NEGENDE BOEK.

I. Nu blijft ons, geloof ik, nog over den tirannischen man te

beschouwen en te zien, hoe hij uit den democratischen voorkomt,

hoedanig hij is, en of zijn leven gelukkig heeten moet.--Ja, hij is

nog over.--Weet gij nu, wat mij nog niet voldoet?--Wat meent gij?--Wij

hebben den aard en de kracht der begeerte niet genoeg uiteengezet; en

als dit gebrekkig is behandeld, zal hetgeen wij zoeken niet duidelijk

worden.--Maar dat is immers nog te verhelpen?--Wel zeker; let maar eens

op, wat ik wil nasporen. Het is dit. Van de niet noodzakelijke vermaken

en begeerten houd ik sommige voor onwettig, en geloof, dat zij wel

in alle menschen opkomen, maar door de wetten en de betere begeerten

met behulp der rede onderdrukt, sommigen geheel verlaten, of althans

bij hen zeer gering en zwak worden, bij anderen daarentegen sterker

en meer zijn.--Welke bedoelt gij daarmede?--Die in den slaap voor den

dag komen; want wanneer het redelijke, zachtzinnige, heerschende deel

der ziel rust, maar het dierlijke en wilde, vooral na veel eten of

drinken, zich verheft, en den slaap van zich afwerpt, en poogt heen te

gaan en zijne natuur uit te vieren, dan weet gij, dat het alles durft

doen, en zich van alle schaamte en ingetogenheid losmaakt. Dan toch

ziet men er, in den droom, geen zwarigheid in, om bij zijne moeder, bij

beesten of bij goden te liggen, of om moord te bedrijven, of verbodene

spijzen[146] te eten; met één woord, dan wordt er geene dwaasheid of

onbeschaamdheid nagelaten.--Dat zegt gij volkomen naar waarheid.--Maar

wanneer iemand bij gezonden toestand en matige levenswijs zich te

slapen legt, na zijne rede gewekt en met schoone redeneringen en

bespiegelingen gevoed te hebben, en tot volkomen bewustheid van zich

zelven gekomen te zijn; terwijl de begeerte door gebrek noch overmaat

is geprikkeld, opdat zij zich rustig houde en het beste deel der ziel

door hare blijdschap of smart niet beroere, maar dat op zich zelf

late nadenken, en naar kennis van ’t verledene, tegenwoordige of

toekomende streven; en wanneer hij evenzoo het driftige getemd heeft,

en bij zijn slapen gaan op niemand boos was, maar die twee deelen der

ziel tot kalmte gebragt, en het derde, de zitplaats van het verstand,

opgewekt hebbende, zich ter ruste begeeft: dan komt hij het digtst

aan de waarheid, en dan zijn de droomen het minst onwettig.--Dat is

volkomen waar.--Dit hebben wij nu wat heel uitvoerig besproken, maar

onze meening is deze, dat in ieder, hoe ingetogen hij zich voordoe,

eene schrikkelijke, woeste, wettelooze soort van begeerten huisvest,

die onder het droomen voor den dag komt. Zie eens, of gij vindt dat ik

gelijk heb?--Ik vind van ja.--

II. Herinner u nu nog eens, hoe wij gezegd hebben, dat het karakter

is van den democratischen man. Hij was ontstaan uit eenen jongeling,

opgevoed door eenen gierigen vader, die alleen de nuttige begeerten

goedkeurde, en de niet noodzakelijke, maar slechts naar spel en

sieraad hakende verachtte: niet waar?--Ja.--En door om te gaan met

aardiger lieden, en die vol waren van de daareven vermelde begeerten,

kreeg hij neiging tot allerlei overmoed en tot het aannemen van hunne

zeden, daar de gierigheid zijns vaders hem tegenstond; maar, daar

bij van natuur beter was dan zijne bedervers, en van twee kanten

getrokken werd, koos hij een middelweg, en, naar hij meende, de

juiste maat houdende, leefde hij niet bekrompen noch slecht en werd

van oligarchisch democratisch.--Ja, zoo was en is nog tegenwoordig

het algemeene oordeel over zulk een mensch.--Stel nu, dat hij ouder

geworden zijnde, weer een jongen zoon heeft, die in zijne zeden is

opgevoed.--Best.--Stel nu verder, dat het dezen evenzoo gaat als zijnen

vader, dat hij tot alle losbandigheid wordt aangezet, en dat deze door

hen, die hem aanzetten, vrijheid genoemd wordt; en dat zijn vader en

overige nabestaanden die matige begeerten te hulp komen, maar dat die

anderen, die knappe toovenaars en tirannenfabriekanten, daartegen in

werken, en, vreezende den jongeling te zullen verliezen, zijne matige

begeerten weten te doen zwichten voor den wellust, die met regt bij

een gevleugelden grooten hommel kan vergeleken worden.--Juist.--En

wanneer dan nu de andere begeerten rond dien hommel gonzen, en bedwelmd

door reukwerk, balsem, kransen, wijn en wat meer bij die losbandige

vermaken behoort, hem steeds grooter maken en voeden, en van den angel

des verlangens voorzien; dan wordt dat opperhoofd der ziel door de

driften als lijfwacht gediend en viert aan zijne woede den teugel, en

doodt of verbant alle nog aanwezige goede en schaamachtige meeningen

en begeerten, tot dat hij de ziel van alle ingetogenheid gezuiverd

en haar met dolheid vervuld heeft.--Dat is volmaakt de geboorte

van een tirannisch mensch.--En wordt niet om diezelfde reden de

wellust reeds door de ouden een tiran genoemd?--Waarschijnlijk.--En

heeft ook een beschonken mensch niet eenigzins een tirannischen

aard?--Ongetwijfeld.--En een razende en half krankzinnige poogt

en hoopt niet slechts over menschen maar zelfs over goden te

heerschen.--Wel zeker.--Zoo wordt dan een mensch volkomen tirannisch,

wanneer hij van natuur, of door levenswijs, of door beiden aan wijn en

wellust verslaafd en zwartgallig geworden is.--Ongetwijfeld.--

III. Zoo wordt zulk een man dus gevormd, maar hoe leeft hij?--Dat

moet gij maar liever zeggen.--Komaan dan! Zij, wier ziel door den

