INLEIDING.

’t Algemeen verval onzer Letteren in het laatst der zeventiende en in het

begin der achttiende eeuw was ook op het tooneel duidelijk waarneembaar.

Reeds het nietig gehaspel der Nil-Arduanen met hun tegenstanders toont,

hoe weinig de Letterkunde nog kon voortbrengen. Een man als Thomas

Asselyn werd nagewezen omdat hij oorspronkelijk durfde zijn. En hoe veel

hooger staat hij dan de peuterige clubmannen.

Slechts Pieter Langendyk is in het begin der achttiende eeuw een

lichtpunt, dat, al is zijn lichtgevende kracht ook niet heel groot, toch

meehelpt om de duisternis een weinig dragelijk te maken. Langendyk geeft,

wat hij heeft, doet, wat hij kan, is daardoor natuurlijk en verwekt

dientengevolge onze sympathie. Daarbij bezit hij een andere eigenschap,

die hem boven vele andere kluchtspeldichters plaatst. Mag hij zich al

eens platte uitdrukkingen veroorloven, gebruikt hij misschien wel eens

woorden, die ons wat los toeschijnen, vies is hij nooit en nog minder is

hij er op uit om onkieschheden uit te rafelen.

Op zich zelve is die voor ons vrij negatieve eigenschap een groote

loftuiting, te meer wanneer wij letten op ’s mans afkomst en opvoeding.

Zijn vader toch was een metselaar en Langendyk zelf was zijn leven lang

niet veel meer dan een begaafd werkman.

In 1683 te Haarlem geboren, ontving hij niet veel onderricht, daar zijn

vader vrij spoedig stierf en zijn moeder niet goed op de zaken wist te

passen, zoodat beiden uit hun vroegere welvaart spoedig tot armoede

vervielen.

Langendyk, die veel lust in het teekenen had, moest voor zich en zijn

moeder den kost verdienen. Dat gelukte hem als teekenaar van een

damastweverij in Amsterdam, waarvan hij vrij goed kon bestaan. Wellicht

zou hij nog tot welvaart zijn gekomen, als zijn moeder wat beter had

gezorgd voor het huishouden. Toen hij in 1722 naar Haarlem verhuisde en

daar veel werk kreeg van damastweverijen bracht dit hem niet verder.

Zelfs de dood zijner moeder bracht geen uitredding, want de man trad in

het huwelijk en was zoo ongelukkig iemand te trouwen, die nog minder

zuinig was en hem bovendien nog het leven vergalde door haar slecht

humeur. Slechts twaalf jaar moest hij haar dulden. Toen stierf zij, maar

Langendyk, die zelf waarschijnlijk ook niet veel zuinigheid van zijn

moeder zal geleerd hebben, werd niet welvarender. Gelukkig werd hij op

andere wijze geholpen, doordat de regeering der stad Haarlem hem met den

titel van Stads-historieschryver een jaarlijksch traktement bezorgde en

een onderkomen in het Proveniershuis.

Daar stierf hij in 1756.

Reeds vroeg had Langendyk zijn liefde voor de kunst aan den dag gelegd,

behalve door teekenen ook nog door het dichten van blijspelen en andere

gedichten. Deze laatste hebben evenwel weinig waarde.

Op zeventienjarigen leeftijd reeds, schreef hij den Don Quichot, dat

door andere stukken gevolgd werd o. a. door zijn levendig blijspel: „Het

wederzijdsch Huwelijksbedrog” (Panth. 68). In 1715 verscheen behalve

„de Wiskunstenaars” ook nog „Krelis Louwen” (Panth. 5). Gedurende den

tijd, dat de windhandel in Europa een groote vlucht nam en ook hier werd

gedreven, schreef Langendyk een paar stukken naar aanleiding daarvan, nl.

den „Arlequyn Actionist” en de „Windhandelaars” (Panth. 5). Na langen

tijd rust verschenen eerst zijn „Xantippe” (Panth. 41) en vervolgens

zijn „Papirius of het oproer der Vrouwen binnen Romen”. De rij zijner

blijspelen werd gesloten door het beste, het fijnste stuk, getiteld,

„Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden”.

Drie blyspelen · 第 7 / 133 题