SATELLITEN VAN SATURNUS.

Omloopstijden. Afstanden in halve

middellijnen van den

ring.

I. 1 d. 21 n. 18 m. 27 s. 2.097.

II. 2 d. 17 u. 44 m. 22 s. 2.686.

III. 4 d. 12 u. 25 m. 12 s. 3.752.

IV. 15 d. 22 u. 34 m. 38 s. 8.698.

V. 79 d. 7 u. 47 m. 25.348.

Zie La Lande, § 860, 868, 869.

[54] La Lande, § 972.

[55] Toen het planetarium reeds aan den gang was, werd aan Eisinga,

door een goed vriend, de plaat van het planetarium van Desaguliers

vertoond. Het eerste planetarium, dat hij ooit gezien heeft, is dat van

Nollet, waarvan ik in mijne lessen gewoon ben gebruik te maken, en dat

ik hem voor het eerst den 16 Maart dezes jaars vertoond heb. Hoewel

Eisinga doorgaans eens des jaars naar Leiden, uit hoofde zijner

wolnegotie, reisde, had hij nimmer gehoord, dat de bibliotheek van

de Akademie dier stad met eene sierlijke beweegbare sphaera pronkt;

veel min had hij dezelve ooit gezien.

[56] Men treft er eene plaat en eene zeer korte beschrijving van aan

achter den Catalogus van de Leidsche Bibliotheek. De beschrijving

wordt herhaald bij Weidler, Hist. Astron. p. 563.

[57] Het planetarium van Desaguliers is beschreven in een daartoe

geschikt boekje, dat in het jaar 1737 te Amsterdam, als een vervolg

op den Korten Inhoud der lessen van gemelden schrijver, uitgegeven

is, en daarna, met eenige veranderingen, achter het eerste deel van

zijne Natuurkunde.

[58] Zie de beschrijving van dit werktuig in het werk van Vallemont,

Description de la Sphère, suivant les principes de Copernic; waarvan

een uittreksel te vinden is in de Acta Lipsiensia, 1708, p. 80.

[59] Zie Hist. de l' Acad. 1766, p. 162.

[60] Zie de plaat en beschrijving in the Description and use of the

globes and the Orrery, by Joseph Harris, the eighth edit. London 1757,

8vo. p. 152-185.

[61] Zie het laatste deel der Natuurkundige Lessen van dezen schrijver,

alwaar eene zeer volledige beschrijving en afbeelding van dit werktuig

te vinden is. Met planetarium van Martin, waarop deze Engelschman

zoo zeer roemt, was ook voornamelijk ingerigt, om de verschijnselen

van de beweging der Aarde aan te wijzen. Zie het beschreven in de

Philos. Brittann. vol. 3, p. 166.

[62] Ik noem het planetarium, dat Roemer te Parijs gemaakt heeft, het

eerste; het tweede, hetwelk hij na zijne terugkomst te Koppenhagen

gemaakt heeft, is door Horrebow beschreven. Zie hier vóór bl. 57,

noot (§).

[63] Gedeeltelijk maar bij Desaguliers, doch onvolkomen, waarom

hij wijzers gebruikt, die, op de bolletjes der planeten gehecht,

de lengte op de ecliptica aanwijzen.

[64] Zie Weidler, p. 565, in fine § 163.

[65] Descript. autom., in Opp. Reliq. t. 2, p. 159.

[66] Anleiting zur Kenntnis des gestirnten Himmels, sect. 3, 2de snede,

p. 509.

[67] Ik spreek niet van werktuigen, die enkel en alleen tot aanwijzing

der verschijnselen van Jupiters satelliten ingerigt zijn. Desaguliers

heeft er een van dien aard vervaardigd, hetwelk op zijn planetarium

kan gevoegd worden; doch hij heeft niet gemeld, dat Roemer, reeds

vijftig jaren te voren, een veel fraaijer en nuttiger werktuig van

dien zelfden aard uitgevonden en gemaakt had. Zie de beschrijving en

de teekening in de Basis Astronomiae van Horrebow, cap. 14, in het

derde deel zijner Opera Omnia, p. 115-136.

[68] Roemer, van wiens verrigtingen, zoo als gezegd is, Eisinga niets

wist, heeft de zelfde getallen gebezigd.

