VIII.

Antwerpen, "dat broeinest van ketters", zooals de Landvoogdes aan

Philips II schreef, "het Noordsche Genève", zooals de Gereformeerden

het noemden, verdiende die namen in den winter van 1566-67. Bestuurd

door zijn burgemeester Anthonie van Stralen, onder zijn markgraaf,

den Prins van Oranje, had het een gewetensvrijheid weten te veroveren,

die men elders in den lande vergeefs zou zoeken. Openlijk hadden

de Gereformeerden na den beeldenstorm in de ontwijde Roomsche

kerken gepredikt, ja doop en avondmaal bediend en zij hadden ze

eerst teruggegeven, toen men hun op drie plaatsen in de stad vaste

kerken aanwees, waar elken Zondag door Gereformeerde leeraars,

zoo Vlamingen als Huguenoten, het Woord Gods werd verkondigd en de

doop werd bediend. En de Lutherschen, de "Martinisten", zooals ze

werden genoemd, hadden dat voorbeeld gevolgd en ook zij hadden drie

bedehuizen weten te veroveren.

Wel had Margaretha van Parma toornig geëischt, dat men die bepalingen

zou intrekken, dat de openbare prediking niet langer zou worden geduld,

maar het volk van Antwerpen had dien eisch afgewezen: de kerken der

Hervorming bleven openstaan en Antwerpens grootsche kathedraal stond

daar nog altijd, ledig en ontwijd. De woelige Brederode had er een

poos vertoefd en werd door het volk op de handen gedragen, en wel

zond de Landvoogdes den Prins van Oranje er heen, om het gezag der

regeering te doen eerbiedigen, wel scheen de Zwijger geneigd, haar

te gehoorzamen, wel onderhandelde hij met de mannen van den Breeden

Raad, met de besturen der gilden en der cameren van Rhetorica--maar de

toestand bleef, zooals hij was. En de Landvoogdes, die Doornik weldra

voor haar wil zou doen bukken, die het kleine, oproerige Valenciennes

deed belegeren door de troepen van Noircarmes, zij durfde de machtige

handelsstad niet dwingen tot gehoorzaamheid,--nòg niet althans.

En ondertusschen werden dààr groote plannen gesmeed voor de

toekomst. De koning zou komen, ja, maar hij zou komen met een

groot leger, en allen, zoo de edelen als het volk, wisten, wat dat

beteekende. Zou men buigen? Zou men de pas verworven vrijheid des

gewetens weer prijs geven? Zou men toestaan, dat de Inquisitie, dàn

gehandhaafd door den sterken arm van het koninklijk gezag, weer de

verkondiging van het Woord Gods zou trachten te smoren?

Het was woelig in Antwerpen, in de laatste dagen van 1566. Het

consistorie der Gereformeerde Kerk zat niet ledig en onderhandelde

steeds met de andere kerken, zoo in de Nederlanden, als in

Frankrijk. Taffin, Petrus Dathenus en Herman Modet, meer volksmannen

dan Junius, hielden door hun heftige predikatiën een oproerigen geest

onder het volk levendig en verkondigden openlijk den aanstaanden val

van den Antichrist en de verlossing van het volk des Heeren. Jan van

Thoulouse, de broeder van Philips van Marnix en Jan van Treslong

wierven er, naar men openlijk vertelde, manschappen aan, om dan

te zamen met den graaf van Culemborch zich te verzetten tegen het

gezag des Konings en de Inquisitie uit het land te verdrijven. In

Duitschland, heette het, werden hulpbenden aangenomen, die, als het

tijd was, de beweging zouden steunen. De Prins van Condé zou hulp

hebben beloofd; een leger der Huguenoten stond gereed, de grenzen over

te trekken, om de broeders in Vlaanderen ter hulp te snellen. Zoo

sprak men en men verwachtte groote gebeurtenissen en men sprak het

benarde Valenciennes moed in. Het moest volhouden, het moest niet

bukken voor de macht der Landvoogdes. Er zou ontzet komen, zeker!

