§ 1.
Het vertrek, waarin het kunststuk staat, en waartoe het als behoort,
is een langwerpig vierkant, dertien voeten breed, en ongeveer zestien
lang. De schoorsteen is in het midden van twee schuiframen, en de
zijde over den schoorsteen is net betimmerd, met eene bedstede in het
midden en eene kast aan weêrskanten. De ruimte boven de deuren der
kasten en de bedstede is met drie paneelen voorzien; het middelste
en grootste, dat boven de bedstede is, wordt van de twee anderen door
twee pilasters gescheiden.
§ 2.
De kamer heeft eene dubbele zoldering: de eene, die op de balken ligt
en in de kamer niet te zien is; de andere vijf tot zes duimen van
de balken af, zoodat er zich geene balken in de kamer vertoonen. Het
eigenlijk gezegd planetarium is daaraan gehecht, en het raderwerk in
de gemelde tusschenruimte, van vijf of zes duimen, verborgen. Ziehier,
hoe zich alles vertoont, wanneer men voor den schoorsteen of in het
midden der kamer staat.
§ 3.
De oogen naar boven slaande, ziet men een planeetstelsel, op
hetwelk al de Planeten zich rondom de Zon, in hare ware tijden en
betrekkelijke afstanden, bewegende, vertoond worden, en bovendien de
Maan, die in ééne maand, zoowel om haren as als om de Aarde draait,
en tevens met de Aarde in één jaar om de Zon gevoerd wordt. De
Planeten zijn allen bollen, van welke de halve oppervlakte verguld
is, welke vergulden zijde naar de Zon gekeerd is. De stijltjes, op
welke die bollen gevestigd zijn, gaan door sleuven, in de zoldering
cirkelswijze gesneden. Saturnus beweegt zich in eenen cirkel van tien
voeten middellijn. Deze cirkel wordt door eenen anderen omringd, op
welken een wijzer de schijnbare plaats en beweging der Zon, alsmede
de hemelteekens, maanden en dagen aanwijst.
§ 4.
Verder naar de bedstede treft men aan deze zoldering drie cirkels
aan. Op den rand van de middelste, die twee voeten in middellijn
beslaat, zijn de namen der zeven dagen van de week geteekend, en
ieder dag is in vier-en-twintig uren zeer zigtbaar verdeeld. Een
wijzer, die in zeven dagen ééns ronddraait, wijst iederen dag en
elk uur aan. In de ruimte tusschen den rand en het middelpunt is
eene sleuf, in welke men het jaargetal ziet. Dit getal blijft een
geheel jaar staan, en verandert des nachts van den 31 December op
den 1 Januarij daaraanvolgende, zoodat men met het begin des jaars
een nieuw getal aantreft. Deze cirkel, niets bijzonders behelzende,
zal in het vervolg geene nadere beschrijving noodig hebben.
§ 5.
Aan de regterhand van dezen cirkel (§ 4) is er een, waarop de
plaats van den klimmenden knoop der Maan aangewezen wordt; en aan de
linkerhand een ander, die tot aanwijzing van het verste punt (apogæum)
der Maan dient. Van die twee cirkels zal in het vervolg veel breeder
gesproken worden.
§ 6.
Boven de bedstede, in het middelste paneel, treft men een
schoon planisphaerium of hemelsplein aan, door eenen horizont of
gezigteinder van achttien duimen omringd. De rand des horizonts is
in uren verdeeld. Op het hemelsplein zijn de voornaamste sterren
geteekend, en ook eene in teekenen verdeelde ecliptica, op welke
zich een Zonnetje beweegt. Het hemelsplein doet dagelijks met de
Zon ééne omwenteling, en de Zon doorloopt bovendien de ecliptica in
één jaar. Men ziet derhalve op ieder oogenblik des daags de plaats
der Zon aan den hemel, en des morgens en des avonds de plaats en
het uur van haren op- en ondergang. Ook wordt men de standplaatsen,
den op- en ondergang der voornaamste sterren, die te Franeker gezien
kunnen worden, alle oogenblikken des daags en des nachts gewaar. Om
de sterren te gemakkelijker aan den hemel, hetzij door hare regte
opklimmingen (ascensiones rectae), hetzij door hare afstanden van
de acht voornaamste streken van het kompas, te kunnen vinden, nadat
men ze op het hemelsplein gezocht heeft, gaan er naar den horizont,
uit het middelpunt van het hemelsplein, eenige regte uurlijnen, en uit
het toppunt eenige kromme lijnen, die de gemelde streken verbeelden,
zijnde alleen de meridiaan, zoo als het behoort, regt.
§ 7.
Op het zelfde paneel, naast het hemelsplein, is aan ieder kant een
klein cirkelstuk: dat aan de linkerhand wijst het uur van Zons-opgang,
het andere dat van Zons-ondergang aan; behalve dat beide deze uren
op het oogenblik, dat de Zon inderdaad op- of ondergaat, door de
nagebootste Zon op den horizont van het hemelsplein aangewezen worden.
§ 8.
Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee
anderen afscheiden, zijn twee kleine wijzers. De bovenste aan de
regterhand wijst den afstand der Maan van haren klimmenden knoop aan;
de onderste den afstand der Maan van Aries, of hare lengte langs de
ecliptica gerekend; de bovenste wijzer aan de linkerhand toont aan,
hoe ver de Maan van haar verste punt (apogæum) van de Aarde af is, en
de onderste dient ter aanwijzing van den afstand der Maan van de Zon,
waaruit haar ouderdom en hare lichtgestalten (phases) kennelijk zijn.