wellust beheerscht wordt, vieren, geloof ik, in ’t gezelschap van

hoeren feesten, drinkgelagen, smulpartijen, enz.--Dat spreekt.--En

dan komen er iederen dag en nacht vele nieuwe, hevige begeerten

te voorschijn, die heel wat vertering te weeg brengen.--Ja, die

komen er in menigte.--En daardoor worden hunne inkomsten spoedig

opgemaakt.--Natuurlijk.--En daaruit komen dan weer schulden en

achteruitgang voort.--Dat kan niet anders.--En als alles op is, dan

schreeuwen natuurlijk die vele en sterke begeerten om voldoening,

en dan wordt zulk een mensch én door de andere begeerten, én vooral

door den wellust als met prikkels voortgedreven, en zoekt in zijne

razernij, wien hij door list of geweld kan berooven, om maar geld te

bekomen.--Zoo gaat het.--En dan is hij in de noodzakelijkheid om óf

van alle kanten geld zamen te slepen, óf door onvaldane begeerten

rampzalig gekweld te worden.--Dat kan niet anders.--En dan zal bij,

gelijk de later bijkomende begeerten de vroegere in zijne ziel van het

hunne beroofd hebben, zijn vader en moeder willen berooven en plukken,

nadat hij zijn eigen vermogen heeft doorgebragt.--Ongetwijfeld.--En als

dezen dat niet toelaten, zal hij dan niet eerst zijne ouders trachten

te bestelen en te bedriegen?--Ja.--En als dat niet gaan wil, berooft

en plundert hij ze met geweld.--Dat is denkelijk.--En als nu die oude

lieden zich daartegen verzetten, zal hij zich dan van tirannieke daden

onthouden?--Ik heb niet veel moed ten opzigte van zijne ouders.--Maar

zal hij dan om een hoer, die hij onlangs heeft lief gekregen en best

missen kan, zijne ouders, zijne oudste en onmisbaarste vrienden, slaan

en als slaven behandelen?--Dat zal hij.--Het is toch rampzalig een

tirannischen zoon ter wereld te brengen!--Dat is het wel.--En als

hij nu van zijne ouders niet meer halen kan, en een groote zwerm van

begeerten zich in hem heeft gevestigd, dan zal hij in een huis zoeken

in te breken, of ’s nachts de voorbijgangers te berooven, en vervolgens

zelfs de tempels bestelen; en onder dit alles zullen de begrippen

zijner jeugd over goed en kwaad verdrukt worden door de lijfwachters

van den wellust, die onlangs losgebrokene begeerten, welke vroeger,

toen hij nog democratisch was en door zijn vader en de wetten bestuurd

werd, slechts in den droom losbraken; en onder de tiranny van den

wellust zal hij steeds zoodanig wezen als hij vroeger soms in den

droom was, en geen moord, heiligschennis of gruweldaad ontzien; maar

de wellust, zelf als opperheer zich aan niets storende, zal hem, die

zijn slaaf is, als een werkelijk tiran zijnen staat, allerlei misdaden

doen plegen, tot onderhoud van hem en van zijne metgezellen, die deels

van buiten door slechten omgang zijn aangebragt, deels van binnen

door hem en door die slechte levenswijs zijn voor den dag geroepen en

losgemaakt. Is dat niet het leven van zulk een mensch?--Juist.--En als

er nu weinigen van die soort in een staat zijn, en de andere burgers

zich ordelijk gedragen, dan verhuizen zij en worden lijfwachters van

een vreemden tiran, of verhuren zich als krijgslieden in den eenen of

anderen oorlog, of, zoo daartoe geene gelegenheid is, dan doen zij te

huis allerlei klein kwaad.--Wat meent gij?--Zij maken zich schuldig

aan diefstal, inbraak, zakkerollen, tempelschennis, menschenroof,

enz.; en, als zij goed kunnen spreken, winnen zij geld met valsche

getuigenissen en beschuldigingen, die zij laten afkoopen.--Vindt gij

dat klein kwaad, als er maar niet veel zulke menschen zijn?--Het

kleine is klein met betrekking tot het groote, en dit alles komt in

slechtheid en verderfelijkheid voor den staat in geene vergelijking met

een tiran. Want wanneer zulken ergens talrijk zijn en vele navolgers

hebben, en hun aantal opmerken, dan zijn zij het, die met de dwaasheid

des volks den tiran telen, namelijk dien hunner, die in zijn eigen

gemoed door den grootsten tiran beheerscht wordt.--Dat is ook billijk,

want die deugt daar het meest voor.--En als de burgers zich vrijwillig

onderwerpen, dan is het goed; maar, als zij zich verzetten, dan zal

hij met behulp zijner rotgezellen zijn vaderland, even als vroeger

zijne ouders, verdrukken en in slavernij houden; en dan is zijn doel

bereikt.--Ja dan is hij klaar.--En is het niet de gewone handelwijs van

zulk een mensch, voor hij het zóó ver gebragt heeft, óf met vleijers om

te gaan, die hem in alles ten dienste staan, óf, als hij iets noodig

heeft, zich te vernederen en in allerlei bogten te wringen, en den

schijn van vriendschap aan te nemen, om, als hij zijn zin heeft, zich

weer als een vreemde te gedragen?--Juist.--Dus is een tirannisch mensch

in zijn geheele leven niemands vriend, maar steeds heer of knecht van

anderen; terwijl hij van ware vrijheid en opregte vriendschap volstrekt

geen denkbeeld heeft.--Ongetwijfeld.--Dus verdient hij den naam van

valsch.--Ja.--En ten volle dien van onregtvaardig, zoo wij ten minste

in het vorige goed besproken hebben, wat de regtvaardigheid is.--Ten

volle.--Laat ons nu nog eens kort zamenvatten, hoe de allerslechtste

zal wezen. Het is dus iemand, die werkelijk zóó doet als wij zeiden

dat soms in den droom gedaan wordt.--En dat is dus hij, die volkomen

tirannisch gezind zijnde, de oppermagt in handen krijgt; en naarmate

hij die langer behoudt, wordt hij dat meer.--Dat kan niet anders, zeide

~Glauco~, die het woord weder opnam.

