Droge vrouwtje met haar vinnig spitsneusje zat naar adem te happen
in den hoogen leunstoel.
In de keuken zong de meid, larmoyant, opzettelijk schel, een sarrend,
drensend geluid.
Droge vrouwtje luisterde met de magere vingers tegen elkander.
"Mina."
Geen antwoord. De meid galmde met harde inzettingen:
..."Soete,...lieve...swartkop...voel...is... hoe... me... hart...
klop"...
"Mina... a... a!"
"Ja, ik kom!"
Nog wat gerommel van vaatwerk.
"Ik wou da-je ophiel met je gezang."
"O mag d'r hier ook niet gesonge worre!"
"Meissie--als dat zoo doorgaat hou je 't hier niet lang uit... Ik
wil geen vrijers an me deur en geen gezang."
"Best juffrouw."
De deur ging dicht.
In de voorkamer bleef droge vrouwtje met het vinnig spitsneusje. Droge
vrouwtje was dik in de vijftig, klein, mager, verdord. Ze was altijd
zoo, klein, mager, met datzelfde ouwelijk gezichtje, met datzelfde
onaangenaam spits neusje. Ze was jong geweest én oud geworden. 't
Leven had haar droog, dor gelaten, omdat ze gevegeteerd had binnen
de zes wanden van een kist, die als een lichaam bewustloos blijft,
den bijzonderen naam van doodkist krijgt, maar vóór dien tijd kamer
heet. De kamer van droge vrouwtje, was de cocon waarin ze veilig bij
kopjes thee en kommetjes koffie te spinnen lag, terwijl in de wereld
buiten zooveel ijselijke dingen gebeurden, volgens het "Nieuws"
dat de krant der verschrikkingen en wereldgebeurtenissen is voor
droge vrouwtjes met spitsneuzen. Voor vrouwtje was jeugd gelijk aan
ouderdom. Haar vader had een fatsoenlijk pensioentje nagelaten. Het
is heel gelukkig, wanneer er zoo'n vader is. Z'n kinderen kunnen dan
gerust inslapen in binnenkamertjes. Vrouwtje had vader opgepast tot
hij kalm en gelukkig aan drie beroertes stierf.
Ze wachtte nu ook op wat beroertes om heen te gaan.
Sappigheid van jeugd had ze niet gekend. Ze was ééns gezoend op
een partijtje, waar veel slemp gedronken en veel bolletjes gegeten
waren. Ze was ééns gezoend door een bleeken neef met sproeten in
'n hoekie van de gang en ze had zich den mond afgeveegd, omdat
sproetenneef zoo naar tabak en groc rook. Anders was er nooit iets
gebeurd. Want ze was droog, mager, dor, een geposeerd oud wijfje,
dat verdriet had, wanneer er iemand vuile voeten op de loopers zette,
dat den halven dag met een verharenden kater op den schoot zat, dat
's middags een glaasje morellen met brandewijn dronk en 's avonds
onder het bed keek of er geen "man" lag. Ze droeg d'r haar naar links
en rechts gepommadeerd en liep bij prachtig weer op zomerschoenen.
Tweemaal in de week was zij liefdadig, gaf kouwe aardappelen, centen
en overgeschoten brood aan arme menschen. Zondags ging ze naar de
kerk met 't bijbeltje van vader. Ze was zoo heel gelukkig in haar
kamer van zes wanden en dutte 's avonds in bij de hoofdartikelen
van haar geliefd blad. Maar er was verandering gekomen. Dien, oude
meid, die ze wel 20 jaar gehouden had, had rhumatiek gekregen en was
ingekocht op een hofje. Voor Dien in de plaats was een jonge, gezonde,
frissche meid gekomen.
In de keuken was die bezig aan het wasschen van vaatwerk. Mina was
een afgeronde, vleezige meid, opgeschoten, stevig. Ze was negentien,
in de volle fleur van vrouwelijke gezondheid. 't Gezicht was mollig,
malsch, met rooie koonen, blauwe oogen, witte tanden. Ze stond te
wasschen met opgenomen mouwen, toonend de blanke, vette armen, armen
waarin schaduwtjes schuilei speelden in pittige kuiltjes. Ze was een
robuste, jonge meid, geflatteerd door 't paarse jakje, geflatteerd
door de witte muts, jonge meid, jong van leven, begeeren, verlangen,
jong in haar bewegingen, jong in haar geluid. Als ze het hooge
bordesje boende, wipten de voeten in zwarte pantoffels van onder de
rokken. Als de slagersjongen kwam of de bakker of de kruidenier,
giegelde ze, had ze pret, stond praatjes te maken, lachte met een
smakelijk vertoon van witte tanden. Ze was van het zinnelijke, warme
leven, niet denkend, niet suffend, jòng. Op straat liep ze coquet,
lachte. Als ze de ramen zeemde, dee ze ijdel, lachte.
Jonger, levenslustiger ding was er niet in de heele straat. Ook was
ze geëngageerd. Geëngageerd met een korporaal. Geëngageerd in eer en
deugd. Om acht uur 's avonds liep hij op en neer voor de deur--stiekem.
"Juffrouw, mag ik effen bij moeder anloopen?"
"Al wéér uit?"
"Al weer! al weer! Vraag ik dan zoo dikkels?"
"Gister ben je uit geweest... Eergister... Voor-eergister... Dat gaat
zoo niet... Je mag niet!"
"Moeder is niet lekker, juffrouw... Ze heit zulke steken in d'r zij."
"'k Geloof d'r niks van"...
"Zel ik nou om me moeder liegen?"
