TWEEDE BOEK.

I. ~Glauco~ oppert het bezwaar, dat gewoonlijk de regtvaardigheid

beschouwd wordt als nut aanbrengend, maar op zich zelve lastig.

II. Hij wil dus weten, wat de regtvaardigheid zelve is, zonder op

bijkomende omstandigheden te letten. Daarom zal hij de regtvaardigheid

bestrijden en ~Socrates~ haar verdedigen. Vooreerst zegt hij, dat de

regtvaarheid niets is dan eene uit zwakheid aangegane overeenkomst, om

elkander geen kwaad te doen.

III. Verder vindt ieder de onregtvaardigheid eigenlijk beter dan

de regtvaardigheid, want niemand zou regtvaardig blijven, als hij

ongestraft onregtvaardig kon wezen.

IV. Om ze nu goed te kunnen beoordeelen, moet de regtvaardige zoowel

als de onregtvaardige als volmaakt beschouwd worden, en dus ook de

eerste onregtvaardig, de tweede regtvaardig schijnen.

V. Waarvan het gevolg zal zijn, dat de regtvaardige vervolgd, en de

onregtvaardige vereerd wordt.

VI. ~Adimantus~ voegt hier nog bij, dat allen, die de regtvaardigheid

prijzen, dit slechts om de gevolgen doen.

VII. Ja, dat voorspoedige onregtvaardigen algemeen geëerd worden, en

zelfs, volgens het algemeene gevoelen, door plegtigheden en offers de

goden kunnen omkoopen.

De republiek van Plato · 第 14 / 65 题