Oorlog dreigde er niet meer met Noordhumberland; tweemalen was Clarioen
nu verslagen en hij zoû niet durven meer, zelfs al waren de negen
wiganten tot penitentië Rome-waarts. En de winterdagen sleepten
eentoniglijk voort; de sneeuw lag over de bladerlooze foreesten en
zoomde met breed dons de barbekanen van Camelot, de tinnen en torens en
bijna nimmer klonk het hoorngeschal der wachters: geen ridder trok deze
landen door; de Noordewind blies om den burcht; de korte dagen deden dra
in de namiddagen de weemoedigheden dwalen langs de donkere hoeken der
kemenaden en omdat Koning Artur krank lag, waren zorg en droeve
nagepeize niet te verdrijven van daar. En terwijl Koning Assentijn zat
naast het bedde van Koning Artur en hem troostte met te herinneren aan
het glorieuze Destijds, toen iederen dag, bijna! zich Aventure had voor
gedaan--wel dagen van vermoeienisse vele, meende Assentijn, die nooit
met de Tafel-Ronde gedweept had--zochten Guenever en Ysabele elkaâr. De
jonkvrouw was blijde de zoete koninginne, van wie zij in trouwen
Lancelots jeeste zoo veel gelezen had, nu te zien met eigene oogen en te
beminnen als eene koninginne van minne en zij bekende zelve Gwinebant te
minnen, altijd bemind te hebben en te hebben gelogen tot Gawein toen hij
stervende lag, onder de koningslinde. En hoewel Guenever haar troostte,
dat zij gelogen had uit caritate en hoewel de huispaap hare biechten
hoorde en haar de heilige absolutië schonk, wilde Ysabele meer boeten
dan alleen iederen dag aan Gaweins sepulker in het grafgewelf onder de
kapelle te bidden voor zijne ziele en voor haar eigene vergeving en toog
zij ter beêvaart, met de koninginne samen, die meende, een beêvaart was,
om zoo trouwe, echtbreukige minne tot Lancelot, die zelve ter beêvaart
was, beter dan nooit berouwe te toonen. Zoo dat langs de sneeuwige
wegen, met hare edelvrouwen, koningin en princes barrevoets en in witte
pij en de lange, wind verflakkerende keersen ter hand, en met ridders en
wapenknechten ter begeleiding voor en achter, de beêvaaart volbrachten,
drie dagen lang van kapelle tot kapelle; zij kwamen ook ter kapelle,
waar, achter op den hove, Didoneel en Mordret door Gawein lagen begraven
en zij baden voor hun beider zielen. Zij baden veel gebeds en zij deden
veel goeds en zij schonken overal hare gaven maar zij waren wel blijde
toen zij terug kwamen tot Camelot en zich warmen konden bij de groote
vlammende vuren de verkleumde handekens en de verkleumde voetekens. En
elkander vertellen van haar beider minne met minder wroeging, nu zij
drie dagen in de sneeuw ter pelgrimagië waren geweest.
Maar somwijlen riep Assentijn Guenever aan het ziekbed des Konings; die
wilde zelve niet, dat Guenever immer daar toefde maar nu hij zelve zich
sterven voelde, van dag tot dag, legde hij, als zij knielde bij hem,
zijn groote, aderige hand over haar gouddraad-blonde hoofd en zeide
haar, zij was toch altijd liefdevol voor hem geweest, als een
dochterlijn en dat zij, nu hij haar verlaten ging, als koninginne van
Logres zoû heerschen en dat hij haar ried, spoedig na zijn dood, zich
een gemaal te kiezen: Lancelot ried hij haar aan. En zij weende zeer,
hare tranen vloeiden over 's Konings handen en 's Konings kus zegende
haar voorhoofd van zoete en trouwe zondaresse...
Tot op een morgen, de negen pelegrijnen terug kwamen uit Rome. Onderweg
hadden zij veel met malkanderen gesproken en hoe vreemd het was, van
Wonder en Aventure; zij moesten malkanderen toe geven, dat het door
Merlijn gezondene Scaec, waarvan zij allen geweten hadden, allerlei mede
gesleept had, tot zelfs Schandekarren en belaagde damoselen toe, lace,
tot zelfs Gaweins dood toe! Was alles niet geschakeld geworden het een
aan het aêr, tot hunne bedevaart toe, waartoe zij zich hadden verplicht
gevoeld? En toen zij terug waren tot Camelot, omhelsde Ysabele Gwinebant
en omhelsde Guenever Lancelot en zeide hem met tranen, die vloeiden en
haar nog schooner maakten, dat de Koning stervende was. En de negen
wiganten verzamelden om 's Konings bedde, waarbij een vinder, dien de
veêler begeleidde, zong van vroegere jeesten--die werden van alle
ridders geboekt door de clerken en gepinghiert door schilders op de
wanden der zalen--en zoo tusschen de zijnen en vizioenen van Wonder en
Aventure, verscheidde Koning Artur, die heerschte over het Land van
Logres, in zijn burcht tot Camelot.