IV. Zal nu hij, die gebleken is de slechtste te wezen, zich ook als den

ongelukkigsten vertoonen, en wel in waarheid, (want het oordeel der

menigte komt hier niet in aanmerking) des te ongelukkiger, naarmate

hij langer en meer tiran geweest is?--Dat kan niet anders.--En zou

dan ook hierin de tirannische man aan den tirannisch beheerschten

staat, de democratische aan den democratischen enz., gelijk

zijn?--Natuurlijk.--Dus staan die mannen tot elkaar ten opzigte van

deugd en geluk in dezelfde verhouding als de staten.--Juist.--En hoe

staat nu een tirannisch beheerschte staat tot eenen onder koninklijk

gezag, zoo als wij het eerst besproken hebben?--Die zijn juist het

tegenbeeld van elkander, want de eene is allervoortreffelijkst; de

andere allerslechtst.--Wie nu die ééne en die andere is, zal ik

maar niet eens zeggen; dat is duidelijk genoeg. Maar denkt gij nu

evenzoo over hun geluk en ongeluk? Laat ons nu niet in de war raken,

door alleen op den tiran en zijne grooten te letten, maar, zoo als

het hoort, den geheelen staat van nabij bezien, om goed te kunnen

oordeelen.--Die vordering is billijk; en dan is het duidelijk voor

ieder, dat geen staat ellendiger is dan een tirannisch beheerschte, en

geen gelukkiger dan een onder koninklijk gezag.--Zou ik nu niet een

even billijke vordering doen, als ik zeide, dat wij, om ook de mannen

te beoordeelen, hunnen inwendigen toestand moeten nagaan, en niet als

kinderen door den uiterlijken glans der tiranny verblind worden, maar

daar door heen zien; en dat wij dus allen naar hem hooren moeten, die

er over kan oordeelen en zulk een tiran van nabij, in zijn huiselijk

leven in het midden der zijnen, waar hij zich het meest zonder zijn

tooneelkleed vertoont, en ook in de gevaren, die hem van den kant des

volks dreigen, gezien heeft; en als ik hem, die dat alles gezien had,

verzocht te berigten in welke verhouding ten opzigte van geluk of

ongeluk een tiran tot de anderen staat[147].--Voorzeker.--Willen wij

dan eens onderstellen, dat wij hierover kunnen oordeelen en het hebben

waargenomen; opdat het mogelijk zij een antwoord op onze vragen te

krijgen?--Dat is goed.--

V. Komaan dan, beschouw het aldus: Houd de gelijkheid van den staat

en den man in het oog, en zeg mij, ieder op zijne beurt beschouwende,

hoe hun lot is.--In welk opzigt meent gij?--Om eerst van den staat

te spreken; noemt gij een tirannisch beheerschten staat vrij of

dienstbaar?--Zoo dienstbaar mogelijk.--Maar gij ziet daarin toch heeren

en vrijen.--Ja enkelen; maar over ’t geheel is zijn beste deel in

schandelijke en ellendige slavernij.--En als nu de man op den staat

gelijkt, dan moet ook in hem dezelfde betrekking plaats hebben, en

zijne ziel vol slavernij en dienstbaarheid wezen, en deze vooral hare

beste deelen drukken, terwijl haar kleinste, slechtste en onzinnigste

deel heerschappij voert.--Dat kan niet anders.--En noemt gij zulk

eene ziel nu vrij of dienstbaar?--Natuurlijk dienstbaar[148].--Edoch

een dienstbare en tirannisch beheerschte staat doet volstrekt niet

wat hij wil.--Wel neen.--Dus doet ook eene tirannische ziel volstrekt

niet wat zij wil, als men ten minste de geheele ziel beschouwt;

