Zondag. De Amstel ligt weken dicht.
Het is koud.
Baanvegers schreeuwen, tentebazen galmen.
"Leg eres an! Leg eres an!"
Het is vinnig koud.
Veel volk is gestroomd bij de ronddraaiende slee. Den zwaren boom duwen
de mannen, de slee vliegt met krassend gebrom in het rond. Honderden
kijken toe hoe het gaat.
Het is gruwelijk koud.
Met d'r voeten op een stoof zit de vrouw van het tentje. Rood-paars
is haar gezicht. Een zwarte, oude doek is om het hoofd geslagen. Bij
elke ris rijders schokt haar mond open, schreeuwt ze krakend:
--"Leg eres an!... Leg eres an!"
Witte spiralen van damp zijn om haar hoofd.
--"Wat koste de pollekabrokke, seg?"...
"Twee omme cent"...
Twee vuile vingers leggen een cent neer.
Twee vuile vingers grijpen twee kleverige brokken.
Twee vuile vingers stoppen een brok in een grooten tabaksmond.
De vrouw schurkt ineen van de kou, giet een kom vol, drinkt,
vertroetelend den kop in de beenige, paarse handen. Een gore baanveger
met stoppelbaard komt in de tent:
"Mie, geef mij d'r 's 'n spatje"...
"Wat seg-ie van soon kou"...
"'k Voel me oore niet meer"...
De roodpaarse vrouw grijpt onder haar stoel, onder het zwartduister
van d'r rokken, kijkt voorzichtig-snel rond, neemt een glaasje van
de tafel en schenkt den man met den stoppelbaard in. Met een vlugge
wippert zet-ie het achter de kiezen, smakt met de tong, slaat met de
armen heen en weer tegen de borst.
De wind steekt op, stuift het stof van de baan. Bij het Badhuis,
vroolijk omlijnd, is een zwarte woelige drukte. Binnen en buiten het
café, met aangebonden schaatsen, zitten juffrouwen en heeren, dames met
coquette hoeden, heeren met pelsmutsen en souspieds. De Jan's draven
heen en weer met cognac en bitter, likeurtjes en advocaat. Ze zijn
warm, lekker-warm-ingepakt, warm van de beweging, de dames en heeren.
Het begint te duisteren.
De brug bij de Sarphatistraat steunt statig op de kolommen, die lijken
te rusten op de ijs-stevigheid van 't water.
De lucht is betrokken, zwaar van sneeuw, grauw, triestig.
De velden van ijs zijn bedekt met zwarte, snel-voortlijnende
figuurtjes, donkere kabouters ijlend en vluchtend tusschen de randen
van sneeuw. De tenten verschaduwen stil haar rieten, geel-doffe
wanden. Vlaggen, rood-wit-en-blauw, rimpelen zacht, bits klapklepperend
in den wind.
Over het heele water gaat het stemmengejoel van drukke, bewegende
menschen. Het is als een straat, een plein in feestdos bij
avondschemering.
Nu komt harder aanrukken de wind, gierend met stootjes en stuivend
wilder de witte bevroren stof.
"Een doossie lucifers... een cent maar... God zal je zegenen!..."
Op de Hoogesluis, aangehurkt tegen de leuning der brug, zit een
man op den harden, wreeden, geweldigen grond. Het eene been is
afgestompt bij de heup, het andere gezond, stevig, ligt rechtuit op
het trottoir. Het beenstompje is ingenaaid in pilow-broek. Vier dingen
rusten op den grond, het beenstompje, het gezonde been en twee lange
harde krukken. De eene kruk ligt dwars, dient voor zitplaats. De rug
kromt aan tegen de ijzeren spijlen der leuning. Het hoofd is ruw met
uitpuilende jukbeenderen, met grijze, fletse oogen. Om het middel
gebonden een tasch met doosjes lucifers.