En Oranje? Hij moet geweten hebben wat er broeide; zijn broeder

Lodewijk en zijn beste vrienden waren in de beweging betrokken. Voor

het oog was hij de regeering getrouw, maar heeft hij niet gedacht, dat

de ure der bevrijding toen reeds zou slaan? Heeft hij niet gemeend,

dat het gewapend verzet van de mannen van Antwerpen de vonk in het

buskruit zou zijn, die den opstand door het geheele land zou doen

ontbranden? Wie zal het zeggen? Hij heeft al wat daar geschied is

in het voorjaar zien aankomen; hij schijnt de beweging te hebben

begunstigd, hij heeft haar althans niet verhinderd. Maar toen deze

stoute zet op het politieke schaakbord te vroeg bleek gedaan, heeft hij

met gevaar van zijn leven Antwerpen behoed voor de wraak der regeering

en niemand kon hem beschuldigen, dat hij deel had aan de onderneming,

die zulk een rampzalig einde moest nemen.

De ure der vrijheid had nog niet geslagen!

De grauwe Decembermorgen brak over Jacob Martens en zijn beide

metgezellen aan, toen zij door de vlakke velden van het rijke "Land

van Waes" heentogen naar de groote Scheldestad. Zij hadden onderweg

niet veel gesproken. Pieter de Welle, die het landschap door en

door kende, had zorgvuldig de groote wegen vermeden, en hen langs

binnenpaden en door weilanden voortgeleid. Soms had hij hen met

een kort woord gewaarschuwd, hem op den voet te volgen, omdat de

streek moerassig was. Nu hadden zij eindelijk een breede heerbaan

bereikt. De Welle wierp een onderzoekenden blik naar alle kanten,

maar hij zag niets, wat hen kon verontrusten. Het winterlandschap lag

doodsch en eenzaam; slechts de rook, die opsteeg uit de schouwen der

boerenwoningen, die hier en daar tusschen hoog geboomte verscholen

lagen, toonde aan, dat hier menschen woonden. De koddebeier knikte

tevreden. Hij haalde brood en spek uit de linnen tasch, die hij om de

schouders droeg, en gaf het zijn beide reisgenooten, die gretig hun

eenvoudig ontbijt nuttigden. Opeens begon broeder Bernardus, die met

zijn magere gestalte in het huismanspak, dat hem veel te wijd was,

een zonderlinge vertooning maakte, luide te lachen. Pieter de Welle

fronste het voorhoofd en zag hem uitvorschend aan.

--"Wat lacht ge, Gheleijn de Keijzer?" zei hij stroef. "Wacht liever

met uw vroolijkheid, tot wij, door Gods goedheid, veilig binnen

Antwerpen zijn."

--"Ik lach om dien dommen convers," zei de beweeglijke man, dien

Jacob Martens slechts had gekend onder den naam van broeder Bernardus,

maar die nu weder Gheleijn de Keijzer heette, als vroeger. "'t Was de

"botte Peer-Tist", zooals wij hem in het klooster noemden. Of hij heeft

durven schreeuwen? En hoe hij het bij den sub-prior zal goedmaken,

dat hij des nachts met een gevulde bierkruik uit den kelder kwam? Ik

wou ondertusschen, dat ik een teuge biers hier had, want mijn keel

is zoo droog, als een preek van vader Anselmus in de vasten."

--"Was dan bij de vleeschpotten van Egypte en uwe Paepsche afgoderijen

gebleven!" bromde de Welle norsch. "Wat deedt ge het klooster te

verlaten, man, wanneer ge nog hunkert naar het patersbier, als God

u pas heeft bevrijd."

--"Is dat mijn dank, omdat ik u geholpen heb den jonker uit het

klooster te krijgen?" zei de zonderlinge man lachend. "Houd het mij

ten beste, jonker Martens," vervolgde hij tegen Jacob, "zoo ik een

loshoofd schijn. Ik ben zoo dartel als een jong veulen in de wei,

nu ik die verwenschte witte pij heb uitgetrokken."