maar steeds door razernij overmeesterd, is zij vol verwarring en

berouw.--Dat kan niet anders.--En is een tirannisch beheerschte staat

rijk of arm?--Arm.--Dus moet ook eene tirannische ziel arm en gebrekkig

wezen.--Juist.--En moet zulk een staat en zulk een man niet vol vrees

zijn?--Voorzeker.--En gelooft gij ergens, in eenigen staat, meer

gejammer, zuchten, geween en ellende te zullen vinden?--Nergens.--En

denkt gij, dat ditzelfde in eenig mensch meer zal wezen dan in den

tirannischen, door begeerten en wellust verdwaasden?--Onmogelijk.--En

om dit alles, en meer dergelijke dingen, hebt gij den tirannisch

beheerschten staat den allerongelukkigsten genoemd.--Dat was toch

immers goed?--Wel zeker. Maar wat zegt gij nu op diezelfde gronden

van den tirannischen man?--Dat hij verreweg de ellendigste van allen

is.--Dat zegt gij nog niet goed.--Hoe zoo?--Hij is nog niet de

allerellendigste.--Wie dan?--Dezen zult gij misschien nog ellendiger

vinden.--Wien?--Die van tirannischen aard zijnde niet ambteloos blijft,

maar ongelukkig genoeg is, om door de omstandigheden in de gelegenheid

gesteld te worden zich tot tiran te verheffen.--Naar aanleiding van

het vorige, geloof ik, dat gij de waarheid zegt.--Ja, maar dat moet

gij niet gelooven, maar heel naauwkeurig beredeneren; daar toch

goed of slecht te leven het allerbelangrijkste onderwerp van onze

beschouwing is, en wij daar op dit oogenblik mede bezig zijn.--Dat is

zoo.--Onderzoek dan eens, of ik iets zeg. Want ik vind, dat wij het

hieruit moeten afleiden.--Waaruit?--Uit die klasse van menschen, die

rijk zijn en vele slaven houden. Dezen toch regeren zoo als de tiran

over velen, hoewel over een minder aantal dan hij.--Ja.--Gelooft gij

nu, dat zij gerust zijn en niet vreezen voor hunne slaven?--Waarom

zouden zij ook vreezen?--Nergens om; maar weet gij, hoe dat komt.--Ja,

omdat de geheele staat iederen burger beschermt.--Juist.--Maar als één

man, die vijftig of meer slaven had, eens met zijne vrouw, kinderen,

bezittingen en slaven in eene onbewoonde plaats werd gebragt, waar

geen vrije hem helpen kon, zou hij dan niet vreezen, dat hij met zijne

vrouw en kinderen door die slaven zou vermoord worden?--Natuurlijk.--En

zou hij dan niet genoodzaakt zijn sommigen zijner slaven te vleien en

hun veel te beloven, en zonder reden de vrijheid te schenken, en zóó

van zijne eigene bedienden afhankelijk te worden?--Dat spreekt; anders

zou hij spoedig zijn leven kwijt raken.--En als er dan eens velen in

zijne buurt kwamen wonen, die niet dulden wilden, dat de ééne mensch

den anderen in slavernij hield, maar, zoo zij eenen slavenhouder

konden beet krijgen, dien de grootste straffen deden ondergaan?--Dan

zou hij het nog veel erger hebben, daar hij dan van alle kanten door

vijanden zou bewaakt worden.--En zit een tiran, die uit zijnen aard,

zoo als wij besproken hebben, vol is van allerlei vrees en begeerte,

nu niet in zulk eenen kerker? Is het hem alleen onder de inwoners van

zijn land niet onmogelijk, om, hoe hij er ook naar verlange, zich

op reis te begeven en iets te gaan zien van hetgeen vrije menschen

gaarne beschouwen, b. v. de Olympische spelen; daar hij zich als

eene vrouw in zijn buis moet verbergen, en de andere burgers moet

benijden, die kunnen op reis gaan en zich met vermakelijke schouwspelen

verlustigen.--Dat is volkomen waar.--

VI. Wordt dus het ongeluk van den tirannischen man, dien gij reeds voor

den ellendigsten van allen hield, niet nog door zulke onaangenaamheden

vermeerderd, als hij niet ambteloos blijft leven, maar door het

noodlot wordt gedwongen, zich tot tiran op te werpen; en, terwijl

hij zich zelven niet beheerschen kan, anderen te regeren, even

als iemand, die hoewel ziekelijk en zwak van ligchaam, niet rusten

mag, maar zijn heele leven door met anderen moet vechten?--Daar

heeft hij veel van, ~Socrates~! en gij hebt volkomen gelijk.--Dus

is dit het allerellendigste lot, ~Glauco~! en de werkelijke tiran

heeft het dan nog erger dan hij, wiens leven gij het ergste genoemd

hebt.--Voorzeker.--Dus is in waarheid, al denken sommigen er anders

over, de waarachtige tiran een slaaf in de hardste dienstbaarheid en

slavernij, en een vleier van de slechtste menschen; en zijne begeerten

worden volstrekt niet vervuld, maar hij heeft aan het meeste gebrek

en blijkt, als men zijn heele ziel beschouwt, inderdaad arm te wezen,

en zijn heele leven door vol te zijn van vrees, en driften, en smart;

zoo hij ten minste gelijkt op den staat, waarover hij regeert. En dat

doet hij toch?--Wel zeker.--En zullen wij van hem niet daarenboven nog

het vroeger besprokene zeggen, dat hij door zijn bewind hoe langer hoe

meer afgunstig, onregtvaardig, beroofd van vrienden, goddeloos en vol

van allerlei slechtheid moet worden, en dat hij daardoor vooreerst

zelf ongelukkig wezen, en ten andere zijne naasten evenzoo maken

moet?--Dat kan geen verstandig mensch tegenspreken.--Komaan, zeg gij

dan als een kunstregter van zangers, wie de eerste, tweede, enz., in

geluk is, en beoordeel naar de rij den koninklijken, timocratischen,

oligarchischen, democratischen en tirannischen man.--Dat is gemakkelijk

te beoordeelen. Want ik zet ze in trap van geluk en deugd eenvoudig in

dezelfde volgorde, waarin zij zijn binnengekomen.--Willen wij dan een

omroeper aannemen, of wil ik het uitbazuinen, dat de zoon van ~Aristo~

den besten en regtvaardigsten tot den gelukkigsten verklaart, en dat

dit de koninklijke is, die zich zelven beheerscht; maar den slechtsten

en onregtvaardigsten tot den ellendigsten, en dat dit de tirannische

is, die én zich zelven én zijnen staat tiranniseert?--Ik hecht er mijn

zegel aan.--Wil ik er dan bij zeggen: dat dit zoo zijn zal, of goden en

menschen hen kennen of niet?--Dat is goed.--

VII. Het zij zoo. Hier hebben wij dus één bewijs; als gij wilt, kunnen

wij het echter ook aldus beredeneren.--Hoe?--Daar, gelijk een staat

uit drie deelen bestaat, ook in ieders ziel drie deelen gevonden

worden[149], zal er nog een tweede bewijs mogelijk zijn.--Welk?--Dit.

Elk dezer drie heeft, geloof ik, zijn eigen vermaak en begeerte.--Hoe

zegt gij?--Het ééne deel was dat, waarmede iemand leert; het andere

dat, waarmede hij boos wordt, aan het derde konden wij om zijne

bontheid geen eigen naam geven, maar benoemden het naar hetgeen daarin

het meest en het sterkst voor den dag kwam. Want wij noemden het

begeerte, wegens de kracht der begeerten naar spijs, drank, mingenot,

enz.; en ook geldgierigheid, omdat zulke begeerten vooral met behulp

van het geld vervuld worden.--En te regt.--En zoo wij nu zeiden, dat

het voorwerp van zijn vermaak en zijne begeerte de winst is, zouden

wij dan daardoor niet het best alles tot één hoofdpunt terugbrengen;

ten einde te weten, wat wij bedoelen, wanneer wij van dit deel der

ziel spreken: en wanneer wij het geldgierig noemden, zouden wij het

dan met den regten naam noemen?--Ik vind van ja.--En zeggen wij

niet, dat de geestkracht zich geheel op het sterk zijn, overwinnen,

en roem behalen geworpen heeft?--Ja.--Zoo wij die dus twistgierig

en eerzuchtig noemden, zou dat dan goed zijn?--Best.--Verder is het

voor ieder duidelijk, dat hetgeen, waarmede wij leeren, geheel op

de kennis van de waarheid gerigt is, en zich het minst van allen

om geld en roem bekommert.--Volkomen.--Als wij dat dus leergierig

en wijsgeerig noemden, zouden wij dan goed doen?--Ja.--En nu

heerscht in de zielen het ééne of het andere van dezen, naar het

uitkomt.--Juist.--Daarom moeten wij ook zeggen, dat er oorspronkelijk

drie soorten van menschen zijn, wijsgeerige, eerzuchtige en

winzuchtige.--Ja.--En dus ook drieërlei vermaak, overeenkomstig met

deze drie soorten?--Natuurlijk.--Nu begrijpt gij zeker wel, dat: als

gij drie zulke menschen ieder op zijne beurt vroegt, wiens levenswijze

de aangenaamste is, ieder de zijne zou noemen; en dat de geldwinner

zou zeggen, dat bij het geldwinnen het vermaak van den roem of der

wetenschap niet in vergelijking komt; zoo zij ten minste geen geld

opbrengen?--Dat spreekt.--En de eerzuchtige, vindt die het vermaak van

het geldwinnen niet gemeen, en dat van het leeren, voor zoo ver de

wetenschap geen roem aanbrengt, geen rook en ijdelheid?--Juist.--Laat

ons dan ook maar stellen, dat de wijsgeer de andere vermaken, in

vergelijking van de kennis der waarheid en het aanhoudend beoefenen der

wetenschap, niet eens als waarachtig vermaak beschouwt, en zegt, dat

zij inderdaad noodzakelijk zijn, daar hij er niet naar zou omzien, zoo

hij door de noodzakelijkheid daartoe niet gedwongen werd.--Daar ben ik

het stellig meê eens.--

VIII. Aangezien nu het vermaak en de levenswijze van deze drie soorten

zamen twisten, niet wie schooner of leelijker, noch wie beter of

slechter, maar wie aangenamer en vrijer van smart is; hoe zouden wij

dan kunnen weten, wie gelijk heeft?--Daar weet ik volstrekt geen raad

op.--Beschouw het dan eens aldus: Waaraan moet men iets toetsen, om het

juist te beoordeelen? Immers aan ondervinding, kennis en redenering?

