassen mannen met heele kleine kereltjes op den arm,

in mooie baadjes en met kleurige hoedjes op.

Hij doet dit, zonder gevaar van uitgelachen te worden. Hij loopt zoo

heel, heel lief te wandelen met het kleine kleutertje, geeft hem

mooie bloemen, wijst hem op vogeltjes, en doet lief tegen hem als

een moedertje!

Is het wonder, dat ik dit volk begon te bewonderen met eene naïeve

vreugde, waar ik nu over lach?

En wat ik vooral zoo bizonder groot van dit volk vond, was zijne

vreezeloosheid voor den dood.

Ik weet nog den dag, toen dit mij zoo trof. Het was een vale, grauwe

middag, in eene barre rotsenvlakte.

Dreigend, vol bang mysterie stonden de grijze rotsgevaarten omhoog,

en achter mij was de groote, donker gele zee, die zee, die in China

zoo ontzettend wreed en slecht kan schijnen, en waar de dood uit loert.

Ik zag een oud man, gebogen onder den donkeren, troosteloozen hemel,

zoekende met zijn staf in den harden grond, somtijds stilstaande,

ziende in de wolken, starende over de rusteloos ruischende zee.

Ik vroeg hem wat hij deed, en hij antwoordde kalm, en dood eenvoudig:

"Ik zoek mijn graf. Ziet, deze twee berglijnen glijden in elkaar als

een zachte omarming, en hier ziet een graf juist uit op de groote

zee. Hier wil ik mijn graf hebben".

Ik was toen verstomd, en dacht, dat ik een wijze voor mij had.

Maar het is een gewoon feit in China, wist ik later, dat ouden van

dagen, die een beetje Fung Shui [2] bestudeerd hebben, hun eigen

grafplaats gaan zoeken. Toch zal ik het niet licht vergeten, dien

ouden, gebogen man onder den somberen hemel, bij die ontzachelijk

mysterieuse rotsen, en achter hem het eindeloos, donker ruischen van

de zee, waar hij vreezeloos rondliep met de gedachte aan den dood,

zoekende naar zijn graf! Het was als iets uit den bijbel.

En onmiddellijk daarmede in verband staat in mijne herinnering een

bezoek aan een anderen, ouden, ouden man. Ik weet nog zoo goed alles,

hoe het toeging. Op het voorplein van zijne woning kwamen mij veel

kinderen tegemoet, onder lustig gelach en gejoel, kleine, gracieuse

mannetjes, in blauwe en roode, wijde pakjes, met hunne lange staartjes

zwaaiende door het gespring. Intelligente, fijne gezichtjes, als op oud

porcelein wel staan, met het gevoelige lachen, dat overal plooitjes

en kuiltjes trekt. Een héél kleintje had een handje in zijn mond,

en zijn staartje in een broekzak, en de allerkleinste, die nog geen

staartje had, droeg op zijn geschoren bolletje een stijf-opstaand,

zwart haarpluimpje, dat telkens veerend trilde.

In de donkere, lange binnenzaal stond een aartsvaderlijke

chinees. Wijd gemanteld, met gebogen ruglijnen, met laag-vallende,

wijde armenplooien, een staf in de beide handen, waarmede hij, met

op- en neêrheffen, heel langzaam groette. Ik zag toen nog alleen met

de oogen van den artiest, die niets weten willen dan den uiterlijken

schijn. En zóó kwam het, dat ik zag een zacht, wereld-wijs gezicht,

met veel rimpels, die leed- en gedachte-trekken, waarover eene rustige

wijding, een gezicht, opgeklaard door het Leven tot ééne vaste,

stabiele uitdrukking van sereen weten.

