In de meeste gevallen is het woord, dat het eigenlijke werk vooraf gaat,
een woord, dat den lezer doet meesmuilen, want de lezer houdt, in de
meeste gevallen, al heel weinig van "Woorden Vooraf". Als schrijver
dweep ik er ook niet meê, maar, in dit bizondere geval, dit geval van
mijn Zwevende Schaakbord, geloof ik, dat Een Woord Vooraf wel eenigszins
van nut zal zijn en hoop ik, dat de lezer het niet over zal slaan, zoo
als ik zelve met zoo vele Woorden Vooraf tot mijn schade en schande
gedaan heb. Want zie, om den avonturen-roman van Het Zwevende Schaakbord
te lezen, is het volstrekt geen vereischte, dat de lezer zich heelemaal
op de hoogte stelle der Middeneeuwsche Romans van de Tafel-Ronde, het
zij die in de Wallische taal ontstonden, het zij die later door
Chrestiens de Troyes, in het Fransch, in volmaakteren vorm werden
gedicht, maar de atmosfeer, die om dit Zwevende Schaakbord hangt, zal
den meesten lezers wel een heel vreemde zijn, en de schrijver voelt zich
verplicht hen even "er in te brengen", vóór hij zijn Schaakbord laat
zweven....
Laten wij ons dus een oogenblik herinneren, dat, na de grootsche,
epische, maar dikwijls ruw-zedige Middeneeuwsche romans-in-verzen, die,
na Charlemagne's dood, de sagen bezongen der dappere Pairs des grooten
Keizers en waarvan de Chanson de Roland het prachtige voorbeeld is, een
nieuw ideaal ontstaat voor de Ridderschap en voor de Litteratuur, die
haar bezingt. De Kruisvaarders hebben Jeruzalem ingenomen, zij hebben
het Oosten gezien, zij zijn met een Oosterschen schat, zoo wel van
materieele weelde als van morgenlandsche poëzie terug gekeerd in hunne
haardsteden en geheel nieuwe ideeën en idealen schitteren hun voor de
oogen hunner verfijndere zielen. Hun ridderlijke geest is niet meer
alléén bezield door den drang machtig en krachtig te zijn en alom te
overheerschen. Men zoû kunnen zeggen: werd in de Karel-romans een
Frankisch-Germaansch ideaal van macht en kracht naïef-weg nog zonder
veel meer gehuldigd, in de Koning-Artur-romans, die het gevolg zijn der
nieuwe cultuur, staat vooral een geheel Latijnsch ideaal den ridder
zoowel als zijn zanger voor oogen. Dat ideaal is vooral de
"hoveschhede"; de "hoofschheid" is boven alles hèt ideaal. Maar deze
"hoofschheid" is zéér gecombineerd; deze "hoofschheid" bestaat uit eene
zeer samengestelde mengeling: eerstens de nog antieke, blinde trouw en
gehoorzaamheid van vazal aan leenheer, van ridder aan koning, en daarna
de eerbiedige hulde van dien zelfden ridder aan de Vrouw. De Vrouw--zij
werd in Karel-sage en Karel-roman weinig herdacht, zij trad tusschen de
oermannelijke Pairs al zeer weinig met hare teedere vrouwelijkheid op
den voorgrond; zij kreeg van den woedenden, grammen "baroen", die haar
gemaal was, wel eens een vuistslag, die haar het aangezicht tot bloed
sloeg; zij werd, als dit te pas kwam, bij de haren over den grond
gesleurd.... Dit is geheel veranderd. Gebeurt het nog wel eens, dat een
ridder zich aan de Vrouw vergrijpt, zoo wordt hij een "feloen"
gescholden, "een schurk ende een ruffiaen" en iedere "hoofsche" ridder
zal dadelijk voor de beleedigde Vrouw in het krijt treden en zijn bloed
veil hebben om haar te wreken en te verlossen. En de schoonste en hoogst
gehuldigde van alle Vrouwen is de Heilige Maagd, wie de "hoofsche"
ridder zijne innigste "hoveschhede" wijdt en voor wie de vinder, die
Haar bezingt, zijne meest eerbiedige, maar tevens zijn meest galante en
"courtoise" termen zal weten te kiezen.
