Gawein dwong het ros naar den oever. Het gehoorzaamde, uitgeput, sloeg
met de voorhoeven in de grazige helling, die daar afglooide naar het
water, gleed uit, maar slaagde eindelijk en klom met den ridder op.
Toen, aan den kant van den weg, waarvan Gawein niet geweten had, viel
het wankelend in een, zoodra haastig de ruiter was afgestegen en lag,
hijgende, met de puilende vrouwe-oogen en de kloppende flanken, waarvan
het water droop.
--Awi, ach wacharme! kreet smartvol Gawein. Gringolette, gaat gij mij
begeven!?
De uitschichtende krans der zonnestralen doofde, een donkerder paars
spreidde over den geheelen hemel, het water stroomde voort in reeds
nachtelijke schaduw en ginds in de verte, verrees de burcht van den
Koning van den Mirakele en donkerde tegen den laatsten gloor van den
dag. De schapen graasden zacht blatend, kabbelend de wollene ruggen, aan
de grazige helling rondom en de jonge herder knielde met Gawein neêr
naast de hijgende merrie.
--Lace, heer ridder! klaagde de herder mede; uw goede ors, het is wel
krank. Bied mij uwen helm, baroen, opdat ik er water in putte om haar
verhitten kop te besproeien....
Gawein, klagende als in grooten nood, ontdeed zich van zijn helm en de
herder liep er meê omlaag en kwam, den helm gevuld, weêr op.
--Awi, ach wacharme! klaagde Gawein steeds. Zie, mijn ors sterft! Brave
herder, mijn ors sterft!! Gringolette, wilt gij mij verlaten en hier
alleen laten bij dezen rivier, dien ik u heb doen op zwemmen en zonder
noode!?
De herder besproeide met het water uit den helm het hoofd van het paard,
dat Gawein in zijn schoot had genomen. En met stervende oogen keek het
zijn heer aan, hief toen den open mond omhoog, en kuste, blazende den
laatsten adem, hem over zijn mond. En zonk toen in een en lag stil. En
Gawein, opgerezen, riep:
--Herder, Gringolette is dood! Vermoord heb ik haar, lace! Oud was zij
nog niet maar hare krachten waren niet meer de zelfde! Tien jaren
geleden deed zij ook dien zelfden sprong van dien muursteilen, rotsigen,
hoogen oever; tien jaren geleden zwom zij de rivier op, tot aan den
burcht van Koning Mirakele! Zoo trouw was zij, dat zelfs wen ik was
afgestegen, zij nimmer afdwaalde maar marde tot ik haar weêr nam! Geen
smette en zoude wie ook aan Gringolette vinden: zij was zoo sterk en zoo
goed en bewaakte mij met hare leden zoo als ik haar beschermde met mijn
schild! Wen ik gewond was, en bewusteloos lag, neyede zij in den pleine
en maakte groot misbaar, tot mijne knapen mij kwamen vinden en wen ik
haar dan terug zag, met mijne oogen, dacht mij, dat ik al leeds vergat,
begon mij het hart te verhoogen en gevoelde ik mij of ik al genas!
De nacht was geheel gezonken. Daar ginds, tegen de ijl blauwende lucht,
waarin de starren ontloken, ging vagelijk de ommelijn van den burcht
duisteren, week verder en verder weg als een droom, aan een droomeinder,
die onbereikbaar werd.
--Heer ridder en baroen! klaagde de herder bewogen. Wat zult gij, hier,
nu uw ors verging, nog langer toeven aan de rivier! Wilt gij niet met
mij mede gaan naar mijne hut en darf ik u geen gastvrijheid bieden, al
zij het maar een bedde van stroo en een bete broods voor avondmaal?
