en
Mr. EVERHARD KRAEIVANGER.
Ik offer u, ô waarde vrinden,
Den vroomen Ridder Don Quichot,
Die zich iets groots dorst onderwinden:
Maar voor zyn daden wierd bespot,
Van volk dat hy niet wys kon maaken,
Dat Amadis en Palmeryn
En honderd Romanike snaaken
Geen leugens, maar vol waarheids zyn.
Ik voer hem hier ten schouwtooneele:
Opdat hy met zyn zotterny
Voor and’ren (zyns gelyken) speele,
Dat alle waan maar zotheid zy;
Hoe al des waerelds schoone dingen
Maar bij verbeeldingen bestaan,
En even als ’t geluid na ’t zingen
In wind en lucht terstond vergaan.
Wie kan den luister bet vergrooten
Van myn geringe Poëzy;
Als gy, die t’zaam als kunstgenooten
Dus lang de Wiskunst aan het Y
Geoeffend hebt en ingezogen;
Daar een van u my dikmaal hiel
Door schoone maatzang opgetogen,
Die al wie kunst bemint beviel:
Dies hoop ik zal ’t u niet mishaagen,
Dat ik, ô Minnaars van de kunst,
Dit blyspel aan u op durf draagen
Tot dankbaarheid, voor al uw gunst.