(Eerste Uitgave.)
_Beste Vriend!_
Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er nog iets
aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst had ik
gedacht er eene scherpe Voorrede vóór te schrijven, zeer hatelijk tegen
dezen of genen collega-auteur, die mij nooit kwaad had gedaan, maar
daar ik een hekel aan had of jaloersch van was. Doch daar ik niemand
kon bedenken, die in deze termen viel, moest ik wel van dit fraaie
plan afstappen. Toen meende ik eene geheele slagorde van onderkraste
en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de heeren recensenten
te richten, die _ik_ niet ken, en die mij... ik had kunnen zeggen:
"zullen verguizen"; het is een plechtig woord en bij teleurgestelde
schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was duizend tegen een, dat men
mij verweet die uitvallen te hebben nageschreven. Daarop heb ik van
alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te beter was, daar ik ze in mijn
boek ook niet had toegelaten. En dewijl ik plan had dat boek aan u op
te dragen, besloot ik eindelijk al wat ik er nog over te zeggen had
met die toewijding aan u samen te smelten, en daartoe schrijf ik deze
Narede. Iets onaangenaams te zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn;
want hoe zou het gaan kunnen in de nabijheid van uwen naam?
Gij weet hoe en wanneer ik deze opstellen heb bijeengekregen. Zij
zijn bedacht in verloren uren, tusschen de wielen en op het water,
op wandelingen en in vervelende gezelschappen. Zij zijn geschreven in
oogenblikken, waarin een ander zijn piano opensluit, of een pijp rookt,
of over _Don Carlos_ praat. Zij werden in gezellige uurtjes voorgelezen
onder vrienden, alleen onder vrienden. Nu ze dan bijeenvergaderd zijn
en aan het publiek worden overgegeven, hoop ik dat het publiek ze
als zoodanig zal beschouwen. Al wie nu niet van _Hildebrand_ houdt,
moet ze maar niet lezen. Gij en de andere academievrienden zullen
er hem in hooren praten en vertellen, en er veel in wedervinden dat
hij dikwijls mondeling met hen heeft behandeld. Zij zijn herwaarts
en derwaarts gegaan met hunne respectieve doctorale graden, en dit
boek zend ik hun na als eene gedachtenis aan ons genoegelijk verkeer,
en mijn hartelijken vriendengroet voeg ik er in gedachte bij.
Wie _Hildebrand_ is weet iedereen wel; er is somtijds met veel
scherpzinnigheid naar geraden. Ook maak ik er geen geheim van, noch
poog mij te laten doorgaan voor een veertig jaar ouder of een veertig
maal beter dan ik ben. Het goede publiek hebbe vrede met den naam;
ook is het om 't even of men _Jaap_ heet of _Hildebrand_.
Maar de naam van het boekzelf heeft mij veel moeite gekost. Het was
zoo heel moeielijk de verschillende stukken onder één etiquette te
brengen, en de uitgever wilde iets hebben dat niet al te versleten
was. De camera obscura is tegenwoordig zeer op de spraak, en de
aanhaling van _Anonymus_ op de eerste bladzijde toont aan met welk
recht ik dit werktuig hier heb durven tepasbrengen.
Soms verbeeld ik mij dat deze bundel papiers eenige verdienste zou
kunnen hebben ten opzichte van onze goede moedertaal. Tot nog toe had
zij voor den gemeenzamen stijl niet veel aanlokkelijks. Ik ben evenwel
de eerste niet, die het waagt haar het zondagspak uit te trekken en wat
natuurlijker te doen loopen. Ik hoop dat ik mij niet te véél vrijheden
zal hebben veroorloofd, en vraag vergiffenis voor de drukfouten. [12]
Ach, ach, ach! die drukfouten zijn een kruis! Op bladzij 12 staat
19 in plaats van 17; op bladzij 13 (onderaan) staat (hoe is het
mogelijk?) _onverschilligst_ in plaats van _onbillijkst_. Ik wed
dat er nog honderden in zijn die ik over het hoofd heb gezien! Maar
ééne: die ik niet heb over 't hoofd gezien, en die mij meer dan alle
grieft, staat op bladzij 160. Ik weet zoo goed als gij, dat van een
"schalksche boerin" te spreken, even dwaas is als te zeggen: "een
geksche boerin", en dat "zij lachte schalks" er evenmin doorkan,
als "zij lachte mals"; en daarom had ik de maagd op bladzij 160 ook
"schalk" laten omkijken. Toen kwam de letterzetter, en schudde daar
het hoofd over, en zette "schalks". Toen kwam ik, en werd boos op den
letterzetter, haalde de S door en schreef er het gewone _deleatur_
bij. Ik kreeg eene revisie, zag mij gehoorzaamd, en gaf het verlof
tot afdrukken. Toen sloop ik weet niet welke hand nogmaals in de
proef en verkorf het weer. Ik val die hand niet hard. Zij volgde
het voorbeeld van vele en van bekwame handen. Maar ik bedroef mij,
lief_sche_ vriend, dat men thans zoo onkundig_sch_ onze schoon_sche_
moedertaal is geworden, en zoo gewoon_sch_ aan dien verkeerd_schen_
uitgang, dien men bij de oud_schere_ schrijvers te vergeefs zoeken zou.
