AANTEEKENINGEN

[1] Mr. J. van Lennep, de IJzeren spoorweg van Amsterdam op

Haarlem, lierzang, den Aanleggeren en Begunstigers daarvan

toegezongen. Amsterdam 1837.

[2] Wij weten, dat Bilderdijk zeer ongunstig over de gevolgen van het

droogmaken van het Meer dacht (zie Geschiedenis des Vaderlands, I Dl.,

Blz. 25). Haar hij dacht even ongunstig over de vroegere bedijkingen

in ons Land en noemde onze vooronders vernuftige landbedervers, van

welke blaam de Heer Mr. S. de Wind hen in een stukje, geplaatst in

den Zeeuwschen Volks-Almanak voor dit jaar, Blz. 93-101, getracht

heeft te zuiveren.

[3] Tegenwoord. staat der Nederl., Deel VI, (Holland) Blz. 164 en

volg. De Baron van Lijnden, verhandel. over de Haarlemmer-Meer,

Blz. 38-40, en G. Nieuwenhuis, Algemeen Woordenboek, op het woord

Haarlemmer Meer.

[4] Volgens het plan van 1742, zou men rondom het Meer eenen dijk

hebben moeten leggen, ter lengte van 13830 roeden. Men berekende, dat

men alsdan 19000 morgen droogen grond, en hieronder 8000 morgen aan

landerijen zou bekomen en bovendien nog eenen verkleinden waterboezem

van 9000 morgen behouden, om daarin het overtollig polder- en ander

water van Rhijnland te lozen. Voorts zou men rondom den dijk eene

ringvaart doen loopen voor de schepen, die van Sparendam naar de

Oude Wetering varen. Men stelde, dat tot het uitmalen 112 zware

achtkante steenen molens benoodigd zouden zijn, en de kosten der

geheele onderneming 6,631,000 galden zouden bedragen.

[5] Verhandeling van den Baron van Lijnden, bl. 5 en 6.

[6] In de Vaderl. Letteroef. voor Dec. 1837, No. 15, is geplaatst

eene lezenswaardige bijdrage over J. A. Leeghwater, door den geleerden

Mr. S. de Wind, even als de onze getrokken uit 's mans werken. Ook in

het Aanhangsel op het Algemeen Woordenboek van G. Nieuwenhuis vindt

men een goed gesteld artikel over Leeghwater, en in den Avondbode

van 10 Jan. 1838, No. 53, wordt hij mede in het mengelwerk vermeld.

[7] Kl. Kron. bl. 11, No. 14.

[8] Kl. Kron. bl. 6, No. 5 en bl. 10, No. 5. Zij had, zoo als hij

No. 7 zegt, gezien zes van hare eigen kinderen, 47 kinds-kinderen,

63 over-kinds-kinderen en nog 26, die aan deze getrouwd waren,

makende te zaamen 142, behalve nog andere 26, die gestorven waren.

[9] Hij schreef zich ook wel Leeg-water en Leech-water. De Redacteur

van den Konst- en Letterbode, No. 18 van het jaar 1807, bl. 276,

wil den naam afleiden van Laagwater: »Ongetwijfeld," zegt hij, »is

die naam ontleend, hetzij van zijne kunst, om onder of beneden het

water zich eenigen tijd op te houden, en aldaar eene verscheidenheid

van werkzaamheden te verrigten, of van een' der voornaamste takken

van zijn beroep en velerlei handwerk: het woord leeg of leegh,

overeenkomstig de uitspraak bij de Noord-Hollanders, zelfs op vele

plaatsen tot heden, die de dubbele a, in verscheiden woorden, als

eene dubbele e uitspreken, en wel volgens oud gebruik met bijvoeging

van de h, leegh geschreven wordende."

[10] Kleine Kronijk, bl. 10, No. 9.

[11] Bl. 12, No. 23.

[12] Ald. bl. 14, No. 32.

[13] Haarl. Meerboek, No. 41; kl. kr. bl. 27 en volg. No. 1-16.