Hier, op de Sluis, kun je goed zien de ronddraaiende slee, hooren de
rinklende bel. Hier ook zie je prachtig den Amstel met de bruggen
rechts, aan de overzij. Hier zie je het ijsveld, wit en donzig,
de duizend menschfiguren, aansnellend, wègvluchtend. Hier zie je
de trams, rommelend over de brug, die schor dreunt en bromt als de
roestige wielen knarsig rondwentlen in de ijzeren voegen, en langs
de steenen balustrade staan kijkers, die wijzen als een kraan in het
rijden figuren op 't ijs maakt.
In het deftig Amstelhôtel worden de lichten ontstoken. D'electrische
lichtjes glunderen sterk aan de kronen. Kellners, als heeren in gala,
loopen beweeglijk om de lange, groote tafel, die bloemstukken draagt
en verborgen is onder witte, spierwitte kleeden. Ze dragen stapels
servetten, de kellners, en ord'nen de tafel. Beneden de eetzaal,
brandt licht ook. Het is alles te zien zoo. Hier rijen groote houten,
blankgeschuurde tafels, dragende glimmende koperen pannen. Een kok,
met een buik van beteeknis, ordent pasteitjes, een ander klutst met
een lepel.
Het wordt donkerder. Scherp lijnen de zware omtrekken van 't
Amstelhôtel in de sneeuw-zatte, triestige lucht. Hoog in 't gebouw zijn
de vensters verlicht, gele vierkanten in 't donker der muren, lijkend
als lichtende oogen van 't slapend gebouw. De muren staan zwijgend
en zwart, plomp overbuigend de lanen van sneeuw er om heen. Stevig en
koud is het gebouw, log en solide als de ijzeren brug over het water,
sterk en groot als de pijlers, die dragen het zware gevaarte.
"God zal je zegenen!"
De man op den grond met het stompje van been bibbert. Hij lijkt
vastgevroren aan den grond, aan den grond van onbarmhartigheid, aan den
grond, die 's zomers verblakert in warmte van de zon, aan den grond,
die het groen draagt, de bloemen en zaden, aan den grond van sneeuw
en ijs, aan den grond van ellende, wanhoop en ruwheid. Hij zit stil
tegen de leuning der brug met het gezonde been en het beenstompje en
de krukken, stil op den bruuten, killen, massalen grond. Hij klappert
de tanden en herhaalt monotoon tot de menschen, die hebben gereden
en warm zijn... "God zal je zegenen."
Nu hebben ook de tramwagens lichtjes, rood, groen en geel. Nijdige
stipjes van rood, groen en geel. De lantaarns op de brug beginnen te
branden. Een man houdt er een lat bij. Plof! 't Vlammetje vlamt in het
huisje van glas. In de tentjes op 't ijs is een roodrig geschemer. De
huizen aan de overzij lichten vierkantend. Het Amstelhôtel staat statig
en groot met heele vlakken van licht. Maar nòg is er daglicht. De
lucht is dichter genaderd tot de daken der huizen. De lucht is vet,
goorwit, afhangend, als een volgevreten buik. Dicht bij de daken
lekken strepen van rood, diffuseerend zachtviolet, doezelend saam
heel-even tot een purperen kwijning.
Altijd nog rijden menschen beneden op 't water, schuivend voorbij,
zwartend in op elkander. Lange slangen slieren egaal door de
volte. Krakend en snerpend raspen de schaatsen over het ijs.
De man bij de brug, de man met de krukken en 't stompje van been,
trekt zich langzaam op aan de ijzeren spijlen. Eerst de kruk links,
dan de kruk rechts. Hij strompelt voorzichtig, sleepend het levende
been mee over den gladden bevroren grond. Stilletjes gaat hij zoo
voort, pas voor pas, een, twee,--een, twee, verzettend de krukken,
langs de verlichte ramen, langs de rijders, die dragen hun schaatsen,
slaat links om en strompelt over de brug van Sarphati, waar de trams
knoersig rijden met roode, gele en groene lichten.
Nu raakt hij verloren in de drukte, in de volte der menschen.
Op de plek, waar hij gezeten heeft, lijkt een adem van warmte te zijn
gegaan, een warme menschen-adem tegen een koude ruit.