Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.
Een hout geweer, een blikken zwaard
Verrukken 's knapen borst,
Een hoepel en een hobbelpaard,
Dat draagt hem als een vorst.
Voor u de geur van 't rozenbed
En Filomele's zang!
Hij speelt kastie, dat 's andre pret!
Met rozen op de wang.
Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over 't dak.
Frisch op maar, jongen! vroeg en spa,
Den lieven langen dag!
Loop over 't veld kapellen na,
Zoo lang het duren mag
Haast zult ge op school gekortwiekt zijn;
Uw vreugd loopt snel naar 't end;
Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn,
En Weytingh tot torment.
Het oorspronkelijke is een lief versje van _Hölty_, die er wel
meer lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij
jeugdige dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik
althans heb er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder
een Neurenburger legprent "Knabenspiele" zou passen, dan onder de
voorstelling van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk,
de Hollandsche jongens _zijn_ een aardig slag. Ik zeg dit niet met
achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche,
of Engelsche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan
Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat _Potgieter_, in
zijn tweede deel van "het Noorden", over de Zweedsche, en wat _Wap_
in het tweede deel van zijne "Reis naar Rome", over de Italiaansche in
't midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het
met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks
de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde
_spes patriae_.
De Hollandsche jongen;--maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik
niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder
de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling,
acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn
haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt
te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is
om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk
en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van
krijgertje,--twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten
derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen,
om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes
leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven
dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort UEd. als
zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon
komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in
't ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een _schoffel_
en een _klap_ leeren berekenen?--ik verzeker u dat hij nagelt,
mevrouw! een _nagelaar_ is hij, en een _nagelaar_ zal hij blijven:--wat
kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?--Ook
draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet
UEd. wat UEd. van uw lief _Fransje_ maakt? 1°. een gluiper; 2°. een
klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5°... Och lieve
mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken,
en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen
zonder een buil of een schram,--hij zal een groot man worden.
De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieën, fiksche knokkels. Hij
is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; bij
't brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn haar
is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat,
in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit
er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar
sluik is het óók niet; sluik haar is voor gierigaards en benepen
harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof
ik, eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt
zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in 't geheel niet;
een blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde
broek--dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met
zich--al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters,
ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes,
een touwtje, drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje,
een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren
zuiger om steenen mee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een
zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken,
een hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en
in rust gehouden door een bonten zakdoek.
De Hollandsche jongen maakt in 't voorjaar eene verzameling van
uitgeblazen eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken
van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de
zeevaart, ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten,
bewijzen van onverstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van
zijne doubletten, van vroegtijdigen Hollandschen handelsgeest. De
Hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig,
maar in 't geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns
gelijken niet. De Hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de
leerwijze van _Prinsen_ dan de Hollandsche schoolmeester; maar wat
de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een
examen kunnen doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een
paardemarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den
rug naar de mooie mannen toe. De Hollandsche jongen encanailleert
zich lichtelijk, en noemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan
Hollandsche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging
jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet
komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt bij
dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam met
woorden en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet bang
om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met
een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuisten uitsteken,
maar spaart in 't vechten zijn partij; hij speelt niet valsch; hij
heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en
wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen;--hij houdt zijnen
vader staande dat hij over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt
over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet altijd een
boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek toe heeft;
hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt driemaal
over zijn hoofd zonder duizelig te worden.
Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen;
gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn
hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw
uitgelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mijn
hart krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of
zult gij, die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden
appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is den
appel in een hoek te nemen en alleen op te eten; ja, de schillen weg
te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij;
die daar geduldig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich
op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwenest te zoeken,
dat heel hoog ligt: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid
onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het
nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten óf
en hoe men u zal beloonen?
Dat is de wereld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel
onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige
teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid gerijpt;
uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereldzin en ongeloof
verhard!... O, als gij in later jaren op uwe kindsheid terugziet,
dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest benijdt en nu toch
het minst geniet, dat gij zooveel minder boos waart, dat gij zooveel
onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel
zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom mij zie, en
liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen, en als de ernst des levens
komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte daartoe! Maar hij late u
tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijke en jeugdigs behouden. Hij
spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens,
die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad en den
man versieren; opdat gij mannen wordende in het verstand, kinderen
blijft in de boosheid. Dit is een _stille_ wensch, jongenslief! want
ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder
u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan ... een wensch!--