TWINTIGSTE TOONEEL.

_EELHART, FILIPYN, WAARD. RAASBOLLIUS op ’t bed._

FILIPYN. Nu zyn wy eindelyk ontslagen van die aapen.

EEL. Hoe is het hospes, is myn rytuig klaar of niet?

WAARD. ô Ja. Myn knecht blyft op, hy zal op uw gebied

U aanstonds helpen: maar je moet een fooitje geeven.

EEL. Wat hebben we verteert?

WAARD. „Dat’s vyf.... en twee maakt zeven,

Neen, ja... neen... vyf en twee maakt zeven, niet goê lien?

En tien maakt zeventien, en drie maakt twintig gulden.

FI. Hier hangt de schaar uit. EEL. Ik moet dat voor deez’ tyd dulden.

Daar ’s acht rijksdaalders, en een gulden voor den knecht.

WAARD. Ik dankje, heer, voor goê betaaling, ’t is zo recht.

Ik gaa nâ bed. Gy zult wel uit het huis geraaken,

’k Moet slaapen: want ik heb twee nachten moeten waaken.

Ik wensch myn’ heeren en de juffers goeje reis.

Drie blyspelen · 第 123 / 133 题