[14] Zie Haarl. Meerb. No. 41, kl. kron. bl. 40, No. 50 en vergelijk

Leven van Frederik Hendrik. (II Deelen in 8vo. van het jaar 1737). Iste

Deel, bl. 259, 269 en volg.

[15] Haarl. Meerb. No. 42.

[16] t. a. pl.

[17] t. a. pl. No. 43.

[18] Deze kunst schijnt echter geene nieuwe uitvinding te zijn geweest,

maar reeds bij de ouden bekend, zoo als men zien kan bij Witsen,

Aeloude en Hedendaagsche Scheepsbouw, bl. 287, gelijk de Heer Baron

Collot d'Escury, in het VIde Deel van Hollands roem, bl. 74, in de

noot opmerkt.

[19] Deze Pieter Pietersz. was den 20 Januarij 1574, en dus een jaar

vóór Leeghwater, te Alkmaar geboren en bekleedde verscheidene jaren

het Leeraarambt bij de Doopsgezinden, eerst in de Rijp en naderhand

te Oost-Zaandam, en stierf in 1651. Men vindt zijne afbeelding in

het IIde Deel der Nederduitsche Vertaling van de Geschiedenis der

Mennoniten van Hermannus Schijn, door Gerardus Maatschoen, alwaar

men ook (bl. 588-596) een verslag van de door hem uitgegevene werken

aantreft. Vóór 's mans Opera Omnia (tweemalen, in 1650 en 1666, in

4to. uitgegeven) is een kort levensberigt van hem geplaatst. Vergelijk

ook Konst- en Letterbode, t. a. pl. bl. 277.

[20] Aldaar bl. 41 en volg. Niet, zoo als de Heer Baron Collot

d'Escury, t. a. pl. bl. 73 zegt, achter het Haarlemmermeerboek. Zie

mede over dit waterduiken van Leeghwater: Meerman op De Groot,

Parall. Rerumpubl. Deel II, Hoofdst. 20, bl. 441 en volg., en Bijdrage

van den Heer De Wind, in het bovenvermeld No. der Letteroef.

[21] No. 18, bl. 278 en volg.

[22] Denkelijk te nyeuwte, gelijk hier onder.

[23] Dit cachet of zegel, hetwelk van rood was is geweest, is door

verloop van tijd en veelvuldige behandeling bijna geheel afgesleten

en verbrokkeld.

[24] Konst- en Letterbode t. a. pl. bl. 280.

[25] Zie boven bl. 18, No. 5 en bl. 22, No. 9.

[26] Niet onaardig zijn de aanmerkingen, welke hij bij sommige dier

plaatsen maakt: men kan er veelal den onderzoeker uit ontdekken. Zoo

zegt hij b.v. bij Keulen: »Eene treffelijke Stad, daar heb ik de

toren gemeten, die is 78 voet dik in het vierkant, hetwelk de dikste

toren is, dien ik gezien heb. Behalve dien, heb ik mede de torens van

Utrecht, Mechelen en Antwerpen wel gemeten, die zijn 68 voet dik, en de

nieuwe toren, die nu te Amsterdam aan de Nieuwe Kerk gemaakt wordt, is

64 voet dik." Bij Goddorp »'t Hof van Holstein, aldaer ik in de Hofkerk

het schoonste Muzijk gehoord heb, daar ik mijn leven bij geweest hen,

aldaar ik mede verscheiden malen met den Hertog van Holstein gesproken

heb, dewelke een zeer bequaam Man is van zeden en manieren."

[27] Verhand. bl. 42.

[28] Eene, Haarlem 1669 in 8o., in de opgave van Beschrijvingen der

gewesten, steden en plaatsen in het Koningrijk der Nederlanden, door

Mr. J. T. Bodel Nyenhuis, geplaatst in den Vriend des Vaderlands,

IV Deel, No. 4; en eene, Haarlem 1706, in 12mo. in het Naamreg. van

R. Arrenberg, bl. 243.

[29] Zie ook Avondbode van 16 Januarij 1838.