Een nieuw element in de Koning-Artur-romans is tevens de magië ende de
tooverië. Bedenken wij wel, dat de eerste bronnen zijn de Keltische en
Wallische sagen, die zich om de werkelijk historische figuur van een
zekeren koning, Artur, weven, met herinneringen aan de geheimzinnige
Angelsche wouden, herinneringen aan de Druïden-mysteriën, herinneringen
aan vroegere eeuwen, toen een somber, vreemd half Heidensch, half
Christelijk mystiek element zich openbaarde in eene natuur, die met
zware wolken, eeuwigen wind en geheimvolle wouden en wildernissen, den
bewoner van Wallis, Brittannië, Noord-Frankrijk omgaf. De tijden zijn nu
veranderd; de ridder, uit het Heilige Land terug, in zijn kasteel en
genietende daar tusschen zijne "maisniede"--hof- en huishouding--fijnere
weelde met, door zijn blik op de wereld, verwijde levensopvatting,
wenscht te hooren van "sa propre vie en beau" zoo als Taine[1] het zoo
goed uitdrukt, en de vinder schrijft hem den nieuwen ridderroman, dien
de jongleur hem toezingt in zijne burchtzaal, terwijl de veêler, op
zijne veêl, het epische reciet begeleidt. De edelvrouwen hooren toe,
bekoord om de nieuwe "hoveschhede", die "courtoisie", waarbij zij niets
dan gewonnen hebben in de "vernoye" of verveling van haar niet altijd
amuzante burchtleven. De ridder herkent in de "jeeste", de "chanson de
geste", als de roman heet, zijne eigene, ridderlijke lotgevallen, maar
gefestoeneerd met allerlei cier en zwier: draken bekampt hij er in en
wel honderd vijanden verslaat hij alleen in een enkele ure; reuzen
bestrijdt hij en verschrikkelijke reuzinnen en dan bekoort hem vooral te
hooren van die zonderlinge tooverië, van die mysterie-volle magie: de
Heilige Graal, waarnaar de Ridders van Tafel-Ronde op
"queste"--zoekingstocht--gaan; de Speer van Longinus, die Gods Zone, aan
het Kruis, stak onder het harte en sedert, bloedende, Zweeft door de
luchten.
[1] Histoire de la Littérature Anglaise.
Het is merkwaardig, hoe, in deze berijmde ridderromans--en rijm en
rhythme zijn wel veel luchtiger en bevalliger geworden dan zij in de
zware, monotone _couplets similaires_[2] van de vroegere Karel-romans
waren--deze tooverië, deze magië verwant is aan zekere verfijnde
werktuigkunde, waarmede vermoedelijk in die, na de verzwijmde
overbeschaving der Oudheid, op nieuw naïef gewordene, eerste
Middeneeuwen, door knappe en handige werktuigkundigen, toovenaars en
magisters van occulte wijsheden, indruk kon worden gemaakt op eenvoudige
geesten, zelfs op ridderlijke. Zoo heeft men dus de tooverfonteinen, die
een "bain de Jouvence" verschaffen, de Wonderboomen, van goud, waarop
gouden vogeltjes zingen en tal van meer verschijnselen van magie,
dikwijls op te vatten als meer of minder effectvolle, gecompliceerde,
werktuigkundige scheppingen, waarom tevens de fantazie van den "vinder",
de trouvère, die zijn roman dicht, niet zelden een dichterlijk waas
weeft, en niet altijd den lezer verraadt, dat de gouden Wonderboom met
de zingende vogeltjes hol is en boven een "duwiere"--gewelf--geplant
staat, in welk "duwiere" zestien mannen met acht blaasbalgen wind
toejagen om de vogeltjes te doen zingen.
[2] _Couplets similaires_ herhalen in de Karelromans een treffende
situatie twee, drie malen, met weinig verschil van uitdrukking. De
versregels, bestaande uit tien lettergrepen, van het dikwijls zeer
lange couplet--van drie tot honderd regels toe--eindigen op den
zelfden rijmklank of assonantie, wat op ons een zeer zwaren,
vermoeienden indruk maakt.
