Laat hem komen, als hij kan?"

Onttroonde koning! Gekrompen reus! Zie, hij is voorzichtig

in al zijne bewegingen; hij neemt zich in acht, om zijn hoofd

niet te stooten, zijn muil niet te bezeeren, zijn staart niet

te schenden. Wat onderscheidt hem van eenig tam beest? Wat van

dien lagen hyena, die de kerkhoven schoffeert? van dien gevlekten

tijger, viervoetige slang die van achteren aanvalt? van dien wolf,

dien een kloek kozak dood geeselt? van dien afschuwelijken mandril,

hansworst der verzameling? van al die walgelijke apen, daar zooveel

menschen zich vroolijk mee maken? Altemaal zijn zij opgesloten: de

vorst als de knecht, de vorst meer dan allen. Waan niet dat gij hem

in zijne natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner; hij is

wel een voet gekrompen. Zijn gelaat is verouderd. Zijn oogen zijn dof

geworden; hij is suf; het is een verloopen leeuw. Zou hij nog klauwen

hebben? Bedroevend schouwpel. Een haspel in een flesch; men weet niet

hoe 't mogelijk is dat hij er inkwam! Een ziek soidaat; een grenadier

met geweer en wapens, berenmuts en knevels (foudre de guerre) in een

schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op St. Helena.

Als gij in 't midden van deze tent staat, tusschen staatsiegordijnen en

schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en

wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels--waan

niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyenen,

beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hunne broederen, zoo zij

ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood,

steek die portefeuille op, gij teekenaar! Maak hier geene schetsen. Gij

hebt geene wilde dieren voor; het zijn er slechts de vervallen

overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard

drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is

dood in den tijger. Uwe teekening zou zijn als een portret naar een

lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw

tot model voor een zijner Germaansche vaderen stellen, of een mummie

afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij

hunne vormen, hunne omtrekken, hunne evenredigheden zien of berekenen

onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het

eigenaardige van hunne houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten

in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevigen staat van

ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het

licht hindert hen. Zij zien er dom, verstompt uit. Dans la nature

ils sont beaucoup moins _bêtes_.

"Stil", zegt gij, "zie daar den eigenaar. Hoor hoe zij brullen. Zij

zullen gevoed worden. Het souper der wilde dieren." Smartende

bespotting! Hun souper! De cipier zal elk dezer staatsgevangenen

zijne afgepaste portie komen toedeelen. "Ja, maar hij zal ze tergen,

en een oogenblik zult gij ze in hun kracht zien." Wee onzer, zoo dat

waar is! Neen, het is eene tooneelvertooning. Zij worden tot acteurs

vernederd. Hun woede is die van operahelden, van beleedigde vaders

in de vaudeville. Het is namaaksel. Het is een woede van klokke

halfacht. Het rammelen der boeien, als de gevangene opstaat om zijn

brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul des leeuws, het gehuil

der wolven en het lachen der hyena's is een _pectus quod diserfum

facit_. Waan niet dat zij zich verwaardigen zouden hun verschrikkelijke

welsprekendheid aan dien knecht te verkwisten, die toch eindigen moet

met hun het afgewogen stuk vleesch in den bek te steken.

Hun souper! o Zoo zij mochten, zij zouden van dit behulpelijk,

bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de

woestijn! Weekelingen, die uw brood bakt en die uw vleesch kookt om

het te kunnen verduwen! zoo gij genoodzaakt werdt dien maaltijd aan

te zien, daar zij de rookende spieren van de breede knoken aftrekken,

en er zich met al de felheid, al de heftigheid hunner bewegingen

opstorten, brullende van genoegen, niet omdat zij eten, maar omdat zij

slachten,--hoe zouden u de haren te berge rijzen, hoe zou vleeschhouwer

en uitdeeler, hoe het geheele heir geabonneerden rillen en beven!

Alleronuitstaanbaarst is mij in een beestenspel de uitlegger. Gij

lacht om zijn gemeen Fransch en nog ellendiger Hollandsch, om zijn

eeuwig wederkeerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij.

Sire, ce n'est pas bien:

Sur le lion mourant vous lâchez votre chien!

