IK LAAT DE WERELD BUITEN

Ik laat de wereld buiten.

De wereld met haar nijd en haat,

Haar laster en haar eigenbaat;—

’k Zie liever door mijn ruiten,

Hoe het rondomme buiten staat:

Of ’t gras al door de kluiten

Van mijne weide groenen gaat.

Ik laat de wereld buiten:

’t Rumoer in slop en steeg en straat;

Der buren zinn’loos lasterpraat,

Waarvan mij de ooren tuiten,

Dat als een loopend vuurtje gaat;

’k Zie liever hoe het spruiten,

Van knoppen in mijn boomgaard staat.

Ik laat de wereld buiten:

Want ik kreeg het daar gauw te kwaad,

Te kwaad met menige onverlaat;

Ik kan mijn oor niet sluiten,

Voor wat mij bitter tegenstaat:

Laat wrok zich tegen mij uiten,

Als ’t binnen slechts met vreê mij laat.

Ik laat de wereld buiten:

Als regen op mijn ruiten slaat;

Het West met kracht op ’t venster staat;

De vlagen luide fluiten;

En ’t soms tot loeien overgaat,

En tegen murenhoeken stuiten:

Dan voel ’k waarin de rust bestaat.

Varens en mos · 第 44 / 50 题