Is er wel een betere toetssteen?--Wel neen.--Denk nu eens na, wie

van die drie menschen de meeste ondervinding van al die soorten

van vermaak heeft. Heeft de geldwinner welligt meer ondervinding

van het vermaak der wetenschap dan de wijsgeer van dat van het

geldwinnen?--Wel neen, zeker niet. Want de laatste moet het vermaak van

het geldwinnen van zijne jeugd af proeven, daar hij zonder geld niet

kan leven; maar de geldwinner behoeft het vermaak van het beoefenen

der wetenschap niet te proeven noch te ondervinden; ja zelfs, als hij

het wilde, zou hij dat bezwaarlijk kunnen.--Dus heeft de wijsgeer in

ondervinding van dat tweeërlei vermaak heel wat op den geldwinner

vooruit.--Ongetwijfeld.--En hoe staat hij tot den eerzuchtigen? Heeft

hij minder ondervinding van het vermaak der eerbewijzingen, dan deze

van dat der wetenschap?--Wel neen. Want, als allen hun doel bereiken,

genieten zij allen dat eerste; want de rijke wordt door velen geëerd,

en de moedige en geleerde desgelijks, zoodat allen het vermaak der

eerbewijzingen bij ondervinding kennen; maar het vermaak van de kennis

der waarheid kan niemand proeven behalve de wijsgeer.--Deze oordeelt

dus het beste van allen, voor zoo ver de ondervinding betreft.--Dat

scheelt veel.--En kennis bij die ondervinding is alleen zijn

deel.--Juist.--En het werktuig, waarmede die beoordeeling verrigt moet

worden, is niet in het bezit van den winzuchtigen of eergierigen, maar

van den wijsgeer.--Welk werktuig?--Het moet immers door redenering

beoordeeld worden?--Ja.--En de redenering is juist het werktuig van

den laatsten.--Voorzeker.--Als het nu het best door rijkdom en winst

werd beoordeeld, dan zou immers de lof en berisping van den geldwinner

het naast bij de waarheid komen?--Dat spreekt.--En als dit door roem,

overwinning en dapperheid geschiedde, was dan de eerzuchtige en

twistgierige niet de baas?--Natuurlijk.--Maar nu het door ondervinding,

kennis en redenering beslist wordt?--Nu is de lof van den wijsgeer

noodzakelijk het digtst bij de waarheid.--Als er dus drieërlei vermaak

gesteld wordt, dan is dat van het deel der ziel, waarmede wij leeren,

het aangenaamste?--Natuurlijk; en dus verdient in het prijzen zijner

levenswijze de wijsgeer het meeste geloof.--En aan welke levenswijs

en welk vermaak geeft de regter de tweede plaats?--Natuurlijk aan die

van den krijgszuchtigen en eergierigen; want deze komt nader bij den

eersten dan de geldwinner.--Dus komt dan het vermaak van den geldwinner

het laatste.--Dat spreekt.--

IX. Zoo heeft dan de regtvaardige twee overwinningen op den

onregtvaardigen behaald, doch om hem nu, als in de Olympische spelen,

ter eere van ~Zeus~, die hem redde, de beslissende derde overwinning

te doen behalen, moet gij nog bedenken, dat het vermaak der anderen

buiten den wijzen niet eens het waarachtige noch zuivere vermaak is,

maar slechts een flaauw afbeeldsel daarvan, gelijk ik meen een wijs

man te hebben hooren zeggen: als dat eens waar was, zouden zij toch

wel geheel en al verslagen zijn.--Dat spreekt; maar hoe meent gij

dit?--Zóó denk ik het te vinden, wanneer gij door uw antwoorden mij

bij het zoeken wilt helpen.--Vraag op.--Zeg mij dan eens: stellen wij

smart en vermaak niet tegen elkander over?--Ja.--En erkennen wij ook

niet het bestaan van eenen toestand zonder vreugd of smart?--Juist.--En

beschouwt gij dien niet als eene rust der ziel, die tusschen deze

beiden invalt?--Ja.--Herinnert gij u niet, wat de zieken zeggen,

terwijl zij ziek zijn.--Wat bedoelt gij?--Dat niets aangenamer is dan

de gezondheid, maar dat zij dit vóór hunne ziekte zoo niet hadden

ingezien.--Dat heb ik dikwijls gehoord.--En hoort gij ook niet wel eens

menschen, die pijn hebben, zeggen, dat er niets aangenamer is, dan van

pijn bevrijd te wezen?--Wel zeker.--En gij weet, denk ik, nog vele

andere omstandigheden, waarin de menschen, smart hebbende, vrijheid en

rust van smart, niet het vermaak, als het aangenaamste prijzen.--Die

rust komt hun dan waarschijnlijk aangenaam en begeerlijk voor.--En

wanneer iemand uitscheidt met vermaak hebben, dan is het rusten van

dat vermaak hem smartelijk.--Natuurlijk.--Zoo zal dan de rust, die wij

zeiden, dat tusschen beiden inlag, zoowel vermaak als smart wezen.--Dat

schijnt zoo.--Maar kan nu wat geen van beiden is beiden zijn?--Ik vind

van neen.--Edoch de gewaarwording van het vermaak en die van de smart

zijn beiden eene soort van beweging in de ziel, niet waar?--Ja.--En

wat noch vermakelijk noch smartelijk is, bleek immers daareven eene

rust te zijn, die tusschen deze beiden invalt?--Juist.--Is het dan wel

goed: geen smart te hebben aangenaam, geen vermaak te hebben smartelijk

te noemen?--Wel neen.--Dus is de rust niet aangenaam noch smartelijk,

maar schijnt zoo in vergelijking van het aangename en smartelijke;

