VAN EEN JUFFROUW.

De straat ligt stil en rustig. De bruinroode vlakken der huizen lijken

oneindig. Niets dan steenen en kalk, ramen en deuren.

Als de zon ondergaat spiegelen alle vensters in goudlicht, soms zoo

fel dat de oogen zich sluiten vermoeid.

Als de zon ondergaat staat de muurvlakte aan de overzij in scherp,

wit licht. De oogen kijken er naar, alsof ze lang in donker geweest

zijn, niet verdragen kunnen den sterken overgang van donker tot licht.

Als de zon ondergaat, staat de muur van de overzij, die een vlakte

is van steen, waarachter huizen zijn, zóó fel verlicht, in zulk

kil en tòch droomerig licht, dat er soms komt de gedachte, dat de

huizenrij is alléén op de wereld en de vensters goudtranen schreien

in verlatenheid. Dán is de straat een groote, dorre zee van geel. Dán

kartelen de daklijnen in het wit der luchten. Dán puilen de verste

huizen star uit in de begieting van licht. Dán gloeien de ruiten als

smartlijke menschoogen.

Op zoo'n oogenblik, bekeken van uit de eigen kamer, is er een rij

huizen én een ongekende wereld.

En als de groote hand zich uitspreidt voor de oogen, is er niets

meer, niets.

Dit is avondgedroom. Bij dag zijn de dingen zoo werkelijk, dat droomen

heenklepren als opgejaagde duiven. Alles van Leven is wonderlijk. Ik

zit in mijn kamer. Een muurtje van steenen verbergt me aan alle zijden

voor anderen. Links woont een buurman, omringd door een muurtje van

steenen. Rechts, aan de overzij, overal.

We leven allen in kleine cellen.

De een weet niets van den ander.

Als we de cel verlaten, gaan we rond met een mom van vleesch, met een

gelaat dat alleen schijnt te dienen om innerlijk leven te verbergen.

Als we zitten voor de openingen, die daglicht toelaten in onze cellen,

bekijken we elkander. Dat bekijken vind ik triestig. Want aan de

overzij van de straat zie ik drie, vier, vijf huizen. Elk huis heeft

drie, vier verdiepingen. Elke verdieping is bewoond. Elke verdieping

omsluit in de dikte der muren, achter de glimming van glas leven. In

het eene huis, beneden, zit voor het raam een oude juffrouw en beweegt

de handen over een stuk wit linnen. Anders niets. Boven haar, op de

tweede verdieping, een man, die een krant leest. Daarboven een bleeke

juffrouw met een zuigeling. Anders niets. Ze zitten boven elkander,

weten niets van elkaar, hebben allen belangen en belangetjes.

Ze leven.

In het huis er naast bekijken kleine kinderen plaatjes. Op de tweede

verdieping een vrouw en een man, die uit glaasjes slurpen. Op de derde

een juffrouw die aardappelen schilt. Anders niets. De twee huizen staan

naast elkander, als kooien met gevangen marionetten, als poppenkasten,

als doodkisten, waarin nog wat leven beweegt. De straat is rustig

en stil. Door de gesloten ramen komt geen enkel geluid. Ze leven,

bewegen, doen ... die menschen in de luidlooze huizen, zooals ik,

en we weten niets van elkaar, daar we allen zijn droomers, die als

vrekken een eigen droomleven bewaken.

Ook in het derde huis is leven. De drie ramen van de eerste verdieping

zijn behangen met tulle gordijnen. Er valt niet in te kijken. Maar

den heelen dag, om het half uur, trekt een hand de tulle lappen op

zij en leunt een meisje, een vrouw, tegen de ruiten.