Toen de Koning in zijn koningsgraf, midden in het gewelf onder de
kapelle--Gawein lag daar ook dicht bij--was bij gezet, huldigden de
wiganten in bijzijn van Assentijn en Ysabele de Koninginne Guenever en
zwoeren haar als vazallen en als baroenen de plechtige eeden. En toen
duwde Bohort Lancelot naar voren, maar Lancelot en de anderen duwden
Bohort, die was zoo reuzig groot en die zoû het wel goed kunnen zeggen,
terwijl Guenever zoo zoetjes verlegen zat op den troonzetel met ter
zijde zich hare gasten, Assentijn en ook Ysabele. En Bohort zeide het
toen... Dat de Koninginne, om Logres' wille, om harer krone wille, een
nieuwen gemaal moest kiezen... onder hen allen van Tafel-Ronde... En
Bohort zeide het zeer goed, als of hij geen oogenblik dacht aan Lancelot
en alle de anderen hielden zich ook heel goed, als of zij geen oogenblik
dachten aan Lancelot. En toen Koninginne Guenever Lancelot koos--met
schuchtere stem zeide zij hare keuze--toen deden zij allen of zij zeer
verrast waren maar ook of zij hunner Koninginne keuze zeer prezen, want
zij hieven blijde kreten aan en huldigden Lancelot als den aanstaanden
Koning van Logres...
Wat hielp het, dat ik het maakte lang? als de vinder in zijn jeeste
zegt, telkens als hij op adem wil komen. Toen de winter voorbij was,
brak de Wereldoorlog uit. Dat was tusschen alle vereenigde koninkrijken
van Brittanië en Wallis, die zich vereenigd hadden met Parijs en met
Rome tegen den Koning van Keulen. Wees des gewes, lezer, dat alle oude
Koningen gevoeglijk dood waren en zelfs die goede Assentijn van Endi en
ook Clarioen van Noordhumberland. En dat de schoone Gwinebant gehuwd was
met de zoete Ysabele--zij beiden heerschten over Endi--en dat Lionel, de
Ridder van de Kar, heerschte over Noordhumberland. Tusschen alle die
jonge Koningen weefde de modern internatie-lijke politiek de nieuwe
draden en een ontzaglijke heirmacht zoû onder hun aller leiding
optrekken naar Keulen, waar ook een jonge Koning heerschte even als te
Parijs en te Rome. Want al jonge Koningen heerschten er over de wereld:
de Wereldoorlog zoû er een nooit geziene zijn...
In Camelot en in Endi bleven de koninginnen, Guenever en Ysabele, die
afscheid hadden genomen van Koning Lancelot en van Koning Gwinebant,
alleen. Maar Guenever, die de voornaamste was der twee en de oudste ook,
zond boodschap aan Ysabele of zij niet op Camelot wilde komen logieren
tot dat hare beide Koningen en gemalen zegevierend uit den Wereldoorlog
waren terug gekeerd. Ysabele nam dit dankbaar aan en kwam tot Camelot.
En Merlijn, die wel eens aan kwam zweven op blauwen fenixvogel, maakte,
dat de beide koninginnen iederen nacht droomden van hare Koningen en dat
er twee wondertrompetten stonden op tafel, de eene vol van Koning
Lancelots milde, diepe stem, de ander vol van Koning Gwinebants
nachtegaalklaar geluid. En ook noodde Merlijn de beide koninginnen vaak
uit om op den witten tooverwand in zijn eigen slot te komen aanzien de
laatste wonderopname van de optijgende heirmachten: hij deed dat nu
alles met de draadlooze theorië. En had ook de hoofschheid de edele
vorstinnen te npoden zijn tooverwagen te bestijgen voor een tochtje of
zelfs zijn fenixvogel, die hoog met haar steeg, boven de tinnen van
Camelot en van Endi.