Ziedaar eene lange historie van ééne enkele drukfout. Op bladzij 101
staat _bragt_ in plaats van _bracht_. "Dat komt van die aanmatiging
om met _Bilderdijk_ te spellen!" Niet voorbarig, mijn waarde! wat ik
u bidden mag. Ik heb eerbied voor iedereen die uit overtuiging andere
spelregelen volgt, gelijk ik eerbied heb voor iedereens bekwaamheden
en verdiensten, maar het zij hiermede:
--_hanc veniam petimusque damusque vicissim_.
(Dees vrijheid vordren wij, gelijk wij ze andren schenken.) [13]
Maar welke drukfouten en andere fouten het boek ook mogen aankleven,
en hoe klaarlijk het ook de onbedrevenheid of onbevoegdheid van
_Hildebrand_ om iets te doen drukken, of te spellen moge aantoonen;
ik weet dat u de toeëigening van dit bundeltje aangenaam zal zijn. Dat
is althans _iets_, mijn vriend, en zoo het boek u bevalt, dan durf ik
wel hopen dat het anderen bevallen zal. Indien het maar een weinigjen
op u geleek! Het zou dan vol zijn van geestige, maar vroolijke en
goedaardige opmerking, waarbij men niet aarzelt zichzelven in te
sluiten; van dien welwillenden lach, die niets heeft van een grijns;
het zou dan een toon van aangename gezelligheid hebben, waarbij men
zich op zijn gemak gevoelt, en die den lezer zou boeien en bezighouden,
en naar willekeur stemmen tot heldere genoegelijkheid en ongemaakten
ernst! Het is maar een wensch, vriendlief!
Ik heb de Opdracht tot het laatst bewaard. Het is wel tegen de orde;
maar het zij zoo. Daar zijn zoovele lezers die een boek met de laatste
bladzij beginnen, dat het bijna op 't zelfde neerkomt.
October 1839.
(Tweede Uitgave.)
Zoo schreef ik voor zes maanden. Thans nog een enkel woord.
Men heeft mij verweten dat het niet aardig was, den man, aan wien ik
mijn boek had opgedragen, tot een souffre-douleur van de drukfouten
te maken, maar ik weet wel dat gijzelf daar geen oogenblik over
hebt gedacht. Zoo heeft men zich ook hier en daar zeer beijverd de
origineelen aan te wijzen van de personen, die ik heb opgevoerd,
en heb ik tot mijne groote voldoening bevonden, dat men in iedere
stad, waar ik al of niet verkeerd heb, zes of zeven menschen wist
op te noemen, van welke allen men mij om 't zeerst opdrong dat
_zij_ het waren die voor dit of dat portret gezeten hadden. Ik
dacht waarlijk niet dat er zóó vele _Nurksen_ en _Stastokken_
op dit benedenrond hunne beminnelijkheden ten toon spreidden, en
sta verbaasd over den gedienstigen ijver, waarmee de vingers naar
hen worden uitgestoken. Echter kan ik het goede publiek deze kleine
genoegens niet betwisten of kwalijk nemen; maar ik neem de vrijheid
het motto van _Anonymus_ in het nog altijd "onuitgegeven boek" in
herinnering te brengen, en in gemoede te verklaren dat mijn chambre
obscure argeloos geplaatst wordt, dat ik er niet aan wend of keer,
en nooit eenige beweging maken _wil_, om haar op een onbescheidene
wijze te _pointeeren_. Dat ik ze nog niet op den Godesberg of te
Milanen heb kunnen plaatsen doet mij, om den wille van hen die het
hooge en het uitneemsche begeeren, bijzonder leed; maar het is mij
gebleken dat de meerderheid ruim zoo tevreden was met mijn kleine,
mijn Hollandsche tafereelen. Men moet begrijpen, dat wij de vreemden,
dank zij levenden en "afgestorvenen", al zoo op end' uit kennen,
dat het een heele aardigheid geworden is, voor de afwisseling, eens
op onszelven te letten.
Ik neem deze gelegenheid waar, om mij bij een negenjarig vriend te
verontschuldigen wegens de betichting omtrent "den bonten zakdoek"
op bl. 3. Hij heeft verklaard er nooit in 't geheel een bij zich te
hebben, en ik ontlast mijn geweten door dit zijn verzet hier aan te
teekenen. Streelend was mij de toejuiching der Hollandsche moeders
ten aanzien van de schets harer kinderen, en van Prof. _Vrolik_ ten
opzichte van "Een Beestenspel" (ofschoon laatstgenoemd stuk toch maar
het beste niet schijnt te wezen!); streelend vooral uwe goedkeuring,
waarvan het gunstig voorteeken niet is gelogenstraft.
En als gij nu vraagt of ik geen plan heb in dit slag van schrijven
nog eens iets meer te leveren? Ik antwoord dat het, bij zooveel
aanmoediging als ik ondervinden mocht, een vreemd verschijnsel, en
ook waarlijk ondankbaar wezen zou, indien ik het naliet. Verwacht
dus mettertijd "Nieuwe Vertooningen van de Camera Obscura", en neem
ten tweeden male de opdracht van dit boekdeel aan.
April, 1840.