--Brave herder, antwoordde kalmer Gawein. Heb dank voor uw aanbod maar
deze nacht blijf ik hier, waken over mijn ors, dat de raven het niet en
komen vreten en de heksen haar niet en komen verscheuren voor hare brei,
die op de onzalige ketelen ziedt. Brave herder gij, met uw jongen lach
en met uwe jonge tranen om leed, dat niet was uw eigen, ga met de
schapen: laat zal het zijn voor gij de stallen bereikt; ga en laat mij
alleen bij de rivier...
En Gawein dwong den herder te gaan, met zijne schapen, den weg op, de
vlakte toen over, de nacht in.... Het was als een vage kabbeling, die
verdween, daar ginds, in de stilte, in de starre-doorlichte schemering,
in de schemering van het onbestemde..... De burcht was geheel aan de
nevelige kim verzwijmd.... Geen geluid klonk boven den stadigen stroom
uit van den vloed, die klaterde zacht en eentonig. En alleen bleef
Gawein met het doode ros, onder de starren, die stralender klaarden.
Gawein, in het gras, was wederom gaan zitten. Hij nam het doode hoofd
van het paard in zijn schoot en maakte er drie malen het teeken des
Kruizes over. En alles wat het ros hem geweest was, overleefde hij of
schimmig hem het Verleden omzweefde. Toen legde hij het hoofd neêr zacht
in het gras en knielde bij Gringolette en bad.
Zijn zwaard had Gawein bij Gringolette's doode hoofd gestoken in de
aarde en het kruis van het gevest teekende zich af in het vage licht van
de nacht als een heilig symbool van bewaking. En Gawein betreurde, dat
hij geene kaarsen ontsteken kon rondom het dierbaar lijk....
Hij begon de nachtwake, gezeten op een terp, stil, het helmlooze hoofd
gebogen, de bloote handen gevouwen. Toen hij opzag, bespeurde hij, dat
zes dwaallichten rondom het paard flikkerden. Zij bleven op gelijken
afstand als stille sterretjes zweven en Gawein begreep, dat zij door de
goede gnomen waren gezonden. Langs den boord van de rivier, dwarrelden
tallooze vuurvliegjes. Maar over de vlakte zag Gawein ook naderen zes
gloeiende lichten, met gele, groene weêrschijnen en hij begreep, dat het
drie wolven waren. In een boom, trots de nacht, kraste drie malen een
zwarte vogel en andere vogels, op dien kreet, vlogen aan.
De geheele nacht bleef Gawein de wake doen tot de vroege dag kleurloos
rees. De azende vogels zaten stil en somber toe te kijken op de takken.
De burcht, daar ginds, scheen vaal en vaag in den morgenmist en Gawein
twijfelde of het wel was de vroeger zoo goudene burcht van Koning
Mirakel, waar hij het eerste Scaec had gevonden.... Trouwens, hij dacht
nauwlijks aan het Scaec, aan de queste, die hij volbrengen moest. Zijn
hart was vol stille wanhoop, omdat hij verloren had, eerst zijn zoete
vrouw Ysabele, die hij wel dikwijl was ontrouwe geweest; nu zijn
Gringolette! Zijn verdriet drukte zwaar over zijn vertrouwen en hij
hoopte niet meer, dat hij zoû vinden dit maal het Scaec....
Toen de dag doorbrak, rees hij en trok zijn zwaard uit de aarde. En
begon hij met zijn zwaard om Gringolette heen vier diepe vorens te
trekken. En de aarde uit te graven onder haar doode lijf en haar graf te
delven. En arbeidde hij, een serf gelijk. Hij dolf en dolf, met zwaard
en met handen en lanzamerhand zonk het lijk weg in de aarde. Het laatst
bedekte hij het hoofd met het zand en hij torste van den rivierboord de
zware steenen naar boven en stapelde ze over het graf. Toen, legde hij
zijn schild, waarop de gouden liebaertkop, over de steenen. En stak zijn
zwaard wederom in den grond, ter plaatse, waar het zijn kruis zoû
richten bij het hoofd van Gringolette. En hij plantte ter zijde van het
graf diep zijn speer en zette daarop zijn helm en hij legde de
maliënhandschoenen er bij. En toen ging hij, na een laatste teeken des
Kruizes over wat hij achter liet, blootshoofds, de lokken, die glansden
als die van een vrouw, vallende tot over zijn halsberg, ongewapend en
langzaam den weg op. De nieuwe zon straalde over de wereld uit, de
zwarte vogelen waren verdwenen en een leeuwerik twetterde hooger en
hooger de eindeloos doorzichtige lucht in.