[69] De getallen, door Huigens gebezigd, zijn nog naauwkeuriger;

maar Huigens heeft tot de beweging der Maan vijf raderen, een groot

en vier kleine, gebruikt; doch naderhand een eenvoudiger zamenstel

van maar vier raderen uitgevonden. Mudge, een der beroemdste en

kundigste Engelsche horologiemakers dezer eeuw, heeft eene zeer

vernuftige wijze uitgevonden, om raderen in bepaalde omloopstijden,

met de grootste naauwkeurigheid te doen bewegen. Maggellan heeft deze

beschreven en op het voorbeeld van de gemiddelde beweging der Maan

toegepast, in zijne beschrijving van het zeehorologie van Mudge, welke

te vinden is in het Journal de Physique de l'abbé Rozier, Juin 1778,

tom. 11, p. 541. Doch vermits er; om de gemiddelde beweging der Maan

voort te brengen, 6 raderen, 4 rondsels en 2 schroeven zonder eind

gebruikt worden, blijkt het, dat het planetarium, het hemelsplein en

de maanwijzers ongemeen zamengesteld zouden moeten zijn, indien men

voor al deze stukken te zamen, en ieder der planeten in het bijzonder,

de gemelde wijze gebruikte.

[70] Gedurige breuken zijn dusdanige, waarin de noemer altoos uit

een geheel getal en breuk bestaat, bij voorbeeld

1 / (2 + (1 / (3 + 1/4))).

[71] Du Hamel, Histor. Acad. 1680, p. 192.

[72] Hoewel Huigens, in het berekenen der evenredigheden van de

omloopstijden der planeten met dien van de Aarde, dezen altijd op 365

d. 5 u. 50 m. gesteld heeft, voleindt echter de Aarde hare loopbaan

op zijn planetarium in 365 dagen: want (p. 166, plaat 3) het rad P,

dat in 4 dagen omgaat, werkt met 4 tanden op bet rad O van 45 tanden;

het rondsel Q van het rad O werkt met 9 tanden op het rad L van 73

tanden. Wanneer L ééns rond gaat, gaat de Aarde ééns rond: dus is de

omloopstijd van P tot dien van L, zoo als 4 maal 9 lot 45 maal 73,

of 4 tot 5 maal 73, of 4 tot 365. Maar P loopt ééns rond in 4 dagen:

dus L, en bij gevolg de Aarde, ééns in 365 dagen. Waarom Huigens dit

liever dan 365 d. 5 u. 50 m. verkozen heeft, is mij onbekend. Op de

Leidsche sphaera is de omloopstijd 365 d. 6 u. ongeveer.

[73] Ziehier tot voorbeeld, om het gezegde op te helderen, hoe men het,

onder anderen, zoude kunnen doen.

Aan het rad A, dat in 24 u. eens omgaat, voegt men een rondsel a van

13 tanden; dit werkt op het rad B van 49 tanden, waarvan het rondsel b

met 10 tanden op het rad C van 51 tanden werkt; dit heeft een rondsel

c van 5 tanden, dat op het rad D van 95 tanden werkt; dan zeg ik, dat

de omloopstijden van A en D ongeveer zullen zijn als 1 tot 365.242187:

want die tijden zijn zoo als het product der rondselen tot dat der

raderen; die producten zijn als 13 maal 10 maal 5 tot 49 maal 51 maal

95, of als 13 maal 10 tot 49 maal 51 maal 19, of als 130 lot 47481,

of als 1 tot 365.238460, hetwelk 3727/1000000 gedeelten van de

waarheid verschilt, of ieder jaar 3727/1000000 gedeelten van eenen

dag, dat is 5 m. 22 s., te klein zoude zijn, en dus in 300 jaren iets

meer dan een dag van het ware zoude verschillen. Deze rekening strekke

alleen tot een voorbeeld: want men kan zekerlijk nog nader bij de

waarheid komen.

[74] Zie hier eene verkorte tafel, alleen in minuten, hetwelk voor

het dagelijksch gebruik, om horologiën te stellen, genoeg is.

