I. Ook moeten zij geen akelige voorstellingen van de onderwereld
hooren, om niet voor den dood bevreesd te worden.
II. Verder moeten klagten over dooden hun niet voorgezongen worden,
vooral niet van goden.
III. Ook uitbundig gelach en liegen moet niet geduld worden; en verzen,
waarin ingetogenheid wordt aangeprezen, zijn goed te keuren, andere af
te keuren.
IV. Ook alle gedichten, die verhalen, hoe goden of helden door
hartstogten meêgesleept worden, zijn verwerpelijk.
V. Om het kwade voorbeeld en omdat het onwaar is, mag geen kwaad van
goden of halve goden verteld worden.