De Artur-romans zijn daarentegen gedicht in elegante, licht
trippelende verzen, van niet meer dan acht lettergrepen, twee aan twee
door zuiver consoneerende rijmen verbonden tot een zeer bevalligen en
toch epiesch blijvenden verhaaltrant.
In deze vreemde, oneigenlijke, ridderlijke, naïef-tooverachtige
atmosfeer--wij mogen haar zoo ongeveer in de elfde eeuw denken, even
voor de Gothiek, met nog den Romaanschen boog gecirkeld in den
ridderburcht, die zich in haar vroeg mediaevale waas verduidelijkt,
wenscht de schrijver zich eenigen tijd van de werkelijkheid onzer eigene
eeuw te verstrooien en noodt hij den lezer meê. Onmiddellijk
geïnspireerd is hij geworden door de Midden-Nederlandsche, vermoedelijk
oorspronkelijke dichting: de Roman van Walewein, door Penninc en Pieter
Vostaert, in den jare 1350 geschreven[3].(Of onze "Walewein" een
origineele schepping is of een bewerking en vertaling van een Roman de
Gauvain is een geleerde kwestie, die ons hier niet behoeft bezig te
houden). Prof. W.J.A. Jonckbloet gaf onzen Roman van Walewein naar het
handschrift uit, dat berust in de Bibliotheek der Maatschappij van
Nederlandsche Letterkunde te Leiden. De hedendaagsche schrijver, die dit
werk, tijdens zijne jaren lang geledene studiën in de Geschiedenis onzer
Nederlandsche Litteratuur bestudeerde en voorts voor zijn genoegen
herlas, heeft altijd gemeend: hier is een bron, om eens een eigene
schepping uit te doen wellen. En dit oogenblik is gekomen. Het Zwevende
Schaakbord is geschreven en... een soort humoristisch vervolg geworden
op den Midden-Nederlandschen roman van Penninc en Pieter Vostaert.
[3] Hoewel in 1350 geschreven, denke men de handeling van den
Walewein--en ook van mijn Zwevende Schaakbord--niet later dan het
eerste begin der Elfde Eeuw en dan nog in de regionen der fantazie en
niet der werkelijkheid....
Het Zwevende Schaakbord vertelt de avonturen van ridder Walewein na
zijne eerste "queste", maar laat eene periode van tien jaren verloopen.
De moderne schrijver noemt zijn ridderheld Gawein. Gawein is ook vaak de
naam van Walewein, wiens Keltische naam luidde bij de Wallische dichters
Gwalchmai (Valk van den Slag), vaak verlatinizeerd tot Galvanus of
Walganus. De schrijver heeft gemeend, dat Gawein stoerder en sterker
klonk dan het wel slappere Walewein. Hij heeft twaalf ridders geplaatst
rondom Koning Arturs Tafel-Ronde: dit getal wisselt wel eens in de
Middeneeuwsche romans, zelfs met vijftig, maar twaalf ridders zijn
genoeg voor schrijver en lezer om uit elkaâr te houden. Verder laat de
schrijver zijne ridders en edelvrouwen spreken een taal, die niet modern
Nederlandsch is. Dat zij geheel zuiver grammatikaal Midden-Nederlandsch
zijn zoû, durft de schrijver niet beweren. Hij had, na eene
verfrissching zijner studiën van jaren geleden, het wel op zich durven
nemen zijn sterken helden en zoete heldinnen zuiver grammatikaal de taal
huns eigenen tijds in den mond te leggen, maar vreesde, dat het voor den
lezer dan wel heel moeilijk zoû geweest zijn den dialoog te volgen. De
schrijver heeft dus een middenweg gekozen: hij emailleerde de gesprekken
van Lancelot en de koninginne Guenever, van Gawein en de zoete Ysabele
met Midden-Nederlandsche termen en tikjes; hij incrusteerde er zelfs
zijn eigen beschrijvenden stijl mede en spreekt dus wel eens van een
"foreest" in stede van een "woud" en van een "liebaert" in stede van een