10 Jan. Zon achter 8 m.

20  ,,  ,,    ,,   11 ,,

31  ,,  ,,    ,,   14 ,,

10 Febr. ,,    ,,   15 ,,

20  ,,   ,,    ,,   14 ,,

28  ,,   ,,    ,,   13 ,,

10 Maart ,,    ,,   10 ,,

20  ,,   ,,    ,,   7 ,,

31  ,,   ,,    ,,   4 ,,

10 April ,,    ,,   1 ,,

14  ,,   ,,    ,,   0 ,,

30  ,,   Zon voor 3 ,,

10 Mei ,,   ,,  4 ,,

20 ,,  ,,   ,,  4 ,,

31 ,,  ,,   ,,  3 ,,

10 Junij ,,   ,,  1 ,,

15  ,,   ,,   ,,  0 ,,

30  ,,   Zon achter 3 ,,

10 Julij ,,    ,,   5 ,,

20  ,,   ,,    ,,   6 ,,

31  ,,   ,,    ,,   6 ,,

10 Aug. ,,    ,,   5 ,,

20  ,,  ,,    ,,   3 ,,

31  ,,  ,,    ,,   0 ,,

10 Sept. Zon voor 3 ,,

20  ,,   ,,   ,,  7 ,,

30  ,,   ,,   ,,  10 ,,

10 Oct. ,,   ,,  13 ,,

20  ,,  ,,   ,,  15 ,,

31  ,,  ,,   ,,  16 ,,

10 Nov. ,,   ,,  16 ,,

20  ,,  ,,   ,,  14 ,,

30  ,,  ,,   ,,  11 ,,

10 Dec. ,,   ,,  6 ,,

23  ,,  ,,   ,,  0 ,,

31  ,,  Zon achter 4 ,,

Zon achter (bij voorbeeld 8 m.) is te zeggen, dat het eerst 12 u. ware

tijd is, wanneer het reeds 12 u. 8 m. op den gemiddelden tijd is;

dat men dus 8 m. van den gemiddelden tijd moet aftrekken, om den

waren te hebben.

Zon voor (bij voorbeeld 3 m.) is te zeggen, dat het reeds 12 u. ware

tijd, of op de Zon, is, wanneer het nog 3 m. voor 12 u. of maar 11

u. 57 m. gemiddelde tijd is; dus moet men 3 m. bij den gemiddelden

tijd voegen, om den waren tijd te hebben.

Deze tafel is getrokken uit Berthoud, Art de conduite et de regler

les Pendules et les Montres.

[75] Varenius, Geographia Generalis, lib. III, prop. 6. Dit boek is

ook in het Nederduitsch vertaald.

[76] Men vindt er eene plaat en beschrijving van in zijne Anleiting

zur Kenntnis des gestirnten Himmels, die ook in het Nederduitsch

vertaald is. Ik ken weinige boeken, welke, in hunne soort, zoo

overheerlijk en bevattelijk geschreven zijn, als dit. Men behoort de

eerste en tweede plaat, naar het voorschrift van Bode, op te plakken;

dan is het hemelsplein zeer geschikt, om de sterren gemakkelijk

te leeren kennen. In de Nederduitsche vertaling is de eerste plaat

niet doorschijnend, zoo als zij het in het Hoogduitsch is, en, om

nuttig te wezen, behoort te zijn. Men heeft dan in de vertaling een

der schoonste stukken van het boek geheel nutteloos gemaakt, ten

zij dat iedereen dien misslag in zijn eigen exemplaar, zoo als de

vertaler het begeert, verbetere; dat zekerlijk voor velen moeijelijk

zijn zoude. Een liefhebber in deze stad heeft de lijnen van de eerste

plaat op een stuk glas gesneden, hetwelk zeer duidelijk en gemakkelijk

in het gebruik is. Doch ik weet uit ondervinding, dat het gebruik

van de verniste eerste plaat van Bode geenszins moeijelijk valt,

zoo als de vertaler voorgeeft.

[77] Zie er de teekening en beschrijving van in de Machines approuvées

par l'Académie, tome I, p. 136. Cassini heeft om den rand der onderste

plaat van dit schoone werktuig de maanden en dagen geteekend, dat

wel op de kaart van Bode geene plaats heeft; doch, dewijl de graden

van regte opklimmingen (ascensiones rectae) op deze geteekend zijn,

heeft men maar in de vijfde tafel, bl. 500 (in het Hoogduitsch), te

zien, welke graad voor den dag, dien men begeert, plaats hebbe. Ik heb

mij zeer wel bevonden met op den rand van de kaart de gemelde vijfde

tafel over te schrijven, zoo als ook de namen der sterren, welke door

iedere letter aangeteekend worden, en op bl. 497 te vinden zijn, en

er eindelijk de Grieksche letters en de grootte der sterren (welke

men op p. 467 en volg. en p. 492 en volg. aantreft) bij te voegen.