§ 9.
Eindelijk is er op ieder der zijpaneelen, boven de kasten, een wijzer;
die aan de linkerhand wijst het uur aan van den opgang, en de andere
dat van den ondergang der Maan.
§ 10.
Ziedaar eene korte schets van alles, wat door dit schoone werktuig
aangewezen wordt. Een groot getal bewegingen, voorwaar! die alle in
en op haren behoorlijken tijd geschieden, en alle door één uurwerk,
maar uit vier raderen bestaande, veroorzaakt worden. Dit uurwerk, het
raderwerk van het hemelsplein, dat der maanwijzers en de rondsels,
die de beweging in het planetarium overbrengen, zijn in de ruimte,
die er boven tusschen de bedstede en kasten en de balken is,
verborgen. Het uurwerk wordt eenmaal 's weeks opgewonden, doch het
zoude niet moeijelijk te maken zijn, dat het langer konde gaan.
Hoewel al de deelen zoodanig onderling en met het uurwerk verbonden
zijn, dat zij allen te zamen hunne bewegingen volbrengen, vallen er
echter hieromtrent twee dingen aan te merken. Het eerste is, dat ieder
stuk gemakkelijk weggenomen kan worden, zonder dat de beweging der
overige gestoord wordt; hetwelk noodzakelijk is, om alle wanorde te
voorkomen, wanneer er, in vervolg van tijd, aan het eene of andere
stuk iets mogt komen te ontbreken, en om te beletten, dat alles,
om het gebrek van één stuk, zoude behoeven stil te staan.
§ 11.
De andere aanmerking is, dat, hoewel het geheele werktuig zijne
beweging van een uurwerk ontvangt, het echter zeer gemakkelijk er
van afgezonderd, en door een ander middel in beweging gebragt kan
worden. Te dien einde laat men het rad, dat de beweging van het
uurwerk ontvangt en aan alle de overige raderen mededeelt, door het
wegnemen van een paar wiggetjes, zakken. Dan staan al de bewegingen,
behalve dat van het uurwerk, stil. Vervolgens wordt eene as, die aan
het eene einde eene schijf, waarom een touw loopt, en aan het andere
eene schroef zonder einde draagt, door het losmaken van een schroefje,
nedergelaten; de draad van de schroef zonder einde vat alsdan de
koperen takken van een rad, hetwelk met al de overige verbonden
is. Dit touw loopt beneden in de bedstede over eene schrijf, welke,
in een der kasten, door eene kruk bewogen wordt. Wanneer men dan
de kruk omdraait, wordt het geheele werktuig met de hand, even als
te voren door het uurwerk, bewogen. Deze afzonderlijke beweging is,
om twee redenen, zeer dienstig: vooreerst, om hetzij aan liefhebbers,
hetzij aan leerlingen, indien men het werktuig tot onderwijs, waartoe
het zeer geschikt is, wilde gebruiken, al de verschijnselen, die door
de beweging van het uurwerk niet dan in verloop van vele jaren plaats
kunnen hebben, in eenen zeer korten tijd aan te toonen; ten anderen,
om door dit middel den toestand, die in vorige tijden reeds plaats
gehad heeft, of in volgende jaren plaats staat te hebben, na te gaan.
§ 12.
Het uiterlijke aanzien van het geheele stuk is reeds zeer net, en
zal sierlijk zijn, wanneer alles, volgens het bestek, geschilderd,
verguld en geteekend zal wezen, hetgeen in dezen zomer staat te
geschieden (1780). De schikking is ook zeer wel uitgedacht, vermits
dit anderzins omslagtig stuk geene plaats wegneemt, en van alle kanten
beter kan beschouwd worden, dan indien het in eene glazen kast in het
midden van het vertrek stond. Ook is het zeer aangenaam, dat men, in
de kamer zittende, de oogen maar heeft op te heffen, om den geheelen
planetenstand en den ganschen sterrenhemel te overzien.
§ 13.
Het gezegde zij, tot eene algemeene schets, genoeg. Doch, hoe
voordeelig men ook daaruit over het stuk mogt denken, zoude men echter
slechts een zeer flaauw denkbeeld van zijne innerlijke fraaiheid en
van het vernuft des makers hebben. Het zal derhalve noodig zijn, in
eenige bijzonderheden te treden, en sommige dingen wat naauwkeuriger
te ontvouwen.
Een opmerkend lezer heeft reeds kunnen bespeuren, dat dit kunststuk
geen enkel planetarium is, maar dat het uit drie onderscheidene
deelen bestaat.
1o. Het eigenlijk gezegde planetarium, dat aan de zoldering van de
kamer te zien is (§ 3).
2o. Het planisphaerium, of hemelsplein, met de daartoe behoorende
wijzers van den op- en ondergang der zon (§ 6, 7).
3o. De maanwijzers, die op de pilasters (§ 8), op de zijpaneelen (§
9) en aan de zoldering zelve (§ 5) te zien zijn. Deze wijzen allen
de ongelijke, en in schijn ongeregelde, bewegingen der maan aan.
Dit zijn de drie stukken, welke wij thans nader moeten beschouwen en
naauwkeuriger beschrijven.