IN ’T ZAND GESCHREVEN

Zij werkten in ’t gezaaide.

Het was een groote troep,—

Waarvan ’t gelach, geroep,—

Zeer duid’lijk overwaaide,—

Naar ’s Bouwmans luistrend oor,

Eer ’t in de verte zich verloor.

Hij zag van ver het stoeien,

Terwijl een ader zwol,

Op ’t voorhoofd, eensklaps vol:

Toorn deed zijn wangen gloeien,

Van verontwaardiging

Bij ’t treden in hun kring.

Dat zoo maar door zijn akker—

Zorgvuldig toebereid,

Vol onverschilligheid,—

Zijn werklui gaan, als stak er,

Niets in, alsof het moest,

Zoo wild, onzinnig woest!

Hij durfde nauw’lijks treden,

Door ’t jonge welig graan,

Waar zijnen voet moest staan,

Opdat door zijne schreden,

Zich hier, of elders niet,

Een halm vertrappen liet.

Wijl zijne ondergeschikten,

Niet letten of een plant,

Gerukt werd uit haar stand,

Haar bladren ook verwrikten:

Slechts dadelijk gewin,

Wou er met hen slechts in.

Alsof om duizend halmen,

Hier noodeloos vertrapt—

Om er juist opgestapt—

Bij straatdeuns krijschend galmen—

Het wat niet al te kras,

Om ’t jeugdig koren was.—

En toen hij eindlijk wendde,

Zich met een ernstig woord:

Als zoo iets dan behoort,

Tot de brooddronken bende:

Ging de een na de ander heen,

En lieten hem alleen.

En waar men mede werkte,

’t Gereedschap, werd geplant,

In averechtschen stand,

Vlug zonder dat men ’t merkte—

Dat het ver zichtbaar stond,—

’t Handvatsel in den grond!

Hij de eigenaar had tranen,

Om die brooddronkenheid,

Zoo door zich zelf misleid,

In hun denkbeeldig wanen,

Dat toch niet ze elkaar weer.

Ontmoeten: Knecht en Heer.

Zij lieten groeien ’t koren;

De dist’len groeiden meê

Van nu op ’t zelfde steê.

Waar echter op de voren

Den voet stond ingedrukt,

Was de oogst geheel mislukt.

En niet dan kleine garve,

Een half beschot op ’t hoogst—

Gaf ’t bij den tijd der oogst,

Van havervrucht en tarwe,

Waar men was doorgehold,

Of stoeiend had gerold.

En nu ten wintertijde,

Komt schoorvoetend gegaan,

Een troep en klopt zacht aan,

Bij een schuurs achterzijde:

Of een maat koren niet

Voor de armen overschiet?

’t Antwoord: «vooraan zal ’k treden,

En toonen u van ’t graan,

Waar ’t ruw is toegegaan;

(Hij dacht aan het verleden);

En plantte als «onbegeerd»,

De schop in ’t graan, «_verkeerd!_»

En alle mannen zagen ’t,

En blikten elkaar aan:

Zij hadden het verstaan.—

«Treed Bouwheer, ach wij vragen ’t

Met tranen in ’t gezicht—

Niet met ons in ’t gericht.»

«Welaan wilt er uit leeren:

Bij grooten overvloed,

Weet zonder overmoed,

’t Geringste ook te waardeeren!

Uw zakjes ach! zoo leêg,

Vul _schop_ nu eens ter deeg.’»

Varens en mos · 第 21 / 50 题