--"Waart ge het kloosterleven zoo moede, broeder Bernardus?" vraagde

Jacob, verwonderd over de verandering van den vroeger zoo schuwen,

stillen man.

--"Noem mij niet meer met dien verbruiden kloosternaam! Ik ben weer

Gheleijn de Keijzer, meester in de conste van het snijden en drijven

van koper, die ik vroeger was, vroeger, eer ik mij, gefoold door booze

gedachten, omdat een deerne mij had bedrogen, in de pij liet steken."

--"Of er nog een vroom predikant uit u groeien mocht, als de godzalige

Dathenus en Modet, of Octiviaan van Bacourt, die dienaar des Woords

is te Laventhie, en die ook een witheer was," meende Pieter de Welle.

--"Een predikant? Zeg liever een goed landsknecht of een ruiter! Ge

zegt immers, dat het aan den dans gaat met de knechten der

Landvoogdes?" lachte de andere.

--"Maar ge behoort toch tot de onzen? Ge zijt toch mede van de

gesuyverde religie?" vraagde Jacob bevreemd.

--"Van de gesuyverde religie? Zeker wel! Leert gijlieden niet, dat

men de kloosters moet sluiten, en dat monniken en nonnen moeten

hijlikken? En dat vasten en penitentie Paapsche bijgeloovigheden

zijn? Ik behoor tot u, met lichaam en ziel! Reken op Gheleijn de

Keijzer."

Jacob zweeg. Zijn eenvoudig, vroom gemoed kon de lichtzinnigheid van

den ander niet begrijpen. Hij had met hart en ziel de zaak des geloofs

en der vrijheid omhelsd, hij had voor zijn overtuiging alles veilgehad:

zijn toekomst, zijn liefde, zijn levensgeluk. Hij begreep niet, dat er

onder de strijders voor de vrijheid óók konden zijn, wier geestdrift

welde uit troebele bron en die de heilige zaak dienden om vaak zeer

onedele beweegredenen.

Na een korte rust brak het gezelschap weder op. Het duurde nu niet

lang meer, of de statige toren van den Dom van Antwerpen trad uit de

morgennevelen te voorschijn. Het werd drukker op den weg, want tal

van landlieden gingen stadwaarts, zoo te voet, als met de Vlaamsche

huifkarren. Nog altijd keek Pieter de Welle met scherpe blikken rond,

maar er was niets verdachts te bespeuren, en zonder bemoeilijkt te

worden bereikten de drie mannen de breede Schelde. De winter was tot

nog toe zacht geweest en er was geen ijs op de rivier. Zonder moeite

vonden zij plaats op een der veerponten, die het verkeer der machtige

handelsstad met Vlaanderen onderhielden, en weldra betraden zij de

drukke straten van het "Vlaamsche Genève". Zij waren er in veiligheid:

het trotsche Antwerpen had het juk der geloofsvervolging afgeworpen

en zelfs de invloed van den president van den Raad van Vlaanderen zou

niet groot genoeg zijn, om de Magistraat te bewegen, zijn zoon uit

te leveren, wanneer die er eenmaal in geslaagd was zich te stellen

onder de bescherming van de hoofden der Geuzen, die er een tijd lang

feitelijk de macht in handen hadden.

Pieter de Welle, die ook in de stad welbekend was, leidde zijne

beide metgezellen langs den kortsten weg naar de "Meere", het groote

marktplein der stad, waar zich de taveerne de "Fonteyne" bevond,

dezelfde herberg, die Jan van Treslong in het voorjaar aan Jacob

Martens genoemd had, als het hoofdkwartier der Geuzen.

Hoewel het nog vroeg in den morgen was, was het reeds druk in de

taveerne, en de waard, een stevige kaerel, die brutaalweg op zijn

muts van otterbont een Geuzenpenning droeg, had het met zijn knecht

druk om de ongeduldige gasten te bedienen en hun de kroezen heet bier

te reiken, die zij telkens verlangden. Die gasten vormden een vreemd

mengelmoes: men zag er den fluweelen of fijn laken mantel, met bont

omzoomd, van den edelman, zoowel als de grofgreinen pij van den huisman

en het zwart lakensche wambuis van den deftigen poorter. Er werd

heftig en druk gesproken, en de gezichten stonden ernstig en strak.