[78] In een klein werkje, dat tot titel voert: Description et usage

des Télescopes, microscopes, ouvrages et inventions de Passemant,

ingénieur du roi, au Louvre, à Paris, vindt men, p. 73, de beschrijving

van een schoon uurwerk, op hetwelk eene bewegelijke sphaera geplaatst

is. Nadat gemeld was, hoe naauwkeurig de omloopstijden der planeten

daarop verbeeld worden, zegt men: «Men ziet den op- en ondergang der

Zon voor al de landen der Aarde; de dagen lengen en korten regelmatig;

de jaargetijden volgen op elkander; de Maan wast en neemt af;

de eclipsen gebeuren in den zelfden tijd, als aan den hemel; men

ziet er de stilstanden en teruggangen der planeten en haren regten

loop; zoodat dit stuk den staat des hemels op ieder oogenblik te

kennen geeft.» Eene breedere beschrijving of plaat heb ik nergens

aangetroffen, weshalve ik niet weet, of de vertooning eenvoudiger dan

zamengestelder is dan hier, waar dit alles ook vertoond wordt. P. 81

vindt men ook de beschrijving van eene hemelglobe, die in 23 u. 56

m. 4 s. op zijne as draait, en om welke eene Zon zich in een jaar

beweegt. Dergelijke globen zijn meermalen vervaardigd.

[79] Dit heb ik zelf uit het Fransch moeten vertalen, omdat er eenige

duisterheid in de gedrukte Nederduitsche vertaling van deze plaats

gevonden wordt.

[80] Het komt mij, zoo uit de beschrijving als uit de afbeelding,

zeker voor, dat de Zon zich op dit kunststuk niet, zoo als op het

onze, in de ware ecliptica van het hemelsplein beweegt, maar dat

hare beweging enkel door den wijzer verbeeld wordt; ongeveer op de

zelfde wijze, als het in het jaar 1723 door den heer Meynier, op een

zeer kunstig uurwerk, werkstellig gemaakt is. Zie de beschrijving en

afbeelding van dit stuk in de Machines approuvées par l'Académie,

tom. IV, p. 59. De uitvinder had er ook eenen wijzer bijgevoegd,

om de plaats der Maan in den dierenriem, hare lichtgestalten enz. te

vertoonen; doch die wijzer is noch beschreven, noch afgebeeld, noch

aan de akademie van Parijs vertoond geworden.

[81] Ik volg hier de tafels, door Cruquius voor de hofstede van den

vermaarden Boerhaave, Oud-Poelgeest, nabij Leyden, op 52 gr. 12

m. noorder breedte gelegen, berekend; zie p. 15. Bij ons is het

verschil nog iets grooter.

[82] Omdat men in de zamenleving met geene halve dagen tellen kan,

maakt men de Maans-maanden, wanneer men daarmede rekent, zoo als

de Arabieren, bij voorbeeld, en de Turken, beurtelings van 29 en

30 dagen; zoodat 12 dergelijke maanden 354 dagen, of een Maan-jaar,

uitmaken. Doch, vermits 12 zulke maanden inderdaad ongeveer 8 u. 48

m. korter zijn, dan 12 Maansomloopen (wegens de 44 m., die er boven

de 29 1/2 dagen zijn), zijn 30 zulke Maan-jaren 11 dagen te kort;

weshalve men in 30 jaren 11 schrikkeljaren, van 355 dagen, gebruikt.

[83] Cosmographia Petri Appiani et Gemmae Frisii. Antverpiae 1584,

p. 189.

[84] De uitmiddelpuntigheid der Maan is 547/10000 gedeelten van haren

gemiddelden afstand van de Aarde.

[85] La Lande, § 559.

[86] La Lande, § 568.

[87] De gemiddelde grootste breedte wordt ongeveer op 5 gr. 9

m. gesteld. De sterrekundigen weten, dat hetgene, dat bij die

gemiddelde breedte, tot vereffening, gevoegd, of er van afgetrokken

moet worden, om de ware breedte te verkrijgen, afhangt van het

verschil, dat er is tusschen den dubbelen afstand der Maan van de

Zon, en den afstand der Maan van den klimmenden knoop; welke beide

afstanden hier, door hunne wijzers (§ 92, 106), aangewezen worden. De

sterrekundigen weten verder, dat die vereffening op het hoogst,

wanneer, namelijk, het gemelde verschil drie teekenen bedraagt,

ongeveer 9 m. uitmaakt, en in alle andere gevallen gelijk is aan de

vermenigvuldiging van die 9 m. door de hoekmaat (sinus) van het gemelde

verschil. Waaruit volgt, dat men door dit kunststuk de ware breedte

der Maan te allen tijde, zonder behulp van berekende Maantafels,

zeer gemakkelijk vinden kan.

[88] Dit voorbeeld is uit de Connoissance des temps getrokken; en omdat

het maar een voorbeeld is, heb ik het onnoodig geoordeeld, de tijden

tot den meridiaan en de breedte van Franeker over te brengen. Het zij

genoeg, aan te merken, dat de verschillen bij ons nog iets grooter

zijn dan te Parijs.