[30] Deze drukken van 1654, 1714 en 1727 worden ook vermeld door mijnen

vriend Bodel Nyenhuis in de 2de lijst zijner voornoemde opgave, Vriend

des Vaderlands, D. V., No. 3. Zij zijn alle in 4to. en te Amsterdam

uitgegeven. Ik zag ook een' druk van 1669, uitgegeven te Saerdam,

geplaatst achter den 7den druk van het Haarlemmer-Meerboek. Het is

niet onwaarschijnlijk, dat deze kronijk, na den jare 1654, telkens

gelijk met het Meer-boek is herdrukt.

[31] Amsterdam bij Dominicus van der Stichel, 35 bl. in 4o.

[32] De Heer Van Lijnden verh. bl. 43; en het aanhangsel op het

woordenboek van Nieuwenhuis zeggen, dat het werkje in 1640 voor het

eerst uitkwam; doch dit is eene vergissing. De Schrijver van het

artikel in den Avondbode noemt het jaar 1643; doch verkeerdelijk. De

Heer De Wind vermoedde te regt, dat die eerste uitgave vóór het

laatstgenoemde jaar heeft plaats gehad.

[33] Amst. bij V. d. Stichel, 42 bl. in 4o. Zie ook Colevelt's

bedenkingen.

[34] Deze wordt ook vermeld in den Catal. der boeken van Jacob Koning,

II Deel, bl. 214, No. 569. Hij was de laatste, die door Leeghwater

zelven werd nagezien, en naar welken al de volgende uitgaven zijn

gedrukt.

[35] Bij Willem Willemsz. te Saerdam, 48 bl., in 4o.

[36] Te Amsterdam, bij P. Visser, J. v. Heekeren en J. Graal, mede

48 bl. in 4o. Bodel Nyenhuis zegt, in zijne 2e lijst, te Haarlem.

[37] Amsterdam bij Visser. Zie Catal. der boeken, van J. Koning,

IIe Deel, bl. 214, No. 570 en 571.

[38] Amst. bij P. Visscher. Zie Naamregister van Joh. van Abkoude,

I Deel, bl. 209.

[39] Van deze maakt de Heer Van Lijnden (verh. bl. 43) gewag. Zij

komt ook voor in de Biblioth. Meerman. T. III, p. 180, No. 771.

[40] Amst. bij T. Beek; zie naamregister van R. Arrenberg,

bl. 243. Deze druk is waarschijnlijk dezelfde als die, welke door

Van Abkoude, in het 2e aanhangsel op zijn register, bl. 92, wordt

gezegd van 1750 te zijn; bij dezen of genen bestaat waarschijnlijk

eene drukfout. Nog kwam ons dezer dagen in handen een exemplaar,

op welks titel het jaartal 1764 wordt vermeld; doch daar mede op

dien titel staat twaalfde druk, houd ik die uitgave voor dezelfde

als die van 1749 of 1750, alleen met eenen nieuwen titel, hetgeen in

die dagen niet ongebruikelijk was, indien het kopij-regt van eigenaar

veranderde. De Heer Baron du Tour zegt in zijne verhandeling over het

Haarlemmermeer, bl. 40, dat de Boekhandelaar Joh. Schouten, te Alkmaar,

in 1819, eigenaar van het handschrift van Leeghwater was. Ik heb er

te vergeefs onderzoek naar laten doen.

[41] Zie ook den boven aangehaalden Avondbode.

[42] Men verwondere zich niet, indien men bij mij veel aantreft,

hetgeen ook de Heer De Wind in zijne meergen. Bijdrage heeft. Wij

hebben beide uit dezelfde bron moeten putten.

[43] In den Konst- en Letterbode, t. a .pl. bl. 277, worden behalve

van deze Pieter en Trijntje Leeghwater, nog melding gemaakt van hunne

broeders Sijmen en Cornelis. Beide laatsten zijn echter overleden,

gelijk ook de aldaar vermelde Wed. van Jan Cornelisz. Leeghwater in

1810 gestorven is.

[44] Men vindt eene afbeelding en beschrijving van dezen penning bij

Van Loon, Beschrijv. der Nederl. Histor. penningen, II Deel, bl. 193,

No. 1. Ook in den Konst- en Letterbode van 1807 wordt hij in de noot

bl. 277 beschreven.

