BESCHRIJVING VAN HET DERDE EN LAATSTE GEDEELTE VAN HET KUNSTSTUK,
NAMELIJK, VAN DE MAANWIJZERS.
§ 87.
De Maan is voor de inwoners der Aarde, na de Zon, het voortreffelijkste
der hemellichten, hetwelk op de zamenleving den meesten invloed heeft,
en welker verschijnsels derhalve dubbel verdienen naauwkeurig vertoond
te worden. De Maan is hier wel op het planetarium zelve gebragt (§ 33),
en beweegt zich aldaar zoodanig om de Aarde, dat zij in 29 d. 12 u. 44
m. weder in conjunctie met de Zon komt; doch al hare verschijnsels
en bewegingen konden aldaar zoo naauwkeurig niet verbeeld worden,
als het wel behoort, deels om de kleinheid, deels om andere redenen,
die in de ongelijkheid van den loop der Maan gelegen zijn. Eisinga
heeft dan verscheidene Maanwijzers uitgedacht en vervaardigd, om de
aanmerkelijkste verschijnselen der Maan naauwkeurig te verbeelden,
hetgeen ik niet weet, dat op een eenig ander planetarium of werktuig
ooit werkstellig gemaakt is; weshalve dit derde gedeelte van ons
kunststuk, zoo niet volstrekt, ten minste ten opzigte van mij,
geheel nieuw is. Men zal ras bemerken, dat het het meeste vernuft
vooronderstelt, en de meeste moeite moet gekost hebben, zoo men
aanmerkt, dat al de bewegingen der Maan zeer ongelijkvormig, en,
als het ware, ongeregeld zijn.
Men kan de verschijnselen van den loop der Maan tot vier algemeene
klassen brengen:
I. De verschijnselen met betrekking tot de Zon, of de lichtgestalten
der Maan.