DE POËZIE DER HEIDE

’k Houd van de grootsche ruime heide,

Waar de aarde en waar de hemel, beide,

Tot één versmelten in ’t verschiet;

Waar in het spel der wolkentroepen,

De Phantasie er bergengroepen,

Een Alpenwereld zeilen ziet.

Waar sneeuw- en gletschervelden gloeien;

Hun kleuren in elkaâr vervloeien.—

Nog hooger waar het hermelijn

Des winters, weidsch die bergen zoomen;

Waartusschen stille dalen droomen,

Wijl blinken zij in zonneschijn.

Lief blijft mij de onbeperkte heide!

Die ongerept, als purpren weide,

Zich breed ontrolt, voor ’s wandlaars oog;

Wier bloempjes zachtrood de omtrek kleurend,

Die hangende aan hun boompjes, beurend

Zich opwaarts, nedrig naar omhoog;

Ontelbaar wel naar tal of cijfer;

Maar waarom met niet minder ijver,

De bijtjes voor hun koningrijk,—

Steeds zwoegen alle zomerdagen:

Hun schat naar verre korven dragen,

Waarvan het zoet gewicht geeft blijk.

Ik min zoo de onafzienbre heide,

Waar mij Fata-Morgana beidde,

In hare stille wonderpracht;

Waar ’t landschap uit de verre Tropen,

Met Palmen, Zebra’s, Antilopen,

Me op eens verrukte, nooit gedacht!

’k Zie hoe de lieflijkheid dier landen,

Het schoonst van ’s werelds lustwaranden,

Als voor het starende oog verrijst;

Tot waar in werk’lijkheid in ’t einde

Een kluisje wenkt uit groen van heinde

En ver, door sparrengroen omlijst.

Het schoonst was mij de purp’ren heide,

Toen eene slagschaduw zich breidde,

Op dennenboschjes deinend groen,

Uit zware wolkpartijen brekend,

Een grillig licht de Dolmen teek’nend,

Wijl zachter kleuren gleden toen,

In halflichts weiflend bruin, steeds verder,

Naar ’t rustend kuddeke en den herder,

In haar’ge pij, geheel verweerd;

Gelegerd, om zich te vereenen.

Met grijs van hei en reuzensteenen.

Door kudde en hem schoon gestoffeerd.

En naar de groote stille heide,

Was ’k u wel gaarne ten geleide;

En toonde u daar, dat toch niet veel,

Tot waar geluk de mensch heeft noodig;

Dat menig wensch is overbodig:

Dat vrede woont bij schamel deel.—

Waar lieve, brave, kleine menschen

Zich vestigden; wier grootste wenschen,

Slecht hun oase in ’t diepst der Hei—

Hun stulpje in ’t sparrengroen verloren,

Hun koetje of ’t schrale veldje koren,

Slechts gold, en ’t naast aan ’t hart hun lei—

Varens en mos · 第 15 / 50 题