VERTROUWEN

Leeuwerikje!

’k Zie, uw nestje,

Bouwt ge weder,—

Half verholen,

Achter sprietjes,—

In een holte,

Die een stortbui,

Van de laatste

Herfst, daar groefde!

Lenteluister,

Gloeit en schittert,

Van den hemel,

Op u neder,

Achter gouden

Wolkengroepen,

Weg, van boven.—

Licht en schoonheid,

Rondom strooiend;

Bloemen lokkend!

Madeliefjes,—

Heldre sterren,—

In het donzig

Groen der weide,—

Blinken, lonken,

Rondom ’t plekje,

Dat ge u zelven,—

Hebt verkoren,—

Leeuwerikje.

De bezieling,—

Die er uitgaat,

Van de stralen,

Die dat alles,

Tot herleven,

Riepen, wekten,—

Trekt verlangend’,

U naar boven;

En ge ontplooit straks,

Uwe vlerkjes,

Om te rijzen,

Om te stijgen,

Op naar ’t luchtruim!

Waar de gouden

Bron der stralen,—

Onweerstaanbaar,

U van de aarde,—

Om te juichen,

Om te jub’len,

En te loven’—

Opwaarts wenkte.—

Vreugde doet uw

Boezem zwellen;

En geeft uiting,

In een Hymne,

Die gij opzendt,

Naar de wolken—

Terwijl de aarde,

Ondertusschen,

Hoort en luistert,

Naar dien lofzang,

Ongekunsteld,

Schoon en rein.—

Zoo verlangend,

En zoo blijde,

In mijn lot zijn—

Mij van de aarde,

Van de wereld,

Los te maken,—

Mocht mijn deel steeds,

Hier beneden,

Immer wezen;—

Dat ’k met vrije

Vleugelslagen,

Van de moeite,

Kommer, lijden,

Uit de boeien,

Die mij kluistren,

Aan al ’t aardsche,—

Was onttogen,—

Opdat ik dan,—

Aan de bron van

Alle leven,

Licht en luister,

Mij kon laven,—

Voor een eindlooz’

Eeuwigheid.

Varens en mos · 第 37 / 50 题