"leeuw". Hij hoopt, dat noch dialoog, noch beschrijvende stijl op deze
manier, die een zekere "locale kleur" geeft, den beschaafden lezer
moeilijkheid bare, en dat de eerst fronsende lezer--om zoo veel
Midden-Nederlandsch email--spoedig de brauwen ontfronsen zal en wel heel
gauw op de hoogte zal komen. Moge professor en geleerde in onze
Midden-Nederlandsche Taal- en Letterkunde--mochten zij in een oogenblik
van verstrooiïng dit Zwevende Schaakbord wel willen volgen--den modernen
trouvère niet al te streng oordeelen over zijn maar hier en daar,
grillig-weg, Midden-Nederlandsch getint Nederlandsch, dat geen geleerde
creatie wil zijn, maar niet meer dan de vroegere chanson-de-geste of
ridderroman zelve was: eene "littérature d'agrément", die nu wel geen te
burcht gekomene Kruisvaarders wenscht te verstrooien, maar alleen de
pretentie heeft den modernen lezer een oogenblik te vermaken, en
misschien zelfs wel te ontroeren, want, we weten het nog allen heel
goed: het recept van den Humor is niet anders dan heel eventjes maar
ontwelden traan met heel eventjes maar ontlokenen glimlach te mengen en
vooral niet te doen snikken en schateren....
In het Middeneeuwsche handschrift, en ook in de editie van Prof.
Jonckbloet, komt een afbeelding voor van Gawein, als hij te paard, op
zijn goede ros, Gringolette, het Zwevende Schaakbord achterna rijdt. De
détails van de wapenrusting zijn wel heel curieus; maliëncotte en
wapenrok; helm met neêr geslagen vizier en "halsberg"--dikwijls naam
voor de geheele wapenrusting; soms alleen dubbele, vierkante platen, die
veel op oorkleppen gelijken--; en een ontzettend lange speer. Op
paardehoes, schild, wapenrok en halsberg en zelfs op "artsoen", of
hoogen zadelboog, is overal Gaweins wapen aangebracht, dat zoowel een
leeuwenkop als een everkop kan bedieden: dit hebben de hooge geleerden
niet uitgemaakt, geloof ik. De fiere appelschimmel, het edele strijdros
stapt met zijn berijder langs een naïeven boom aan een naïeve
bloemenweide, die zich met kinderlijk primitief maar gevoelig
perspectief verliest in de hoogte, terwijl het Schaakbord--let wel, met
zeven maal acht velden!--de lucht doorzweeft en den ridder tot volgen
noodt.
Mag ik nog één oogenblik over de uitspraak die ik zoû wenschen voor
mijne half Keltische, half Wallische en Angel-Saksische eigen-namen? Ik
zoû ze het liefst door den lezer gedacht of gezegd hebben--naar mate hij
hard-op of stil voor zich leest--met zuiver Nederlandschen klank. Dat
hij dus zegge: Guenever, met een Hollandsche G, een even aangezweemde
_u_, twee opene _e_'s en een derde _e_ die stom blijft. En dat hij
bij dien naam der zoete koninginne van Logres (spreek uit met een
Hollandsche _g_ en een _s_ aan het slot) niet denkt aan: jenever, want
dat zoû misplaatst zijn. De naam Guenever luidt wel eens later Ginevra,
maar dit klinkt mij te Italiaansch en luidde wel eens héél vroeger, in
de oertijden der Wallische zangers: Jenover en dat klonk mij al weêr te
archaïsch. Ik heb dus Guenever gekozen en den naam van de fee Morgueine
verzoek ik den lezer dus ook te willen uitspreken met een _g_ en even
aangetikte _u_.
Ik heb, hiermede, geloof ik, alles gezegd wat ik als Woord Vooraf had op
het hart. En dus kunnen wijken de wolken, die het ridderlijke verleden
van Tafel-Ronde nog bedekken voor onzen blik, en moge het Schaakbord
zweven....