[45] Deze afbeelding heb ik mede doen plaatsen in de mengelingen van

No. 5 van het Maandschrift de Gids voor dit jaar.

[46] Claes Arentsz. Coleveldt. Hij was publiek Landmeter.

[47] Te Leiden bij J. A. van Abcoude, in 4to.

[48] Te Leiden, bij Daniel Goetval, 40 bl. in 4to. met eene kaart.

[49] Deze C. Velsen was ook schrijver van een werkje tegen Van den

Burggraaf, in 8o. Leiden 1744; en van eene rivierkundige verhandeling,

afgeleid uyt water-wigt- en waterbeweegkundige grondbeginselen, en

toepasselijk gemaakt op de Rivieren: den Rhijn, de Maas, de Waal, de

Merwede en de Lek, waarin de aloude en tegenwoordige toestand dier

Rievieren overwogen, de gevaren die men uit derzelver verandering

te dugten heeft, aangewezen en middelen ter verbetering van dezelve,

en tot voorkoming van overstroomingen voorgesteld worden; opgeheldert

door naauwkeurige kaarten en platen, in gr. 8o., Amst. 1749 en 2de

druk merkelijk vermeerderd, Harlingen 1768.

[50] Men vindt in de Tegenwoordige Staat t. a. pl. eene zeer

naauwkeurige kaart van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, met aanwijzing

der plaats gehad hebbende vergrootingen, van een plan van bedijking,

enz.

[51] Verh. bl. 44.

[52] Over het Haarlemmer-Meer en zijne vergrootingen kan men

wijders lezen bij S. van Leeuwen, Batav. Illustr., Ie Deel bl. 104,

en volg. bij L. Smids, Schatkamer der Nederl. Oudheid, op het woord

Meren, enz. De laatste maakt melding van een provisioneel concept der

bedijkingen van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, in 1641 uitgegeven;

waarschijnlijk bedoelt hij hiermede het werk van Veeris of van

Leeghwater.

[53] Er bestaat nog een zeer zeldzaam gedicht, tot opschrift voerende:

De Haarlemmer-meer door D. Slob, gedrukt 1763 in 4o. Deze Slob

was Schout van Aalsmeer en Kudelstaart, zoo als hij in dit gedicht

zegt; de verzen zijn armzalig en geene vermelding waardig; doch uit

den inhoud en vooral uit de aanteekeningen leert men de vrees der

bewoners dier streken kennen, om eenmaal door het Meer geheel te

worden verzwolgen. Ik zag door de gedienstigheid van mijnen vriend

Bodel Nyenhuis het 1ste stukje van dit zeldzaam voorkomend gedicht,

doch weet niet of er een 2de van is.

[54] In het V en VI No. van den Recensent der Recensenten voor het

jaar 1819, (bl. 190-208 en bl. 247-258), vindt men eenige uittreksels

uit echte stukken van kundige mannen, rakende het Haarlemmer-meer,

alle getrokken uit de Nederl. Jaarboeken van 1767, 1772, 1773 en 1774.

[55] In de Documens Historiques de la Hollande van den voormaligen

Koning van Holland, wordt ook over dit plan gesproken. In het III Deel,

bl. 312 van de Hollandsche vertaling leest men: »Het droogmaken van het

Haarlemmer meer omtrent 60,000 morgen: een zeer groot ontwerp, doch

niet onuitvoerlijk en van een onbegrijpelijk nut. De plannen daartoe

waren gemaakt en onderzocht door het Committé Central, hetwelk door

den Koning was opgerigt." Voor 60,000 diende men hier 30.000 te lezen.

[56] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef,

88 bl., in 8o.

[57] Bij W. C. Wansleven 1820, VI en 208 bl. in 8o., met eene

afteekening van de bij het ontwerp voorgestelde molens, paalwerken,

den ringdijk enz.

[58] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef,

XII en 324 bl., in 8o.

[59] Leiden bij J. W. van Leeuwen, 71 bl., in 8o.