en deze gewaarwordingen doen ons het echte vermaak niet kennen, maar

zijn eigenlijk zinsbegoocheling.--Dat volgt.--Let dan eens op het

vermaak, dat niet uit smart wordt geboren; opdat gij niet telkens weer

meenen moogt, dat in ons tegenwoordig leven vermaak eigenlijk het

ophouden van smart, en smart het ophouden van vermaak is.--Wat meent

gij?--Er zijn genoeg soorten van, maar gij moet vooral eens letten op

het vermaak van den reuk. Dit toch wordt op eens zeer groot, hoewel

er geen smart voorafging; en als het ophoudt laat het geen smart

achter.--Dat is volkomen waar.--Dus moeten wij niet gelooven, dat

zuiver vermaak gelijk staat met afwezigheid van smart, en smart met die

van vermaak.--Neen.--De meeste zoogenaamde vermaken echter, die door

middel des ligchaams de ziel bewegen, zijn eigenlijk niets anders dan

het ophouden van smarten.--Dal is zoo.--En staat het niet evenzoo met

het vóórproeven van vermaak en smart, dat verwacht wordt?--Ja.--

X. Weet gij waar ik dus die aandoeningen meê vergelijk?--Nog niet.--Gij

kent het onderscheid tusschen boven, midden en beneden.--Wel

zeker.--Gelooft gij dan niet, dat, als iemand zich van beneden naar

het midden beweegt, hij meenen zal naar boven te gaan; en dat, als hij

in het midden gekomen is, en neerziet naar het punt, waarvan hij is

uitgegaan, hij meenen zal boven te wezen, indien hij ten minste het

waarachtige boven niet kent?--Ongetwijfeld.--Maar als hij nu weder naar

beneden ging, dan zou hij meenen naar beneden te gaan, en hij zou goed

oordeelen.--Dat spreekt.--En dat alles zou daardoor veroorzaakt worden,

dat hij het waarachtige boven, midden en beneden niet kende.--Dat is

duidelijk.--Kunt gij u dan verwonderen, dat menschen, die de waarheid

niet kennen, zoowel over vele andere dingen verkeerde begrippen

hebben, als ook over vermaak en smart en wat daar tusschen ligt zóó

denken, dat zij, wanneer zij naar het smartelijke gaan, goed oordeelen

en zich met regt bedroeven, maar, wanneer zij van de smart naar het

middelste komen, zich verbeelden volop vermaak te genieten, en als

iemand, die uit onbekendheid met het wit grijs tegenover zwart stelde,

uit onbekendheid met het vermaak verlossing van smart verkeerdelijk

tegenover smart stellen?--Wel neen, dat is geen wonder, maar veel meer,

zoo het anders was.--Bedenk nu nog eens dit: zijn honger, dorst, enz.,

niet eene soort van gebrek in het ligchaam?--Ja.--En zijn onkunde en

onverstand niet eene soort van gebrek in de ziel?--Voorzeker.--En

worden niet die twee soorten van gebrek door voedsel en door kennis

vervuld?--Ja.--En waarmeê wordt een gebrek meer in waarheid vervuld,

met hetgeen meer, of met hetgeen minder bestaat?--Met hetgeen meer

bestaat.--En wat van beiden heeft meer deel aan het waarachtige zijn:

spijs, drank, toespijs, enz.; of ware meening, verstandskennis,

redekennis, en wat meer tot de deugd gerekend wordt[150]? Beoordeel

dit eens aldus: Wat vindt gij, dat meer in waarheid bestaat: hetgeen

zich aan het onveranderlijke, onsterfelijke en ware aansluit en zelf

zoodanig is, en in het zoodanige gevonden wordt; of hetgeen aan het

veranderlijke en sterfelijke zich aansluit en zelf zoodanig is, en in

het zoodanige wordt gevonden?--Ongetwijfeld het eerste.--En is het

onveranderlijke nu niet even verwant met de wetenschap als met het

zijn?--Ja.--En ook met de waarheid?--Ook daarmede.--En wat minder met

de waarheid verwant is, is immers ook minder verwant met het zijn?--Dat

spreekt.--Is nu niet al wat tot de pleging des ligchaams behoort minder

verwant met de waarheid en het zijn, dan al wat betrekking op de ziel

heeft?--Ongetwijfeld.--En doet hierin ook het ligchaam zelf niet onder

voor de ziel?--Zeker.--En wat nu met hetgeen meer waarlijk bestaat

vervuld wordt en zelf meer waarlijk is, wordt dat niet in waarheid meer

vervuld, dan hetgeen, dat met het minder waarlijk bestaande vervuld

wordt, en zelf minder waarlijk is?--Natuurlijk.--Zoo het dus aangenaam

is met hetgeen aan onze natuur verwant is ons gebrek te vervullen, dan

moet hetgeen meer in waarheid met het meer wezenlijk bestaande wordt

aangevuld, meer waarachtig vermaak veroorzaken dan hetgeen aan het

minder wezenlijk bestaande deelachtig wordt, en minder in waarheid

wordt aangevuld, en dus ook een onzekerder en minder waarachtig

vermaak bekomt.--Dat kan niet anders.--Die dus van verstand en deugd

verstoken steeds met feesten, smulpartijen, enz., bezig zijn, bewegen

zich, naar het schijnt, van beneden naar het midden en terug, en gaan

dáár hun leven door op neer; maar hebben nooit hierover heen het ware

boven gezien en nog veel minder bereikt, noch zich in waarheid met het

wezenlijk bestaande vervuld, noch het bestendige en zuivere vermaak

geproefd; maar als vee voortdurend naar beneden ziende, en zich naar

de aarde en naar de tafels bukkende, brengen zij hunnen tijd door met

eten, drinken, hun geslacht voortplanten, enz.; en om meer daarvan te

hebben, schoppen, stooten en vermoorden zij elkander met ijzeren horens

en hoeven; daar zij nooit verzadigd worden, omdat zij zich niet met

hetgeen wezenlijk bestaat vervullen en het deel van hun wezen, dat zij

aanvullen, het verkregene niet kan behouden.--Hierop zeide ~Glauco~:

~Socrates!~ gij beschrijft daar juist naar waarheid het leven der

meeste menschen.--Zijn dan ook hunne vermaken niet noodzakelijk met

smart vermengd, en slechts beelden en schaduwen van het ware vermaak,

die hunne kleur aan de naastelkanderstelling ontleenen, en daardoor

heel wat vertoonen, en hevige begeerte bij de dwazen opwekken, en

strijd veroorzaken; zoo als ~Stesichorus~ zegt, dat de strijd bij Troje

om een beeld van ~Helena~ gevoerd is, daar men de ware niet kende?--Dat

kan niet anders.--

XI. En heeft nu hetzelfde niet plaats ten opzigte van de geestkracht,

wanneer iemand uit eerzucht, twistgierigheid of knorrigheid met nijd,

geweld en drift, zonder verstand of rede te gebruiken, zich door eer,

overwinning of wraak zoekt te bevredigen?--Voorzeker.--Willen wij

ons dan maar verstouten te zeggen, dat zelfs de begeerten, die bij

de winzucht en de twistgierigheid behooren, wanneer zij zich bij

het najagen van het vermaak door kennis en redenering laten leiden,

en slechts dat nemen, wat de rede haar aanwijst, het meest, voor zoo

ver dit mogelijk is, waarachtig vermaak bekomen zullen, daar zij dan

de waarheid volgen; en dat zij dan ook het natuurlijkste vermaak

zullen krijgen, nademaal voor ieder het beste tevens het natuurlijkste

is?--Dat stem ik toe.--Als zich dus de geheele ziel door de rede

laat leiden; en geen harer deelen in opstand is, dan volbrengt zij

niet slechts in het overige hare taak en is regtvaardig; maar dan

geniet ook ieder harer deelen het beste, en, zoo veel mogelijk, het

meest waarachtig vermaak.--Ongetwijfeld.--En als een der andere

deelen de baas wordt, dan moet dat deel niet slechts zijn eigen

vermaak missen, maar ook de andere deelen vreemd en niet waarachtig

vermaak doen najagen.--Juist.--En wat het verst van de wijsbegeerte

en de rede verwijderd is doet zulks het meest.--Dat spreekt.--En

is dit niet hetzelfde, als dat wat het verst van wet en orde

verwijderd is?--Natuurlijk.--En dat zijn de wellustige en tirannische

begeerten.--Juist.--En de koninklijke en ordelijke begeerten zijn

er het minst van verwijderd.--Ja.--Dus is de tiran het verst van

het waarachtig en natuurlijk vermaak verwijderd, en de koning het

minst.--Dat spreekt.--En dus zal de tiran het onaangenaamste, de koning

het aangenaamste leven hebben.--Dat kan niet anders.--En terwijl nu

de goede en regtvaardige den slechten en onregtvaardigen zoo zeer in

vermaak overtreft, zal hij hem in betamelijkheid en schoonheid van

leven, en in deugd nog heel wat meer overtreffen.--Daar is geen twijfel

aan.--

XII. Goed. Nu wij echter zoo ver zijn gekomen, moeten wij het

vroeger gezegde, waardoor wij hierheen gebragt zijn, weer opnemen.