Maar onverschillig ging Gawein. Naar Camelot terug keeren wilde hij
niet; zoo hij zonder wapenen, zonder Gringolette, zonder het Scaec zoû
komen, zoû zeker Keye spot met hem drijven. Den weg op naar den burcht
van Mirakele ging hij maar eigenlijk zonder te weten waarom, omdat hij
zeer twijfelde of dit tweede Scaec hij vinden zoû bij den Wonderkoning.
En, in zijn maliëncotte, ging hij, wel vreemd doelloos een ridder, zoo
ongehelmd en zwaardloos en paardloos, langs den weg, die leidde in het
Wonderland. Tot hij achter zich hoorde een fel getoeter als van schelle
trompetten. En omziende zag hij een tooverwagen, die naderde, naderde
bliksemsnel, raderende in een wolk van zongoud-doorpoeierde stof en hoog
in den wagen stond een vrouw. Zij richtte met de eene hand heur wagen
door een horizontaal cirkelend stuur en in de ander hield zij een staf,
waarmede zij scheen aan te geven de wendingen, die de wagen moest nemen
evenwijdig aan de wendingen van den weg. Als een wapperende wolk
omringde haar heur doorzichtig scharlaken mantel, die omviel haar uit
haar schitterende helmkroon over de schubben van haar kuras. En zij was
heel schoon in de blauwzwarte haren, die haar trotsch gelaat omzwierden.
Toen hare trompetten, die ter zij van den wagen hunne gouden monden
vooruit staken, hadden getoeterd ter waarschuwing en Gawein zich had
omgewend om te zien, vertraagde zij den gang van haar tooverwagen. En
stond toen stil, met een ruk, terwijl een blauwige nevel en een vreemd
zoete zwijmelgeur haar wagen omdampte. Gawein verwonderde zich, maar
toen hij Merlijns zuster herkende, Morgueine, de fee, groette hij haar
hoofsch met hoofd en met hand. En zij ook herkende hem en riep:
--Gawein, groote wigant en Vader van Aventure, wat tref u ik hier op den
eenzamen weg en zonder helm, zwaard, speer, schild ende ors?
--Morgueine, antwoordde Gawein. Mijn zoete ors, Gringolette, stierf en
mijn schild beschermt haar graf; op mijn speer staat mijn helm haar ter
zijde en bevat eene laatste gedachte van minne aan haar en het zwaard,
dat aan heur hoofdeinde steekt in den grond en met zijn kruis haar
bewaakt, zal zich heffen in mijn ijzeren handschoen, zoo mensch of dier
haar gesteente schendt, zoo helpe mij Marië's Kind, Jezus Kerst van
Nazarene!
--En waar gaat gij henen, Gawein, alleen en loopende blootshoofds in het
stof van den langen weg, geen ridder gelijk maar een banneling, die niet
weet waar zijne schreden hem voeren?
--Lace, Morgueine, weet ik waar henen ik ga? Zal ik tot Camelot keeren
om Keye, voor wien ik vrees, zijn schere met mij drijven te doen? Ik ga,
ik ga, ik en weet niet waar henen; ik ga, ik ga voor mij uit!
--Zoo stijg in, valiante ridder, noodde Morgueine; en ik zal u voeren
naar mijne Valleie, die is vol jolijt en solaes van riveel en amoers!
