MEISSIE.

Grijsgrauw de lucht, triestig, kil.

Een fijne, koude motregen.

Stil lag 't kamp, onzegbaar droevig, onzegbaar ellendig.

Naast elkander de wagens, de lange roode, gele, blauwe kermiswagens;

logge, vuile gevaarten verzinkend in slik.

Naast elkander het gore wit der daken.

Rookwalmpjes kronkelden uit kachelpijpstompjes. De nattige wind

speelde er mee. Donkergrijs pluksel, blauwig; dikke kolommen, dàn

weer verwasemend tot mist, dan vettig-wit.

Voor de wagens 'n pad, zwart, glibberig, smerig; 'n pad van modder

met bloemkoolstronken, biezen en slijkige plassen; 'n pad doorloopen,

doortrapt.

Links 'n schuur, vermolmd, groenig bemost, 'n planken-kadaver,

'n morsige ruïne.

Ook links 't veld, onbebouwd, stoppelig, grijs, dampig, toonloos,

in de verte wegsmeltend in 't fletse der wolken.

Ook links stammen van boomen, geknot, met kale, spookachtige

grijptakken, bladerloos, dood.

Rechts, stapels van steenen, bakken met kalk, rommel en balken van

huizen in aanbouw.

Achter, 'n sloot drabbig, goor water, stinkend, met spattende bellen.

Heel achter: huizen, wit nog van nieuwheid. Metselwerk rood, slijmrig

beslagen. Balkonnetjes lief met kleurtjes rose en paars en ramen met

gedoe van fatsoenlijke, knusjesdoende burgermenschen.

"Dáár woon 'k," zei de schilder, lachend bekijkend de meid, en wees

met z'n hand naar de huizen.

"Nee," stotterde ze.

Langzaam schetste hij door in den kermiswagen.

Hij kwam er drie dagen. De oude doove moeder poseerde, voor vijftig

centen per keer.

De dochter keek toe dan.

"Als je nou kómt van avond.... ben ik thuis...."

"'k Kom niet...."

"Jezus, wat ben je toch stom!.... Wat heb je hier nou?...."

"'k Durf niet...."

"Ha! Ha! Ha!.... affijn, je mot 't zelf weten.... 'k vin-je 'n knappe

meid.... 'n mooie meid.... Je verdient hier geen cent.... Kom nou

poseeren van avond, wil-je?...."

"Nee.... Nee!...."

"'k Zal je geen kwaad doen...."

"'k Kom niet...."

"Goed dan.... uitgepraat!...."

Uit z'n humeur werkte hij door.

Zwijgend 't hoofd in de handen, zat zij in 'n hoek, kijkend van

't hoofd der slapende moeder naar 't penseel.

Ze zag alleen maar zijn handen, blank, met den diamanten ring en zijn

breeden rug.

Toen-ie heenging, hield-ie haar hand vast.

"Kom nou van avond..."

"Nee..."

En hij probeerde d'r even te zoenen.

De deur van den wagen viel dicht. Achter bleef ze met de doove moeder,

die sliep.

Achter bleef ze in 't schemerdonker, soezend voor zich heen.

Nat werden d'r oogen, wazig.

Ze wist niet waarom.

Ze had 't niet kunnen zeggen.

D'r kwam 'n malle, vreemde weemoed, 'n huilerig gevoel van meelij

over d'r.

Donkerder werd 't. Moeder bleef slapen.

De vormen van meubels en kermisgerei, vreemder, vager.

Alleen nog zichtbaar de roode sprei van 't pronkbed, de glimming van

het koper op de kast; onzekere, donkere schaduwen.

Flauw viel 'n schijn door de twee kleine ramen op zij.

Eindelijk was ze opgestaan.

Nog droomend en suffend ging ze naar buiten, leunde tegen den wand

van den wagen.

Kinderen, vuil, in ellendige plunje speelden in 't slijk. Een

schreeuwend lawaai van verwilderde rakkers. Ze rolden op en over

elkander, onder 'n wagen, gillend en gierend, trappend en krijschend,

als 'n rattennest verdierlijkt.

Daarnaast zaten twee schooiers stoelen te matten, gebogen 't hoofd,

om beter te zien in 't half-schemerdonker. De handen bewogen snel

en de biezen gleden geel-streeperig over 't hout. Beestmenschen,

hongerlijders, verschoppelingen.

Weer verder 'n oud wijf, gezakt met 't lichaam, in lompen, op den

rand van 'n mand. Walgelijk dat wijf met 't bruine gezicht vol groeven

van vuil. Beenig de handen en vingers, als van 'n skelet.

Toen ze de meid zag, begon ze te grijnzen.

..."Is-ie weg, zeg, jouw mooie meneer."

"Dat zie je..."

"Fijn spul, nou! nou!... 'k hè-ze in mijn tijd ook zoo

gekend.... Heit-ie je uitgeportretteerd, zeg?"

"Nee... moeder..."

"Geloof 'k geen bliksem van... Ken dat van vroeger... Most je toch

schamen, zoo, overdag... Jij bent 'n brutale..."

"Laat me met rust!..."

"Affijn gelijk hè-je... gelijk hè-je..."

Strompelend, krakend-kuchend, ging de voddenraapster naar binnen.

De twee stoelenmatters werkten door, kletsend en spuwend.

De kinderen stoeiden, gillend van pret in de modder.

Alleen in èèn tent was 'n zeurig, blerrend gehuil van 'n zuigeling.

't Kamp lag in 't donker. De vormen der wagens leken sombere

silhouetten, met klein verlichte ramen.

Zacht motregende 't.

Over 't moddrige pad kwam een kerel, groot, ruw. Over z'n schouders

bengelden zakken; 'n hoekig vierkant.

"Bè-jij daar?"

"Ja..."

"Wat sta je te slape?..."

"Ik wacht je..."

"Hè-je wat verdiend?... Nou?..."

"Niks..."

De man vloekte razend. Eerst wou-die d'r slaan. Toen scheen-ie te

denken. Kwaadaardig smeet-ie de zakken neer:

..."Lui beest!... motte wij voor jou zorge?... Madam!... Luie

madam!... Ik loop me poote kapot... Jij vreet alleen... Da's uit

nou!... 'k Heb an moeder genog... Stik voor mijn part!... Lamme

beroerling!"

Ziedend van drift, smeet-ie de deur achter zich dicht.

Stil bleef de meid.

Suf keek ze op naar de lucht. Grauw, bijna zwart, 'n dreigende

diepte. 'n Peilloos, wanhopig zwart.

In de huizen was licht gekomen.

Gele, stralende vakken in den nacht.

'n Beweging van donkere schimmen.

Ze zag ook dàt venster met roode gordijnen, leuk-rood, vriendelijk,

gezellig.

Wezenloos keken haar oogen naar den rozigen schijn. Ze dacht an de

handen, blank, met den ring, den diamanten ring.

En ze richtte zich op, gaande mechanisch en dof.

In den laatsten wagen was licht. Daar zat de snijder van houten

vogels. Bij 'n walmende lamp kookte die hout. Z'n deur stond open.

"Ga je nog uit, Ko?..."

"'k Ga wèg..."

"Weg?..."

"Vort... 'k heb d'r genog van..."

"Bè-je nou gek!..."

"Zel j't ze zegge?..."

"Meid... je ben nog zoo jong!... Pas nou op."

"Zel j't ze zegge?..."

"Waar ga je na toe?..."

"Da-weet ik... Gaat niemand an..."

"Luister nou eve..."

"Ajuus... 'k Hè d'r genog van..."

Schetsen, Eerste bundel · 第 22 / 52 题