[60] Te Leiden bij D. du Mortier en Zoon, 1821, 123 bl., in 8o.

[61] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef,

1821, 123 bl., in 8o.

[62] Te leiden bij D. du Mortier en Zoon 1821, 250 bl., in 8o. met

bijlagen en een plaatje.

[63] Te 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef,

188 bl., in 8o. met tabellen en tafels.

[64] Chez L. F. de Greéf-Laduron; 47 pages, en 8e. avec une carte.

[65] Te Amsterdam bij C. G. Sulpke, 1838, 118 bl., in gr. 8o.

[66] Onder het afdrukken dezes zijn in den Avondbode twee Artikelen

over dit onderwerp geplaatst, en wel in die van 14 en 18 Mei 1838,

No. 154 en 158.

[67] Ned. Staats-Courant, van 10 Aug. 1837, No. 187.

[68] Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52. De Koninklijke

Boodschap en het daarbij gevoegd Ontwerp luiden:

Edel Mogende Heeren!

»Bij het openen van de tegenwoordige zitting, is Ons voornemen

te kennen gegeven om de medewerking der Staten-Generaal in te

roepen, tot het nemen van maatregelen ten aanzien van wenschelijke

verbeteringen in onzen waterstaat en in onze wegen en vaarten, en

van eene meer bespoedigde gemeenschap met den Rhijn, door den aanleg

eener ijzerbaan."

»Tot verwezenlijking van dat voornemen strekt het ontwerp van wet,

hetwelk, vergezeld van eene Memorie van Toelichting, bij deze, door

Ons aan UEdel Mogenden wordt aangeboden.

»En hiermede bevelen Wij UEdel Mogenden in Godes heilige bescherming."

's Gravenhage, 26sten Februarij 1838.

(get..) WILLEM.

ONTWERP VAN WET, omtrent de uitgifte van Losrenten op een gedeelte

der schuld ten laste der Overzeesche Bezittingen, tot het doen van

voorschotten voor openbare Werken.

Wij Willem, enz.

»Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het aanleggen van een'

ijzeren spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een'

zijtak van Rotterdam naar Utrecht, bevorderlijk moet zijn, zoowel

voor de binnenlandsche gemeenschap, als voor het vertier naar buiten

's lands, gelijk ook dat het belang van den Staat vordert, om eerlang

tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer over te gaan,

en dat voorts tot de uitvoering en verbetering van andere ondernemingen

van openbaar nut maatregelen behooren genomen te worden."

»Dat tot al deze werken, welke aan den handel, de nijverheid en den

landbouw aanzienlijke voordeelen beloven, voorschotten gevorderd

worden van een kapitaal, waarvan de voldoening der renten en ook

later de teruggave van de hoofdsom uit de opbrengst van die werken

kunnen worden verwacht."

»Dat het nog onuitgegeven gedeelte ten bedrage van dertig millioenen

gulden van het kapitaal, daargesteld bij Art. 4 der wet van 24

April 1836, (Staatsblad No. 11), tot het doen van de voorschreven

voorschotten kan worden beschikbaar gesteld, doch tevens dienstbaar

moet blijven ter achtereenvolgende voldoening van de schuld, waartoe

hetzelve bij de gedachte wet is bestemd;"

»Dat tot de uitgifte van dat kapitaal nadere wettelijke bepalingen

worden vereischt en dat de tegenwoordige stand van de rente het

noodzakelijk maakt, om, ter verkrijging van de vereischte fondsen,

gelijke maatregelen te nemen, als zijn vastgesteld bij de Wet van 11

Maart 1837, (Staatsblad No. 9);"

»Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg

van de Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij

goedvinden en verstaan bij deze:

»Art. 1. Het hier bovengemelde kapitaal van dertig millioenen gulden,

zijnde het nog onuitgegeven gedeelte der schuld, ten laste van de

Overzeesche Bezittingen, vermeld bij Art. 4 der Wet van 24 April

1836 (Staatsblad No. 11), wordt bestemd en aangewezen tot voorloopige

voorschotten ter goedmaking der kosten, vereischt tot het aanleggen van

een' ijzeren Spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een'

zijtak van Rotterdam naar Utrecht; tot het bedijken en droogmaken van

het Haarlemmer Meer, en tot het aanleggen en verbeteren van andere

werken van openbaar nut."