Het binnenkomen van de Welle en zijne beide metgezellen veroorzaakte

eenige opschudding. Sommigen staakten hun gesprek, anderen keken

den waard vragend aan, maar deze, die met den koddebeier een

vriendschappelijken groet had gewisseld, knikte even geruststellend,

en dat scheen voldoende, want de gesprekken werden weder voortgezet.

De Welle eischte een kroes heet bier voor zich en zijne beide

makkers. Toen zette hij zich neer op een der lage houten banken en

monsterde het gezelschap met een opmerkzamen blik. Op de bank in

de breede schouw--de eereplaats--zaten een paar edellieden en voor

hen stond een forsch, breed geschouderd man, die sprak met heftige

gebaren en een toornigen gloed in de oogen. Hij was gekleed als een

Vlaamsche boer en hield de wollen muts in de hand, maar iets in zijn

houding en gebaar toonde, dat hij niet de eenvoudige huisman was,

die hij schijnen wilde.

Pieter de Welle boog zich voorover naar Jacob.

--"Ziet ge dien grooten kerel daar, jonker, die met die edellui

aan het redekavelen is? Dat is Jean Denijs, de vroegere baljuw van

Roosbrugge. Hij is door den gouverneur afgezet om zijne geuzerije en nu

is hij een van de felste aanhangers van den Heer van Brederode. Zie,

hoe driftig hij zich maakt! Zeker willen die twee niet naar hem

luisteren."

Jacob keek naar den haard en met blijdschap herkende hij in een der

edellieden jonker Jan Blois van Treslong. Ook de Welle herkende den

jongen edelman.

--"Daar zit zoo waarlijk de jonker van Treslong!" riep hij

luidruchtig. "Die zal ons voorthelpen," en zonder er zich om te

bekommeren, dat hij de drie mannen in hun gesprek stoorde, trok hij

Jacob mede naar de schouw.

Treslong herkende hen terstond en ontving hen hartelijk.

--"Zoo, jonker Martens," zei hij vroolijk, "ge hebt dan toch mijn

uitnoodiging niet vergeten? Zijt ge er in geslaagd, den gestrengen

President om den tuin te leiden?"

--"Maar dat vertelt gij mij later wel eens," ging hij voort, toen

hij zag, dat zijn vraag Jacob pijnlijk aandeed. "Laat ik u eerst

voorstellen aan mijn vriend en krijgsmakker, den Heer van Thoulouse."

De andere edelman, een tengere jonge man, met een ernstig, schrander

gelaat, boog en schudde Jacob vriendelijk de hand. Eerst later dacht

de jonge man er aan, dat niemand eenige bevreemding had laten blijken,

dat zij hem zagen in huismanskleeren, maar het duurde niet lang of

hij bemerkte, dat de gasten in de taveerne de Fonteyne lang niet

altijd waren, wat ze schenen.

Hij was de Welle zijns ondanks gevolgd en wilde zich nu bescheiden

terugtrekken, maar Blois van Treslong hield hem tegen.

--"Gij zijt van de onzen, jonker Martens," zei hij gul, "en voor de

Welle hebben wij geen geheimen. Wees gerust, allen, die hier zijn,

weten, dat er groote dingen op handen zijn, en de spionnen van de

regeering zullen zich hier niet zoo licht wagen. Wij zijn gereed te

strijden voor de gezuiverde religie en de vrijheden des lands, maar

onze vriend Denijs hier wil ons overhalen tot een dwaze onderneming,

die tot niets goeds kan leiden."

--"Ik zeg nog eens," zei de forsche man, met een stem, die trilde van

bedwongen toorn, "dat wij verraders zijn van de goede zaak, als wij

de broeders te Valencijn zonder hulp laten. Is het niet onze zaak,

die zij daarginds verdedigen? Hebben niet de vrome predikanten de Bray

en Herlin gehandeld in 't geloove en vertrouwende op de hulpe Gods? En

zou hun geloof door onze flauwhartigheid beschaamd worden? Valencijn

mag niet verloren gaan! Het is de poort, waardoor onze broeders,

de Huguenoten, het land zullen binnenrukken..."