Foei! hij noemt den tijger monsieur en de leeuwin madame; hij

vertelt aardigheden op hun rekening; zij zijn de dupes zijner

van buitengeleerde geestigheid. O! zoo zij konden, hoe zouden zij

zich op den grappenmaker wreken. Hoe zou monsieur hem vierendeelen,

madame hem vernielen. Hij zou 't verdienen. Hij behandelt dieren als

dingen. Hij verdient een dommen glimlach aan den een, een drinkgeld

aan den ander. Hij ontneemt u het schoone zinnebeeld der moederliefde,

dat gij in den pelikaan zaagt, en maakt liever een slaapmuts van

zijn onderkaak. Ellendige potsenmaker, straffeloos lasteraar, die

zijne beteren bespot. Met een paar knevels en een stok loopt hij om,

en speelt den held onder de gevangenen.

Ja, het is ijselijk als gij een verren neef of halfvergeten vriend

overkrijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leidsch museum

te laten zien, en ge moet, terwijl gij liever de bekoorlijken

op Rapenburg en Breestraat gadesloegt, met hem op een schoonen

voormiddag de eene zaal na de andere doordrentelen, zonder iets te

zien dan natuurlijke historie, zonder ergens een knie te buigen; en

het is er kelderachtig koud! Maar zoo het er op aankomt om vreemde

dieren te zien: ik zie ze liever daar dan hier. Liever een museum

dan een menagerie. 't Is waar, het knekelhuis, dat gij eerst door

moet wandelen, neemt een goed deel van de illusie weg; de anatomie,

gelijk alle analyse, is schadelijk aan de poëzie; maar de opgezette

dieren zijn niet vernederd. Hier ronken zij niet, hier slapen zij

niet, hier sterven zij niet, hier zijn zij dood. Hier geen dofheid,

geen traagheid, geen luiheid; hier koude en ongevoeligheid. Het is

hier als in hun onderwereld: gij ziet hunne schimmen, hunne omtrekken,

hunne eidola! Aan hun stoffelijk omkleedsel, hun houding, hun stand

moge door opvulling en kunstenarij een weinig zijn te kort gedaan, maar

de ziel (gij gelooft toch dat de dieren een ziel hebben?) wordt hier

niet verdoofd of verminkt. Niet de lage baatzucht, maar de deftige

wetenschap heeft hen bijeenvergaderd. Zij staan hier niet te kijk,

zij staan hier tot uwe onderwijzing. Hunne namen worden in eerbiedig

Latijn genoemd. Zwijgend gaat men langs hunne rijen, met al het ontzag,

dat men voor de dooden heeft.

Maar een menagerie!

o Gij, heeren der schepping! ik weet niet of gij in de 19de

eeuw onzer jaartelling, en zoo ver van het paradijs, dien naam

nog verdient.... maar gij hoort hem zoo gaarne, en zijt er zoo

hoovaardig op; o gij, heeren der schepping! laat u gelden in het

dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven

en horens heeft. Heerscht, dwingt, gebiedt, overweldigt, beschikt;

zet uw krijgsburcht op den rug der elefanten; legt uw pak op den nek

der buffelen, zet uw tanden in het oor van onagers, jaagt uw lood

door het voorhoofd der tijgers, en maakt hun vacht tot schabrak uwer

paarden; overwint als een Cesar de wereld, en spant als een Cesar

vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is wèl. Maar misbruikt uwe kracht

niet. Spot niet, kwelt niet, vernedert niet, dooft niet uit. Geen

gevangenhuis, geen tuchtcel, geen schavot, geen kaak, geen draaikooi,

geen beesten-_spel_. Ja, een spel is het, een afschuwelijk wreed

spel. Moet gij een spel hebben: herstelt het molmend coliséum tot een

worstelperk, en hebt ten minste de grootmoedigheid, uw gelijken met

hen ten kamp te doen treden. Vermaakt u (zoo gij nog niet genoeg hebt

van barbaarsche vermaken) met hunne krachten, met hun moed, met hun

heldeneinde;--niet met hunne slavernij, niet met hunne ontaarding,

niet met hun heimwee, niet met hun teringdood.

1836.

Camera Obscura · 第 18 / 64 题