»Art. 2. Op het voormelde kapitaal, tegen vier ten honderd opleverende

eene jaarlijksche rente van een millioen twee honderd duizend gulden,

zal successivelijk kunnen worden afgegeven een kapitaal van vier

en twintig millioen gulden losrenten, rentende vijf ten honderd,

waarvan de renten onvoorwaardelijk door het Rijk worden gewaarborgd;

zullende deze losrenten achtervolgens worden afgelost en vernietigd,

naar mate de uitgifte van de aandeelen in de schuld, ten laste van

de Overzeesche Bezittingen, rentende vier ten honderd, wanneer die

uitgifte tegen den cours van vier en negentig ten honderd of hooger

zal kunnen plaats hebben."

»Art. 3. Het meergemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, met de

renten van dien, tot een millioen twee honderd duizend gulden, zal,

zoo spoedig mogelijk, uit de inkomsten en baten van de voorschreven

werken aan het Amortisatie-Syndikaat vergoed en tot het doel, waartoe

hetzelve oorspronkelijk is daargesteld, teruggebragt worden; behoudende

Wij Ons voor, om bij vroegere behoefte van het Amortisatie-Syndikaat,

in de vergoeding van het meergedacht kapitaal met de renten, of van

het dan nog onvoldaan gebleven gedeelte daarvan, te voorzien door

al zoodanige geldelijke maatregelen, als verder tot dat einde en ter

daarstelling, voltooijing of uitbreiding van de meer gemelde werken,

onder verband der baten en inkomsten van dezelve, bij de wet zullen

worden bepaald."

»Lasten en bevelen, enz."

[69] Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52.

[70] Ned. Staats-Courant van 26 Maart 1838, No. 73.

[71] Ned. Staats-Courant van 28 Maart 1838, No. 75.

[72] Avondbode van 13 Maart 1838, No. 101 en A. Handelsbl. No. 1983.

[73] Avondbode, 27 Maart 1838, No. 113. A. Handelsbl. No. 1995.

[74] Ned. Staats-Courant van 2 April 1838, No. 79. A. H. B. No. 2000.