Maar eigenlijk hield koninginne Guenever niet van alle die nieuwe
enghienen, hoewel koninginne Ysabele er mede dweepte. En op een zoeten
Meie-morgen--de Wereldoorlog zou weldra gedaan zijn; Wereldoorlogen
duurden niet langer dan één enkelen winter--sprak zoete Guenever zoete
Ysabele aan:
--Mijne wellieve vorstinne en vriendinne, zoudt gij mij, in afwachting
onzer wiganten en zegevierende Koningen, jolijt willen doen? Kom dan
toch mede, in mijn Vergier van Vreugde, waar ik zoo vaak spansierde met
mijn Lancelot, toen Koning Artur nog leefde. Daar staat de Wonderboom,
de oude Wonderboom, die is mij van alle Merlijns enghienen nog de meest
dierbare en Merlijn heeft hem harde wel op mijn verzoek gerepariert en
wij zullen er onder zitten en de gulden vogelkens hooren zingen en de
gulden bladerkens zien bewegen...
En koninginne Guenever nam koninginne Ysabele mede naar haar vergier.
De Meie bloeide alomme met bloesems en bladeren menigertiere maar het
schoonste van haar hof, wees Guenever, was de Wonderboom, dien Merlijn
haar reeds jaren geleden gemaakt had. En Ysabele zag den Boom, dien zij
wel kende uit de jeesten der vinders en zij keek er glimlachend en harde
nieuwsgierig heen. De rijke Boom was geheel en al van fijnen, rooden
goud en stak breed de takken en twijgen uit, die waren alle van goud en
op elke twijg, op elken telg stond een gouden vogelkijn, zeer proper en
allerliefst. De Boom was wel gemaakt in alre maniere en van
tooverschoonheden voldaan want aan elk schoon bladekijn hing een gouden
bellekijn......
En Guenever deed Ysabele zitten op de marmeren bank onder den Boom en de
beide koninginnen zagen lachende op, terwijl hare edelvrouwen en pagiën
ook kwamen zien en hooren. Want plotseling begon elk vogelkijn recht te
staan en te beven als of het leefde en toen te zingen zoetekens, elk
vogelkijn zijn geluidje en het klonk zoo schoon en klaar, dat de beide
koninginnen er met verheugde zinnen naar luisterden. Bij zessen en
zevenen zongen de vogelkens hunne liedekens, hoog en laag en toen
begonnen ook de bellekens aan de bladerkens te klinkelen, hoog en laag
en het stemde alles te zamen met melodië en met harmonië, en Guenever
zeide, aandachtig heffende haar vingerkijn:
--Hoort gij, wellieve Ysabele? Schooner muziekboom en klinkelt er niet
voor de engelen in Paradijs! Al ware er een tot den dood gewond, ware
hij hier eene stonde kort en moest hij hooren de vogelkens, van alle
pijnen werd hij kwijt... En wij, zoete Ysabele, wij zullen, wachtende
onze Koningen tot zij keeren zegerijk uit Wereldoorlog, luisteren naar
die klare muzijk en vergeten de stonden des langen beidens. Want beneden
den Wonderboom, wees des gewes, o Ysabele, is behendelijk en met list
gewrocht een duiwere en daarin staan wel zestien mannen en hebben acht
blaasbalgen in de handen en daarmede jagen zij met groote kracht wind in
den Boom, van beneden in de wortelen tot boven in den top en wen zij
bewaaien de vogelkens en mede de bellekens, zingen en klokkespelen zij
allen zoo schoon te zamen... Hoort! Hoort!!
--Hoort! Hoort! herhaalden zacht de edelvrouwen en zij staken allen,
luisterend, vingerkens in de lucht.
Toen, glimlachend, luisterde, ook de koninginne Ysabele. Alle de vrouwen
zongen de muziek na en ook Guenever, verrukt, zong mede. En zij
glimlachten allen en zongen. En de vogelkens klaterden hooger en de
bellekens klinkelden lager. En het was àlles Wonder ende Tooverië....
De beide koninginnen glimlachten elkander, zacht zingende, toe, vingers
geheven. Toen zag Ysabele plotseling, dat in het gouddraad-blonde haar
der "fonteyne aller schoonheden" een zilveren draad verglinsterde. En
begreep Ysabele, waarom Guenever den ouden Boom liever had dan al de
nieuwe enghienen.
Maar zij zeide niets, de zoete Ysabele en eigenlijk was de zoetste
tooverië, dat zij iedere nacht droomde van haar jongen gemaal, Koning
Gwinebant, schoon als Sint Michiel!
Plotseling klaterde boven de muziek van den Boom der torenwachters
koperen fanfare: zij kondigden de zegevierende Koningen aan!
En de koninginnen vielen elkander, terwijl Keye hinkende aan kwam met
zware sleutelbos, om de poorten te ontsluiten, juichende in de armen.
Toen wijdde zoete Ysabele tusschen fanfaregeschetter en klinkende
tooverboomemuziek, hare ontroerde herinnering aan Gawein, de hoofschte
hij, àller ridderen van Kerstenhede!!