Treslong haalde ongeduldig de schouders op. De Heer van Thoulouse

nam het woord.

--"Geloof mij, vriend Denijs," zeide hij ernstig en met waardigheid,

"het lot van onze broeders gaat ons niet minder ter harte dan u. Maar

wij mogen niet alles wagen aan een zoo onzekere kans. Ge weet, dat er

groote dingen te wachten zijn. Ge weet, waartoe wij hier zijn. De heer

van Brederode versterkte Vianen, in Duitschland zijn vendels geworven,

hier... maar ge weet dit alles zoo goed als wij. We moeten wachten,

omdat overijling alles zou doen mislukken."

--"En ondertusschen moet Valencijn worden uitgemoord door Noircarmes

en zijn benden?" zeide Denijs bitter.

--"Laat ons hopen, dat het niet zoover komen zal, en het zàl

zoover niet komen, zoo God wil," zeide Thoulouse. "De broeders te

Valenciennes zijn vrome mannen, maar geen krijgslieden. Ze hebben

onberaden gehandeld, zonder eerst te vragen naar den raad van hen,

van wie zij nu hulp verlangen. Maar de stad is sterk; ze kan het

weken tegen Noircarmes uithouden. Nog een paar weken,--en alles zal

gereed zijn tot den grooten slag, dien wij willen slaan. Ge weet,

wat ik bedoel, Denijs! En gelukt onze onderneming, dan sluiten de

edelen zich bij ons aan, tal van steden in het Zuiden kiezen onze

partij. Brederode rukt op uit Vianen, Condé en zijn Huguenots zullen

ons helpen, de Duitsche vendels rukken aan ter versterking en wij

zullen Mevrouwe van Parma en den Koning dwingen, ons toe te staan,

waarom wij tevergeefs hebben gesmeekt: de vrijheid van religie en de

afschaffing der Inquisitie. Dan wordt Noircarmes vanzelf genoodzaakt

het beleg van Valenciennes op te breken. Deden wij uw zin, kwamen

wij thans openlijk in verzet, vóór alles gereed is, dan zouden

wij de stad misschien kunnen ontzetten voor korten tijd, maar wij

zouden op den duur stellig de nederlaag lijden tegen de troepen der

Landvoogdes. Valenciennes moet geduld hebben."

--"En terwijl gij plannen beraamt en uw luchtkasteelen bouwt, neemt

Noircarmes ondertusschen de stad misschien met storm en worden onze

broeders vermoord," zeide Jean Denijs bitter. "Neen, jonker van Marnix,

wij kunnen niet wachten. Met u, of zonder u,--wij zullen Valencijn

verlossen. Wèl zegt de vrome Cornelis, dat het den Heere hetzelfde is,

verlossing te geven door velen of door weinigen!"

--"Cornelis? Is dat niet de wezen hoefsmid, die te Laventhie heeft

gepredikt?" vraagde Treslong. "Neem u in acht, Denijs, de Eerwaarde

Junius noemt den man een gevaarlijk geestdrijver."

--"Omdat hij spreekt, wat de Geest hem geeft te spreken!" riep de

vroegere baljuw bijna toornig. "Ik zeg u nog eens: God zal met ons

strijden, Heeren! Wacht niet tot het uw tijd is! Sla toe op Gods tijd!"

--"Wat wilt gij met uw gewapend landvolk tegen de vendels van

Noircarmes?" zeide Treslong schouderophalend.

--"Wij hebben meer! De broeders Wattepatte te Laventhie, die getrouwe

dienaren van God en zijn kerk, zijn de laatste weken ijverig bezig

geweest. Zij hebben geld verzameld en soldaten geworven: acht vendels

Franschen en Walen. Ze zijn in 't geheim gelegerd in de trouwe dorpen

van den Westhoek,--maar dat kan niet lang duren. De huislieden lijden

last: 't zijn rauwe gasten, al strijden zij voor een goede zaak. Ook

daarom moeten wij toeslaan, voor de vendels verloopen. Nog eenmaal,

trekt gij met ons op?"