Hij wees mij een zetel, met een voornaam gebaar, een éven uitstrekken

van de hand, waaronder de statige gewadeplooien hingen. De stoelen

staan stijf naast de wanden, zoodat door het groote midden, waar

geen tafel staat, de zaal van eene monotone leegheid, maar ook van

ernstige strengheid is. Rechts van den ingang, aan het hoofdeinde,

was eene soort estrade, waarop de aartsvaderlijke zetel, die daar

superieur staat, als de machthebber van de zaal. Daaróver, aan het

achterste eind een tafel met tabletten, zieletafeltjes, met veel vazen,

en wierookvaten, waar de vereering der voorvaderen gebeurt.

Ik vroeg den Oude naar zijn gezin, zijne zonen, en kleinkinderen.

Ik dacht, overbodig te vragen, want een klein twintigtal kinderen was

met mij mede binnengekomen. Maar deze oude man was de vader van drie

jongere geslachten.

Nu kwam een heel klein chineesje, die met het pluimpje, heel deftig

een kopje thee brengen, dat hij met een reverent gebaartje naar mij

ophief. Ik vroeg hem wat, en het heel niet verlegen chineesje lachte,

en sprak zangerige chineesche woordjes met een fijn stemmetje, terwijl

zijne handjes voortdurend van die mooie gebaartjes bleven maken. Hij

riep zijne broertjes en neefjes, die nu danserig om mij heen gingen,

blij-uit lachende als ik een chineesch woord verkeerd uitsprak.

De Oude zag het aan van zijnen zetel, en lachte zacht. Ja, zacht zag

hij naar het Leven, dat uit hém was gekomen, en het liefs gedaan aan

zijne kinderen, is eene reverentie, opgeheven naar hém.

Er kwamen nu andere chineezen binnen. Jonge mannen, waaronder de

vaders van vele der kinderen, en ouden, reeds grootvaders. Zij bogen

met eerbiedige groetenis van handen.

Nu was de geheele familie bijeen, behalve de zoons, die in het

buitenland zijn gegaan. Ik telde meer dan dertig menschen en kinderen.

Ik sprak mijne vreugde uit over het geluk van den Oude, het

grootste geluk, dat een chinees kan genieten, "veel kinderen en ouden

leeftijd." Ik vroeg naar ieder kind, hoe oud het was, wat het leerde,

of, als het een volwassen man was, of hij handel dreef, of studeerde.

En de Oude glimlachte van uit zijne hoogte, gelukkiger met mijn

begrijpen van zijn geluk. De aartsvader zat in het late licht van

avondschemering, gebogen naar de aarde, met het leven dat uit hem

ging, sterk en vol om zich heen. Hij lachte zacht, en voelde zich

zélf bewonderen in de blikken, waarmede ik zijn nageslacht aanzag.

En toen dacht ik opeens weer terug aan dien anderen grijzen vader,

dien ik in de sombere rotsen zag zoeken naar een graf. Ik begon te

voelen, hoe het mogelijk was, zoo kalm den dood te zoeken, wetende

het groote leven, dat achterblijft, het leven, dat in China van

dezelfde essence als dat der Ouden is, dat hier, eeuwig hetzelfde,

eeuwig het voorgaande vereert. De blik, dien de aartsvader van meer

dan negentig jaren zegenend over vijftig kinderen en kindskinderen

uit zijn eigen leven doet gaan, is vreezeloos voor den dood.

De Oude lachte zacht, hoofdgebogen, in het late licht. Blank lachen

van kinderen klonk op in de stilte, lucht ruischte het bewegende,

jonge leven, dat aan de voeten gaat van den Ouderdom, in reverenten

dank voor het zijn.

Ik zal hem nog dikwijls zien, zooals hij daar zat met zijne geslachten,

een symbool van de Haò, [3] de eerste Deugd, waarop de geheele

moraliteit der chineezen berust.

O! Hoe lachte hij wereld-wijs en zacht, in het late licht, hoofdgebogen

naar de aarde!...

En óver hem, in het duister van den achtergrond gloeiden stil de

wierookstokjes, droef-roode lichtjes van offering, voor de gestorven

Vaderen, zacht en stil brandden zij wijding, door het leven ontstoken,

voor den grooten dood....

Wijsheid en Schoonheid uit China · 第 4 / 24 题