--Morgueine, wederstreefde Gawein. Wat wilt gij mij mede voeren naar uwe
tooverlandouwen, naar het Dal van den dollen Dans, waar wie binnen
treedt, danst tot hij dood valt en waar uit ik Lancelot, die zonder arg
was binnen gedoold, heb moeten verlossen van den dood, dien gij hem aan
wildet doen, mijn edelen gezel, dien ik min!
--Gawein, glimlachte zoet Morgueine. Ik en voer u niet naar dat dolle
dal: ik voer u naar wel andere beemde, vol vië van vreugde en zaligheden
waar in de wijde valleien, tusschen prayeelen en pauwillioenen vol
schaduw en zoete rust, staan de wonderbare boomen van peper, anijs en
gingebare, vijgen en notemuscaten, pumegernaten en amandelen! Wij zullen
er in mijne foreesten de witte herten jagen en de vlakkige leoparden en
wen wij terug van de jacht komen, zullen wij hippocras drinken en
clareit en avondmalen met pauwbraad en pasteien! Harpe en psaltherion
zullen voor ons spelen van zelve: ik heb een orgel, dat zweeft in het
geluchte en zingt dan uit alle zijne zilveren pijpen, die klinken
zuiverder dan goudene, bij mijne rechte trouwe! En wij zullen de gnomen
om ons dansen zien en de elfen om ons zingen hooren, met hooge
stemmekens, die trilleren als zilveren klokskens! Op het meer, dat is
doorzichtig als glas, zullen wij spelevaren op een vlot met tal van
toortijtsen om ons rond en wij zullen zweven op glanzende muzijk tot aan
de maan.... Komt gij niet mede, o Gawein?
Gawein, moedeloos, glimlachte en stapte in. De wagen begon te snorren,
bewoog rukkende vooruit en snelde weg, voorbij Koning Mirakels burcht,
voor dat Gawein het zich bewust was. Hij zat aan Morgueine's voeten en
voelde zich mede voeren in duizelingwekkende vaart.
--Deze is de wagen, zeide Morgueine; van mijn broeder, Merlijn. Maar ik
loof deze enghiene niet harde, want door de lucht en kan ik er niet mede
varen en Merlijn houdt zijn fenix-vogel voor zich! En als mijne
diengeesten mij niet in de verborgene bronnen onder den grond weten te
vinden de geurige oliën, waarmede de wagen bewogen wordt--want hij gaat
niet van zèlve, Gawein, maar door middel van geheime beweegkracht en
wonderoliën--dan kan niets zoo zware enghien voor uit drijven, al is de
weg ook nog zoo glad!
Maar de wonderolie en de geheime beweegkracht schenen niet te
faelgieren, want de wagen vloog, vloog voort als een vogel.. Hier wist
Gawein nauwelijks waar hij was, in welk rijk, want het was niet Logres
en het waren niet de landen der omringende koningen. De boomen hadden
wonder kronkelende takken; aan de twijgen, tusschen de groote bladeren,
hingen de roode, lange en de ronde, goudgele vruchten; een sneeuwwitte
hinde ijlde plots over den weg en verdween tusschen de warreling van
bloesemende, blanke amandelstruiken en ooftzware granaatappelboomen en
plotseling zag Gawein voor zich uit strekken de toovervallei en klonk de
zoete muziek uit de van zelf spelende instrumenten, die zweefden, even
vaag zilver of nauwelijks elpenbeenblank, tusschen zwoele wolkjes, in
blauwe zomerluchten boven.
--O, Wonder! zeide Gawein. Hoè spelen die speeltuigen van zelve,
Morgueine?
Morgueine schaterde, terwijl de wagen met forschen ruk stil stond, zoo
dat Gawein bijna er uit viel....
--Niet anders dan door tooverconste, Gawein, zeide zij; wees des
gewes....
Zij stegen uit. En aan de hand voerde Morgueine Gawein binnen de
tooverpoort van de Vallei der Ontrouwe Ridders, waaruit een ridder, die
ooit ontrouw geweest was aan zijne geliefde, alleen verlost kon worden
door een ridder, die nooit ontrouw geweest was....