Thoulouse en Treslong wisselden een blik van verstandhouding.

--"Wij kunnen niet en wij mogen niet!" zeide de eerste, zacht,

maar beslist. "En wij bidden u, Jean Denijs, zie af van die dwaze

onderneming."

--"Welnu, dan zonder u! Gods vloek over u, gij edellieden zonder hart,

die het arme volk laat vermoorden!" riep de forsche man toornig,

en hij wendde zich driftig af, terwijl hij naar hoed en mantel

greep. Eensklaps echter keerde hij terug.

--"Neen, zoo wil ik toch geen afscheid van u nemen, heeren!" zei hij

hartstochtelijk. "Gij meent het wèl met de kerke Gods, ook al zijt

ge gevangen in het net der wereldsche politieke redenen. Vaartwel,

we zullen elkander misschien hier op aarde niet wederzien!"

Hij reikte hun de hand ten afscheid, en wilde heengaan.

--"Halt! neem mij mede, als het er op los zal gaan," riep plotseling

een zenuwachtige stem, en Gheleijn de Keijzer, de gewezen broeder

Bernardus, die ongemerkt genaderd was en het gesprek had aangehoord,

versperde den baljuw stoutmoedig den weg.

--"Neem mij mede," herhaalde hij, "en geef mij een armborst en

degen. Ik kon den vogel raken in mijn jeugd; en ik verlang er naar,

weer eens een bout te doen vliegen!"

--"Wie is dat? Wat wil die man?" vroeg Jean Denijs verwonderd.

Pieter de Welle trad op hem toe en fluisterde hem iets in. De baljuw

keek den gewezen monnik scherp aan.

--"Ge hebt geluisterd?" vraagde hij kortaf.

--"Met uw verlof, heer hopman of wat ge wezen moogt," zei de

zonderlinge man, "ik zou wel eens willen weten, hoe ik het had moeten

aanleggen om niet te luisteren. Ge hebt waarlijk luid genoeg gesproken,

om op de Meer te worden verstaan. Ik zeg nog eens: Neem mij mede. 't

Zal niet voor de eerste maal zijn, dat ik een kruisboog of een degen

heb gehanteerd."

--"En wie zegt mij, dat gij geen spion van Noircarmes zijt?" vraagde

Denijs.

--"Deze jonker, dien ik uit het klooster heb helpen ontvluchten, op

gevaar van mijn hals," antwoordde Gheleijn de Keijzer vrijmoedig. "Als

die van Gent of mijn vrienden, de Witheeren, mij in hunne handen

mochten krijgen, dan wacht mij de strop."

--"En toch wilt ge uw hals wagen in een onderneming, waar het heet zal

toegaan en die deze heeren te gewaagd achten?" zeide Denijs spottend.

--"Dat is wat anders!" meende Gheleijn; "zoo ik slagen krijg, ik

zal er ook kunnen uitdeelen, en als ik mijn hals waag, dan doe ik

het tenminste voor een goede zaak. Dat is heel wat anders, dan op de

Vrijdaegsmarkt te Gent te staan bibberen, tot de Roode Roê het stokje

breekt en dan te worden opgehangen, als een varken aan de leer."

--"Waarom wacht ge niet liever met den jonker en de Welle op de

groote onderneming, waarvan de heeren spreken?" vraagde Denijs niet

zonder bitterheid.

--"Ik heb lang genoeg gewacht! Zie, heer, ik ben kunstenaar geweest en

in een onzalig oogenblik heb ik mij in de pij laten steken. Zes jaren

van mijn leven heb ik in 't klooster doorgebracht. Ik ben ziek van het

knielen en gebeden prevelen, ik walg van meditaties en penitenties. Ik

wil leven, leven zooals vroeger,--al was het dan maar een korte poos."