Over die vrouw wou ik het hebben. Maar ik weet niets van haar. Ik

heb haar nooit gesproken, nooit in de oogen gekeken. En ik ken haar,

zooals wij menschen meenen te kennen, voor ons bijzonder gevoel. Ze

is jong, lang, bleek. Ze staat in haar rood kleedje en kijkt met de

zwarte oogen, lusteloos, uren lang in de monotonie van de straat. Haar

gezicht is hoekig, smal, flets. De hand is wit. De witte hand beweegt

de gordijnen, ze steekt het hoofd door de plooien en soest.

Ze ziet alles wat er gebeurt in de straat. Ze ziet den bakker,

die rondrijdt, den boodschapjongen met pakjes, den briefbesteller,

die zigzag de brieven rondbrengt. Ze ziet het dienstmeisje, dat met

opgewaaide rokken tegen den wind ingaat. Ze ziet het joodje, dat

sinaasappelen vent. Ze ziet alles met lustelooze oogen, zonder te

lachen, zonder te spreken. Ik denk, dat ze alleen-woont of getrouwd

is; of op een zieke past of wat anders, wat anders...

Als ik voor mijn raam kom, zie ik haar leunen tegen de vensterbank,

de oogen in het vage, de oogen wèg, de oogen bezig met de

straatverlatenheid, met de menschen aan mijn huizenkant, die ook weer

voor hun ramen zitten. Komt er een orgel lawaai maken in de straat,

dan verschijnt de witte hand en kijken de zwarte, stille oogen. Gaat

het orgel weg dan valt de tulle neer.

Als een kind struikelt en huilt, beweegt de witte hand, en gluurt

het hoekig, bleek gezicht door de doekplooien. Er gebeurt niets in

de levenloosheid der straat of zij maakt het mee, leeft het mee,

doet het mee.

's Avonds komt er licht achter de tulle. Ze zit bij een piano en

speelt. Het geluid hoor ik niet. En ze staat weer op, kijkt in het

leege straatje, in de donkerheid. Als de zon schijnt, is ze lang

en bleek, achter de gordijnopening. Als de regen neerklikt, leunt

ze onbeweeglijk, uren lang, ziet het neerspetten der druppels in de

plassen, het kletteren der lange stralen, het morsen der dakgoten.

Ze is er altijd, altijd. Ze is één geworden met het kleine

burgerstraatje, één met haar cel, één met haar leven, begraven tusschen

de steenen muurtjes, die omsluiten ieder onzer.

Vanavond is de zon weer heengegleden. De overzij, de groote,

oneindige, bruinroode muur, die een huls is, een cocon, lijnde op

in de bleekmatheid van avondschemeren. Alle ruiten kaatsten vijandig

het zonlicht. Een enkel dakvenster lichtte in de schemering, als een

transparent, waarachter zilvervuur spat. Scherpe, pijnlijke stralen

priemden naar alle zijden. De bruinroode, levenlooze muur leek dáár

te branden, te spuwen een onaardsch, onwerkelijk vlammenvuur. De

heele muur stond stroef, hard in het witte licht.

Achter alle vensters konden nu menschen zijn. Die waren verborgen

achter de goudkaatsing der ruiten.

En de straat was stil, levenloos.

Het was vreemd.

Maar achter de gordijnen stond ze. Ik zag haar niet. Ze bleef verborgen

als allen in de zonnepurpering op de ruiten, die bloed leek.

Ze was onzichtbaar, onzichtbaar haar witte hand, onzichtbaar haar

lustelooze, stille oogen.

Ze wás er.

Want toen het zonlicht verflauwde, het heete gegloei op de ruiten

versmolt met het donkere bruin van de muurvlakte, het schelle

avondgeschemer stillekens heenbleekte, zag ik haar, leunend tegen

het raam, tot het donkerder werd, tot de straat zwart wierd, tot de

zwarte kijkgaten der huizen weer licht diffuseerden, rood, doezelig

lampenlicht.

Toen heb ik mijn witte gordijnen geschoven voor mijn ramen, ben gaan

werken langzaam en triestig.

Schetsen, Eerste bundel · 第 10 / 52 题