"'t Is de laatste maal, hoor! Hoe lang blijf je weg?"
"'t Is nou acht uur... Om negen uur ben ik thuis."
"Niet later?"
"Nee geen oogenblik juffrouw!"
Oude droge vrouwtje hoorde de buitendeur dichtslaan. Door het
spionnetje keek ze de meid na in de lange donkere straat. Bij een
lantaarnpaal zag ze haar loopen, frisch in de paarse properheid van
haar japonnetje. Ze zag ook den korporaal, die met botte stappen
naast het meisje ging.
Vrouwtje werd spichtig van kwaadheid. Toen ging ze wat dutten. In
de kleine kamer brandde een spiritusvlam achter de porseleinen
plaatjes van het komfoortje. De thee stond behaaglijke prutteltjes te
puffen. Vrouwtje lag met de beenige voetjes op een stoof. Het mondje
stond scheef-open. Zij snurkte. Er was in de stille kamer alleen het
geluid van de klok en van den scheeven mond. Na een half uur werd ze
wakker, stak de lamp an, nam haar krant op en begon de advertenties
te lezen. Ze slobberde haar thee uit den snorrekop van vader, zaliger
nagedachtenis. De klok tikte.
Ze was maar zoo-zoo bij haar avondlectuur. Om de minuut keken haar
klein-grijze oogen over den rand van het Nieuws naar de klok. Vijf
minuten voor negen. Nou zou ze wel komen. Ze las verder, kribbig,
in de rake stemming om met de meid te kijven. Ze zou haar den dienst
opzeggen... zoo'n schandaal... met zoo'n gemeene soldaat... Wat
was die Dien 'n fatsoenlijke meid geweest... En had zij ooit... had
zij ooit... Nou las ze van "burgerhuisjes" die te huur of te koop
waren--van dashondjes en smousjes, die tegen rembours verzonden
werden--van servetten, tafellakens, nachtjaponnen, luiers, die voor
spotprijzen geannonceerd stonden--van een verpleegster, die in een
krankzinnigengesticht gevraagd werd--van een baboe, van paarden,
van droge minnen..., maar ze had d'r gedachten niet rustigjes bij de
advertenties. Voor het eerst sedert jaren "genoot" ze niet. Kwart
over negen, halftien... Vrouwtje dee onrustig. De klok tikte. De
thee pruttelde. Zij zat voor het raam, turend door het spionnetje,
telkens het raam afvegend, het raam, dat parelmoer beslagen werd door
het ademhalen.
In de straat was het doodsch. Op een dakgoot kermden katten. Dolly,
de zwarte, verharende kater keek zelfs niet op. Bij het geluid van
de tikkende klok, de pruttelende thee, was nu weer het gesnurk van
vrouwtje gekomen. Ze ging altijd om tien uur naar bed. Ze had slaap.
Toen het twaalf sloeg, schrikte ze op. Twaalf? Had ze de meid laten
bellen? Wás 't al zoo laat? Het lichtje onder de thee was uitgegaan. De
lamp had gestoomd. Zwarte, vieze draadjes dreven in de benauwde
lucht. Ze dee het raam open, stak het hoofd naar buiten. De straat
lag altijd lang, zwart, rustig. Het was een zachte herfstavond. Gele
blaren ritselden over den grond. Sterren stonden an den hemel.
Had ze Mina laten bellen? Had ze... Boven op haar slaapkamer kraakte
iets. Groote God! Was er iemand, was d'r een man!... Ze luisterde
met een angstgehamer in haar keel, dat ze niet ademhalen kon. Boven
lag veertig gulden in specie achter het stapeltje sokken in haar
linnenkast... Als er een man was. Zij dee kordaat de kamerdeur op slot,
luisterde nog eens, maar 't was stil. Waar die meid nou bleef! Waar
die meid nou zat! Ze was toch 'n vrouw alleen... Ze zou nooit naar
boven durven gaan door de donkere gang, de trap op, weer een donkere
gang en dan de donkere kamer... Waar de meid nou bleef! Ze lag met
het bovenlijf uit het raam, kijkend en kijkend in de straat, soms met
een zenuwachtigen angst plotseling in de kamer zoekend of er iemand
achter haar was. Ze praatte hardop met den kater. Als er een man was,
zou-ie denken, dat ze iemand bij zich had.
Half een sloeg de klok. De lamp begon uit te gaan. Ze draaide haar op,
maar er was geen olie meer in en de olie stond in de keuken. In het
halfdonker der kamer gloeide het roode kransje, dat opflikkerde als
ze zenuwachtig aan het rondseltje plukte. Nog wat stuiptrekkingen en
het werd donker.
Vrouwtje huilde.
Tingelingeling.
Beneden stond de meid.
"Ben jij daar Mina?"
"Ja juffrouw!"
Uit het raam werd de huissleutel geworpen. De meid maakte de buitendeur
open, veegde de voeten op de mat. In de keuken stak zij haar lamp
an, keek in den spiegel. Ze had een hoofd, vuurrood, verhit van het
loopen... Wat zou de ouwe binne zegge! Nou!
"Mina!"
"Ja juffrouw."
"Kom eens hier met de olie."
"Ja juffrouw... Gut is uw lamp uitgegaan?"
In het donker vulde zij de lamp. Het glas rinkelde. De lucifer
vlamde. De lamp scheen, scheen vol op het jonge rooie, verlegen gezicht
van de meid. Zou de juffrouw dan niks zeggen? Was ze nou ziek of gek?
Ouwe, droge vrouwtje zat in haar stoel, stil, wit.