[75] Te weten de Heeren: Jr. E. P. de la Court, Mr. J. B. H. van

den Mortel, Mr. P. A. van Meeuwen, J. D. Baron van Tuyll

van Serooskerken van Heeze en Leende, Mr. R. P. Romme, wegens

Noord-Braband.--Jr. W. L. F. C. van Rappard, E. W. van Dam van Isselt,

Mr. J. Weerts, Mr. H. J. Dyckmeester, J. G. A. Baron van Nagell

tot Ampsen, Baron Schimmelpenninck van der Oye van de Pol, wegens

Gelderland.--Jr. Mr. A. Warin, Jr. H. Backer, Mr. J. H. van Reenen,

Jr. G. Beelaerts van Blokland, Jr. G. Clifford, Jr. M. W. de Jonge,

Mr. J. op den Hooff, Mr. W. J. Junius van Hemert, Jr. Mr. J. C. R. van

Hoorn van Burgh, F. C. W. Druyvensteyn, Mr. F. Frets, H. Baron Collot

d'Escury van Heynenoord, Jr. Mr. D. Hooft, Jsz., Jr. O. Repelaer van

Molenaarsgraaf, Mr. G. Verwey Mejan, Mr. L. C. Lusac, Mr. T. C. de

Bordes, Jr. D. F. van Alphen, W. Baron Roëll van Hazerswoude,

Mr. W. B. Donker Curtius van Tienhoven, Mr. J. Corver Hooft,

wegens Holland.--J. Snouck Hurgronje, Mr. J. G. Hinlopen,

wegens Zeeland.--J. van den Velden, W. R. Baron van Tuyll van

Serooskerken van Coelhorst, wegens Utrecht.--Mr. J. Cats Epz.,

W. P. D. Baron van Sytzama, C. Binkes, S. van Welderen Baron

Rengers, Mr. T. S. Tromp, wegens Vriesland.--Mr. W. H. Vijfhuis,

Mr. F. Lemker, Mr. A. Sandberg en Mr. R. S. van der Gronden, wegens

Overijssel.--Jr. O. van Swinderen van Rensuma, Mr. C. Star Busman

en Mr. W. J. Quintus, wegens Groningen.--Van dezen was de Baron van

Sytzama Voorzitter.--Er waren in het geheel 7 Leden afwezig, zijnde de

Heeren Mr. J. L. A. Luyben, Mr. A. J. Ingenhousz, van Noord-Braband;

J. J. H. van Wickevoort Crommelin, van Holland; Mr. P. J. Boddaert,

van Zeeland; Jr. Mr. H. M. A. J. van Asch van Wijck, van Utrecht;

Mr. J. Gockinga, van Groningen en Mr. G. Kniphorst van Drenthe.

[76] Het eerste blad van dit ons geschrijf was reeds afgedrukt,

toen de meeste der volgende redevoeringen in de Staats-Couranten het

licht zagen.

[77] Ned. Staats-Courant van 4 April No. 81.

[78] Ned. Staats-Courant van 7 April No. 84.

[79] Ned. Staats-Courant van 5 April 1838, No. 82.

[80] Ned. Staats-Cour. van 9 April, No. 85.

[81] Ned. Staats-Cour. 11 April 1838, No. 87.

[82] Ned. Staats-Cour. 12 April 1838, No. 88.

[83] Ned. Staats-Courant van 10 April 1838, No. 86.

[84] Ned. Staats-Courant van 14 April 1838, No. 90.

[85] Het vroon van; de visscherije genaamd het vroon van;

de vroonvisscherije van de Graaflijkheid: vroonmeester van de

Graaflijkheid,--zijn allen namen in oude plakkaten bekend en

betrekkelijk tot de visscherij. Gr. Plak. Bk. IIde deel, pag. 2927

en VIIde deel, pag. 875.

[86] Ned. Staats-Cour. van 17 April 1838, No. 91.

[87] Ned. Staats-Courant van 18 April 1838, No. 92.

[88] Ned. Staats-Courant van 19 April 1838, No. 93.

[89] Ned. Staats-Courant van 3 April 1838, No. 80.

[90] Ned. Staats-Courant van 20 April 1838, No. 94.

[91] Ned. Staats-Courant van 21 April 1838, No. 95.

[92] Ned. Staats-courant van 6 April 1838, No. 83.

[93] Onder het afdrukken dezer bladen zijn in den Avondbode (van 2 en

7 Junij No. 170 en 174) aanteekeningen geplaatst op de redevoeringen

in de zitting der Staten-Generaal, van 2 April 1838, met betrekking

tot de droogmaking van het Haarlemmermeer. Deze aantekeningen dragen

de blijken van door eenen in het vak van den Waterstaat kundige en

ervarene te zijn geschreven. Zij zijn hoogst lezenswaardig en zullen

(vergis ik mij niet) de ongunstige indrukken, die de bedenkingen van

het geacht Lid der Kamer, den Heer Luzac, mogten hebben doen ontstaan,

bij den lezer merkelijk verminderen.--

Na het afdrukken van bladz. 16, is mij in handen gekomen een

derde druk van de opera omnia van Pieter Pietersz. van den jare

1698, (Amst. in 4o.) In de Korte beschrijving van het leven diens

Doopsgezinden leeraars, vóór die opera geplaatst, vindt men geene

vermelding van zijne kunst van onder water te duiken. Alléén op gezag

van den Redacteur van den Konst- en Letterbode, van den jare 1807,

bl. 277, heb ik hem als denzelfden Pieter Pietersz., die in het

Octrooi van 1605, (hierboven bl. 23) wordt vermeld, opgegeven. In

gezegd Weekblad, van den jare 1819, vindt men het een en ander uit

het werk van Leeghwater medegedeeld.

Het Haarlemmer-Meer-Boek · 第 11 / 11 题