RAASBOLLIUS, EELHART, FILIPYN.

_Raasbollius springende in zyn onderkleêren van ’t bed._

Waar’s dokter Urinaal? myn zeer geleerde vriend?

Zyt gy ’t heer advokaat! dat komt zoo wel als ’t dient!

Ik ben genegen nog een uur drie vier te praaten.

EEL. Ik moet nâ bed myn heer. RAAS. Ik zal u niet verlaaten,

Voor dat ik u een zaak, die ik daar heb gedroomd,

Of liever die my nu zo in de zinnen koomt,

Eens klaar vertoond heb. EEL. Maar myn heer, ik dien te rusten.

RAAS. Daar ’s aan gelegen. EEL. Heer, het zal my weinig lusten.

RAAS. ’t Is dienstig voor het land. EEL. Al was het nog zo goed.

RAAS. Gy zult verwonderd staan. EEL. Denk dat ik slaapen moet.

RAAS. Om zulken zaak zult gy het slaapen haast vergeeten.

EEL. Spreek op! zo gy perfors wilt hebben dat wy ’t weeten.

_Raasbollius rangeert eenige stoelen._

Ik heb een zek’re schans, recht vierkant, fraaij en sterk

Gepraktizeerd, waarop de vyand drie jaar werk

Zal vinden, eer hy die met stormen in kan neemen;

En om met woorden u niet aan het oor te teemen;

Zal ik ze timmeren op ’t midden van de vloer.

EEL. „’k Wou dat je met je schans voort naar sint felten voer.

FI. „Wat of hy doen wil? ’k kan ’t me zeker niet verzinnen?

„Wat drommel of hy met die stoelen zal beginnen!

„Hy haalt de kussens, van zyn bed, wel seldrement,

„Wie heeft zyn leeven zulk een malle quast gekend!

_Raasbollius na dat hy stoelen en beddegoed op malkander

gestapeld heeft._

Daar staat myn schans, die kan geen vyand ooit genaaken.

Hier stel ik myn kanon, om op hem los te braaken...

En aan dien hoek maak ik myn sterkste ravelyn...

En daar een halve maan, vlak onder die gordyn...

En ginds een horenwerk... al die my komt bespringen,

Zal die bedekte weg terstond tot wyken dwingen.

FI. Wel loop eens in uw’ schans, en defendeer ze dan;

Ik zal eens zien of ik ze alleen niet winnen kan.

RAASBOLLIUS _klimmende boven op zyn schans_.

Wel aan!

FILIPYN _hem omhalende_.

Daar leit de brui! RAAS. ô Schelm, ik zal ’t u betaalen!

Zult gy myn mooije schans op die manier omhaalen!

Op deeze wys wordt nooit een sterkte g’attakeerd.

FILIPYN _hem gooijende met kussens_.

Heel goed! nu leer ik jou hoe dat men bombardeert.

RAAS. Gy zyt een ezel, vent! ik toon het maar door stoelen,

Hoe dat het weezen moet. EEL. Ik prys myn heers gevoelen.

RAAS. Maar merkt gy in den grond de bouwkunst van die schans?

EEL. ô Ja. RAAS. Dan ziet gy wel dat nooit een vyand kans

Kan vinden, om zich zelf daar meester van te maaken?

EEL. Gewis. RAAS. En zulk een muur kan bom noch kogel raken.

EEL. Dat is onmogelyk. RAAS. Begrypje ’t nou niet net?

En hebt gy op ’t geheim der vinding wel gelet?

EEL. Niet al te wel. RAAS. Wel hoor, ik bouw een muur van veêren.

Laat daar de vyand vry zyn best op kanonneeren,

De kogels smooren, en zy maken nooit een bres.

FI. Myn heer, je bent een man als Aristoteles!

RAAS. Dat is een vinding, he! FI. Ja wonderbaarlyk aartig;

Maar maakt ze niet gemeen, die kunst is al te waardig.

EEL. „’k Word raazend zo de gek my hier nog langer bruidt!

RAAS. Nu gaa ik naar myn Oom, en slaap ter degen uit.

_Raasbollius binnen._

Drie blyspelen · 第 127 / 133 题