Er was gezegd, dat de onregtvaardigheid nuttig is voor den volmaakt

onregtvaardigen, die den schijn der regtvaardigheid weet aan te

nemen[151]; niet waar?--Ja.--Dit nu moeten wij weer opnemen, nadat wij

het zijn eens geworden, welke de kracht der regtvaardigheid en die

der onregtvaardigheid is.--Hoe meent gij?--Laat ons nu al sprekend

een afbeeldsel van de ziel vormen, opdat hij, die dat beweerde, eens

hoore, wat hij eigenlijk beweerde.--Hoedanig een afbeeldsel?--Een

van denzelfden aard als de monsters in de fabelen, de ~Chimaera~,

~Scylla~, ~Cerberus~, enz., die uit vreemdsoortige wezens waren

zamengesteld.--O zoo!--Vorm dan vooreerst de gedaante van een bont en

veelkoppig beest, van rondom bezet met de koppen van tamme en wilde

dieren en met het vermogen begaafd, om die te veranderen en nieuwe

te voorschijn te brengen.--Dat is een heele kunst, doch daar woorden

gemakkelijker dan was of klei zijn te vormen, willen wij het maar

doen.--Vorm nu nog de gedaante van een leeuw, en die van een mensch,

maar laat de eerste verreweg de grootste zijn, de tweede daarop in

grootte volgen.--Dat is gemakkelijker; ik heb het al klaar.--Vereenig

nu deze drie gedaanten met elkander, zoodat zij als ’t ware tot één

geheel zamengroeijen.--Het is geschied.--Omgeef dat alles nu met de

gedaante van een mensch, zoodat voor iemand, die het binnenste niet

zien kan, maar alleen het buitenste omkleedsel waarneemt, niets dan een

mensch zigtbaar is.--Best.--Laat ons nu hem, die beweert, dat het voor

dezen mensch nuttig is onregt te doen, en dat regtvaardig te handelen

voor hem niet nuttig is, onder het oog brengen, dat hij eigenlijk

beweert, dat het hem nuttig is door rijkelijk voedsel dat veelkoppige

beest benevens den leeuw te versterken, maar den inwendigen mensch

door gebrek uit te putten, zoodat hij de twee anderen wel volgen

moet; en die twee anderen niet aan elkaar te gewennen of genegen te

maken, maar ze elkander te laten bijten, bevechten en opeten.--Dat

is het juist, wat de lofredenaar der onregtvaardigheid beweert.--En

zegt de lofredenaar der regtvaardigheid niet, dat men met woorden en

daden den inwendigen mensch moet versterken, en hem als een landman

voor dat veelkoppige beest laten zorgen, door daarin het tamme te

kweeken en te verplegen, maar den groei van het wilde te beletten; en

dat men hem den leeuw tot medehelper moet geven, om alles te zamen

te verzorgen en eensgezind te maken?--Juist; dat zegt de lofredenaar

der regtvaardigheid.--Dus spreekt dan in alle opzigten de lofredenaar

der regtvaardigheid de waarheid, en die der onregtvaardigheid is een

leugenaar. Want ten aanzien van het vermaak, van den roem, en van het

nut, zegt hij, die de regtvaardigheid prijst, wat waar is; doch hij

die haar berispt, spreekt onzin en berispt, wat hij in het minste niet

kent.--Dat vind ik ook.--Laat ons hem dan zachtjes ompraten, want hij

dwaalt niet met opzet, zeggende: beste vriend! moeten wij niet zeggen,

dat het goede en slechte daarom door de wet onderscheiden wordt,

dewijl het goede de dierlijke deelen der natuur aan het menschelijke

of liever aan het goddelijke onderwerpt, maar het slechte juist het

omgekeerde doet? zal hij dat toestemmen, of niet?--Zeker wel, als hij

naar mij hooren wil.--Is het dan volgens deze redenering voor iemand

nuttig op eene onregtmatige wijs goud te verkrijgen, terwijl daardoor

tevens zijn beste deel aan het slechtste wordt onderworpen? of als

hij voor dat goud zijn zoon of dochter in slavernij bragt bij woeste

en slechte menschen, zou hem dat wel nut doen, en zou hij het op die

voorwaarde wel willen hebben; en als hij dan daardoor zijn goddelijkste

deel aan het goddeloosste en slechtste zonder deernis onderwerpt, is

hij dan niet rampzalig, en ontvangt hij het dan niet op nog veel

verschrikkelijker voorwaarde dan ~Eriphyle~, die voor een halsketen

haren man[152] in het verderf stortte.--Ongetwijfeld, zeide ~Glauco~,

want ik zal maar voor hem antwoorden.--

XIII. En wordt de ongebondenheid ook niet juist daarom afgekeurd,

dewijl zij dat verschrikkelijke, groote, veelkoppige beest sterker

maakt dan goed is?--Natuurlijk.--En wordt er niet over trotschheid

en kwaadaardigheid geklaagd, wanneer de leeuwen- en slangennatuur

bovenmate vermeerderd en versterkt is?--Voorzeker.--En over

weelde en verwijfdheid, wanneer men dezelve verslapt en lafhartig

maakt?--Dat spreekt.--En klaagt men niet over vleierij en laagheid,

wanneer iemand de geestkracht aan dat veelkoppige beest onderwerpt,

en haar door deszelfs onverzadelijkheid laat verschoppen; en van

jongs af zijn best doet, om haar van een leeuw in een aap te

veranderen?--Ongetwijfeld.--En waarom worden verscheidene beroepen

als vernederend beschouwd? Is het niet, omdat zij het beste deel der

ziel zwak maken; zoodat dit de andere niet kan regeren, maar ze dient

en alleen voor hunne drogredenen ooren heeft?--Dat schijnt zoo.--En

zeggen wij niet, dat zulke menschen, om onder hetzelfde bestuur als

de beste te staan, aan dien besten, die door het goddelijke in zijn

binnenste bestuurd wordt, dienstbaar moeten zijn; niet tot nadeel van

den dienstbaren, gelijk ~Thrasymachus~ meende[153], maar omdat het voor

ieder beter is bestuurd te worden door het goddelijke en redelijke,

liefst door dat in hem zelven, maar bij gebrek daarvan door een

ander van buiten, opdat door die eenheid van bestuur onder allen zoo

veel gelijkheid en broederschap besta als mogelijk is?--Juist.--En

iets dergelijks wordt ook duidelijker door de wet bedoeld, daar zij

alle burgers van den staat beschermt; en ook door de opvoeding der

kinderen, daar wij ze niet vrij laten, voordat wij in hun binnenste als

in eenen staat eene staatsregeling tot stand gebragt hebben, en door

onze rede de hunne ontwikkeld en die tot hunnen bewaker en opziener

gemaakt hebben; waarna wij ze vrij laten.--Dat is duidelijk.--Zullen

wij het dan nog in eenig opzigt voordeelig noemen onregtvaardig of

ongebonden te zijn, of iets schandelijks te doen, waardoor men slechter

wordt, maar meer rijkdom of ander vermogen bekomt?--Wel neen.--Of

zullen wij zeggen, dat het nuttig is, als men kwaad doet, verborgen te

blijven en niet gestraft te worden? Of wordt niet hij, die verborgen

blijft, nog slechter; terwijl bij hem, die ontdekt en gestraft wordt,

het dierlijke deel wordt getemd en bedwongen, maar het redelijke

vrij gemaakt; zoodat zijn geheele ziel zich ten goede keerende en

ingetogenheid, regtvaardigheid en wijsheid verwervende zoo veel meer

in waarde wint dan een ligchaam, dat sterkte, schoonheid en gezondheid

bekomt, als de ziel meer waarde heeft dan het ligchaam[154]?--Het

laatste stem ik volkomen toe.--En zal nu de verstandige niet steeds

met al zijne kracht daarnaar streven, en vooreerst die wetenschappen

eeren, die zijne ziel zóó kunnen maken, maar de andere gering

achten?--Dat spreekt.--Verder zal hij bij de verpleging en voeding

zijns ligchaams zich dat dierlijke, redelooze vermaak niet ten doel

stellen; maar veel meer niet eens op zijne gezondheid zien en niet

vooral zijn best doen, om sterk, gezond en schoon te wezen, zoo dit

de ingetogenheid niet bevordert; doch steeds zal het blijken, dat

hij de harmonie zijns ligchaams aan de bevordering van die der ziel

dienstbaar maakt.--Voorzeker, zoo hij althans een waarachtig dienaar

der muzen is.--En evenzoo zal hij met het geld handelen, en dit niet

door den lof der menigte van zijn stuk gebragt onder aanhoudende

kwelling aanhoudend trachten te vermeerderen.--Dat vind ik ook.--Maar

ziende naar zijne inwendige staatsregeling, zal hij zijn best doen om

daar binnen niets door overdaad of gebrek van zijn plaats te brengen,

en dit zoo veel mogelijk bij zijne inkomsten en uitgaven in het oog

houden.--Ongetwijfeld.--En ook eereposten zal hij uit hetzelfde oogpunt

beschouwen, en er dus gaarne in deelen, voor zoo ver hij gelooft,

dat ze hem beter zullen maken; maar alle eer, die zijne stemming

kan bederven, zal hij in zijne bijzondere en openbare betrekkingen

ontwijken.--Maar als hij daarvoor bezorgd is, zal hij zich dan wel

met de staatszaken bemoeijen?--In eene staatsregeling volgens zijne

beginselen zeker wel, doch mischien in zijn vaderland niet dan in

bijzonder gunstige omstandigheden.--Ik begrijp u, zeide hij. Gij zegt

in de staatsregeling, die wij juist besproken hebben, die in woorden

bestaat, doch denkelijk wel nergens op aarde.--In den hemel[155] is

echter misschien haar voorbeeld zigtbaar voor hem, die het zien en zich

er naar vormen wil. Of zij evenwel bestaat of niet, doet er niets toe;

want in alle gevallen zal de wijze alleen in haar zich met staatszaken

bemoeijen, anders nergens.--Dat laat zich denken.--

De republiek van Plato · 第 54 / 65 题