Ik laat de wereld buiten.
De wereld met haar nijd en haat,
Haar laster en haar eigenbaat;—
’k Zie liever door mijn ruiten,
Hoe het rondomme buiten staat:
Of ’t gras al door de kluiten
Van mijne weide groenen gaat.
Ik laat de wereld buiten:
’t Rumoer in slop en steeg en straat;
Der buren zinn’loos lasterpraat,
Waarvan mij de ooren tuiten,
Dat als een loopend vuurtje gaat;
’k Zie liever hoe het spruiten,
Van knoppen in mijn boomgaard staat.
Ik laat de wereld buiten:
Want ik kreeg het daar gauw te kwaad,
Te kwaad met menige onverlaat;
Ik kan mijn oor niet sluiten,
Voor wat mij bitter tegenstaat:
Laat wrok zich tegen mij uiten,
Als ’t binnen slechts met vreê mij laat.
Ik laat de wereld buiten:
Als regen op mijn ruiten slaat;
Het West met kracht op ’t venster staat;
De vlagen luide fluiten;
En ’t soms tot loeien overgaat,
En tegen murenhoeken stuiten:
Dan voel ’k waarin de rust bestaat.