[89] Dr. Desaguliers, en na hem Wright, verbeelden de eclipsen met

een daartoe geschikt lantaarntje in de plaats der Zon te plaatsen,

opdat de Maan in de schaduw der Aarde zoude kunnen komen, of hare

schaduw, wanneer zij nieuw is, op de Aarde werpen, en dus eene Maan-

of Zon-eclips te weeg brengen; doch, zoo als Dr. Desaguliers te

regt aanmerkt (p. 479): «Schoon deze gesteldheid van het planetarium

toont, wat eene Zon- en Maan-eclips zij, vertoont zij echter niet,

wat er waarlijk geschiedt in opzigt van den tijd der eclipsen: want

zij vertoont eene eclips elke nieuwe en volle Maan enz.» Om de zaak

op die wijze naar waarheid te verbeelden, moeten de betrekkelijke

grootte van de Aarde, de Maan, den afstand der Maan van de Aarde, en

van de schaduw der Aarde, de zelfde onderlinge evenredigheid hebben

als in de natuur, hetwelk op een planetarium niet wel mogelijk is

te vertoonen. Waaruit blijkt, hoe veel naauwkeuriger en voldoender

de wijze is, welke door Eisinga gebruikt is; te meer, daar hier de

ware ongelijkvormige beweging der Maan plaats heeft, en in het andere

geval alleen de middelbare; hetwelk, al ware al het overige ingerigt,

zoo als wij gezegd hebben, nog eene afwijking van de waarheid te weeg

zoude brengen. Mijn bestek laat niet toe, dat ik hier over werktuigen

handelen zoude, welke men, om den tijd en omstandigheden der eclipsen

na te gaan of uit te leggen, gemaakt heeft. De hoogleeraar Segner heeft

er een van dien aard voor de Zon-eclipsen uitgevonden, en beschreven

in de Phil. Trans. No. 461, vol. XLI, p. 781. Ferguson heeft ook een

soortgelijk werktuig, voor de Zon-eclipsen, uitgevonden en beschreven

in dat werk, vol. XLVIII, p. 520, en naderhand, onder den naam van

eclipsareon, in zijne Astronomy explained, § 442. Om nu van het

schoone werktuig, reeds in den jare 1680 door Roemer vervaardigd

(zie Machines approuvées par l'Académie, t. I, p. 85), en van dat

van La Hire, hetwelk men in de uitlegging zijner astronomische tafels

beschreven vindt, te zwijgen.

[90] Want die halve middellijn der schaduw is gelijk aan het verschil,

dat er is, tusschen de halve middellijn der Zon (die op het minst

15 3/4 m. bedraagt) en de som van de verschilzigten der Zon en der

Maan, die op het hoogst 61 3/4 m. uitmaakt; dit verschil is dan 46 m.,

waarbij nog 46 s. voor de schaduw des dampkrings moeten gevoegd worden;

men heeft dan ongeveer 47 m. op het hoogst.

[91] Het verschilzigt is de hoek, welke twee lijnen, uit het middelpunt

der planeet, de eene naar het middelpunt der Aarde, de andere naar

de plaats van hare oppervlakte, waar de waarnemer zich bevindt,

getrokken, tusschen haar beide bevatten. Het horizontaal verschilzigt

heeft plaats, wanneer de planeet in de kimmen is.

[92] Histor. Natur. lib. II, sect. XIII.

[93] Alleen heeft er eene geringe verschikking plaats gehad in de

nummers der §§. In den eersten druk vindt men de § 76, 80 en 110

tweemaal, en door een teeken (*) onderscheiden; in dezen herdruk

zijn de nummers geregeld vervolgd. Omtrent die §§, welke in dit

bijvoegsel voorkomen, en van dezen herdruk verschillen, wordt dit

verschil aangewezen.

[94] De buitenste rand van deze wijzerplaat, alsmede die op de linker

pilaster, die den afstand der Maan van het verste punt aanwijst,

is in 30 graden verdeeld; welke graden, wegens de kleinheid dier

wijzerplaten, niet duidelijk konden worden afgeteekend op de plaat

No. 2.

[95] Nadat de vermoedelijke plaats van het onbekend hemelligchaam

door Leverrier was aangewezen. De loopbaan dezer planeet was ook

reeds door Adams berekend geworden.

[96] De hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand

der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.

[97] Onder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den

grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den

gemiddelden afstand.

[98] Deze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de

bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 61 / 61 题