Ik was een kleuter van een jaar of zeven, toen ik met Moeder op een
wandeling, een blinden man op twee krukken ontmoette. Hij droeg den
bekenden bak vol snuisterijen aan een riem om den hals. Met trillende,
hartroerende stem herhaalde hij steeds zijn smeekbede:
"Gedenk den lammen, blinden man, die geheel verlaten is."
Een kaart, waarop dit klaaglied met vette letters gedrukt stond, was
tegen den voorwand van den bak bevestigd.
Moeder zag dat het treurige lot van den hulpeloozen stakkerd me
aangreep.
Ik mocht hem een dubbeltje geven, daarna zei Moeder: "De man _is_ niet
verlaten, hij _zou_ verlaten zijn als de menschen hem niet telkens weer
wat afstonden. Hij heeft voor het geld, dat hem geschonken wordt, nu wel
een goede verzorging".
Zoo troostte ze me.
Toch bleef het medelijden nog bij mij nawerken. Het jammeren van den
ongelukkige wilde maar niet uit mijn gedachte.
Den volgenden namiddag speelde ik alleen in de woonkamer. De Fransche
leeraar, die mijn broer conversatieles kwam geven, en wat te vroeg was,
moest even bij mij wachten. Juist sleepte ik me met twee stokjes onder
de armen en met bijna dichtgeknepen oogen voort, het treurig refrein
reciteerende: Gedenk den lammen, blinden man enz., toen Mijnheer N.
ongemerkt binnentrad en me verraderlijk een klap om de ooren gaf, "Je
_moogt_ geen gebrekkige menschen nadoen, dat is slecht," voegde hij er
driftig aan toe.
Heel opgewonden liep ik naar Moeder en vertelde haar, wat me overkomen
was en hoe ik juist zoo prettig speelde. Ik was, om beurten me zelf
voorstellende en den blinden man, de beschuitjes, die ik van moeder
gekregen had, op de étagère gaan deponeeren, en de goede gave dankbaar
in ontvangst gaan nemen. De vierde maal, dat ik dit spelletje
herhaalde--ik oefende me feitelijk in weldoen--had de nijdas paedagoog
me zoo wreed miskend.
Moeder suste: "ga maar met mij naar beneden, ik zal het mijnheer wel
uitleggen, dat je niet zoo slecht gedaan hebt, als Mijnheer N. dacht."
"Ja maar .... maar _Maatje_ .... en die _klap_ dan?" snikte ik.
Moeder schoot in een lach en nam me knusjes aan de hand.
Ik herinner me heel goed, dat ik het knuste vond, dat Moeder Mijnheer N.
een welverdienden--psychischen--klap ging brengen, al gooide ze het
tegenover mij over een anderen boeg.
Nooit heeft iemand het recht, _vreemde_ kinderen straffen of berispingen
toe te dienen. Hij mag slechts, of liever hij moet, alleen wanneer door
de handeling van het onbewaakte kind, gevaar voor hem of voor de
omgeving dreigt, die handeling keeren. Bij het straffen en beschuldigen
moeten we er toch voor alles rekening mede houden, dat het kind de
dingen soms, neen dikwijls geheel anders ziet, geheel anders toepast dan
wij ouderen meenen. We moeten het kind terdege rekenschap vragen van de
motieven, die hem tot de een of andere handeling geleid hebben. Alleen
de opvoeder(ster), die de ziel van het kind door en door kent, zal hem
zeker recht doen geschieden, juist behandelen.
Een schip kan slechts goed bestuurd worden, door zijn eigen Vader, zijn
Kapitein, die met de geheele inrichting daarvan bekend is. Het wordt
daarom geen ander toevertrouwd.
* * * * *
Ik heb helaas vele kinderen waargenomen bij wie het langen tijd, soms
onherstelbaar in de oogen weerspiegelde:
"Maar .... maar _Maatje_ .... en die _klap_ dan?" Het was in hun hart
gebrand.
Dat leed moet, die "het kind" lief heeft helpen voorkomen.