--"Dat laatste kunt ge gedaan krijgen!" zeide Denijs grimmig. "Kom

mede, man! Vaartwel, heeren!"

Na een haastig afscheid volgde Gheleijn de Keijzer zijn nieuwen

aanvoerder. Een paar mannen in schippersdracht, die in een hoek van

het vertrek het gesprek zwijgend hadden aangehoord, ledigden hunne

"pottekens" en sloten zich bij de twee mannen aan.

--"Dat is een dapper man!" zeide Jacob, terwijl hij Jean Denijs

peinzend nakeek. Het liefst had hij zich bij de moedige strijders

aangesloten, die in ongelijken kamp hun leven gingen wagen voor

hunne broeders, maar hij gevoelde zich nog te vreemd in deze nieuwe

omgeving, en te jong en te onervaren om te durven handelen tegen het

gevoelen van Treslong en Thoulouse, die zich zoo ernstig tegen het

plan hadden verzet.

--"Een dapper man, maar een dweper!" zei Treslong. "Die van Laventhie

loopen blindelings in hun verderf. Die predikant Cornelis, en ook Modet

en Dathenus hebben het volk in het Zuiden letterlijk dol gemaakt. Men

hoort er van niets dan van St. Gideon, meen ik, die de Sarracenen

versloeg ..."

--"Hei wat, Jan," viel Thoulouse hem in de rede, "de Eerwaarde

Junius moet u beter uw bijbel leeren. Als mijn broeder Philips

u hoorde! Gideon was een richter in Israël, die zijn volk van de

Midianieten verloste,"

--"Dat waren Sarracenen!" hield Treslong vol.

--"Vraag het aan Junius!" zei de ander glimlachend. "En laat ons niet

spotten met het geloof van die eenvoudigen."

--"Geloof? Geestdrijverij! Wat kunnen zij met hun bijeengeraapte

vendels uitrichten tegen de veteranen van Noircarmes?" vraagde Treslong

driftig. "Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken," dat staat óók

in den bijbel, "Jan van Marnix."

--"Het is waar! En ik vrees, dat zij het zullen ervaren, dat daarop

geen zegen rust!" zei Thoulouse treurig. "Om te doen, wat Gideon

deed, moet men zich als Gideon geroepen weten. Maar daar is hopman

van der Aa..."

Een kort, gezet man, met een rood, verhit gezicht, was de taveerne

binnengetreden. Hij was gekleed in zwart fluweel, met roode sjerp en

bandelier, waarin een degen hing, die veel te groot scheen voor zijn

korte gestalte. Hij wierp een onderzoekenden blik door het vertrek

en trad, zoodra hij de edellieden bemerkte, driftig op hen toe.

--"Hebt ge 't gehoord, heeren," riep hij, zonder zijn rood gepluimden

hoed af te nemen, "Denijs trekt met zijn mannen weg en er hebben zich

nog meer bij hem aangesloten. Wat moet dat geven, als die domkoppen

reeds nu zóó beginnen?"

--"Wij weten het, helaas, hopman," zei Thoulouse, "en wij betreuren

het niet minder dan gij. Maar ga zitten; ondertusschen hebben wij

hier twee nieuwe recruten, die wij aan u willen voorstellen."

Simon van der Aa, de dappere hopman van Brederode en tevens een handig

werfofficier, zette zich bij het gezelschap aan de tafel, want ook

de Welle, die, zooals Jacob weldra bleek, hoog bij de aanvoerders

der Geuzen stond aangeschreven, werd door de beide edellieden

uitgenoodigd; de bierkroezen werden door den waard gevuld met goed

Utrechtsch bier, "heet ende gecruyt", en weldra sprak men druk over

het groote onderwerp: de aanstaande onderneming tegen de Regeering, en

de plannen des Konings, die, naar men zeker wist, met een groot leger

naar zijne erflanden zou komen, om aan elk verzet een einde te maken.

Het moge vreemd klinken, dat men in een stad als Antwerpen, op

klaarlichten dag, in een taveerne, waar ieder toegang had, openlijk een

samenzwering smeedde en plannen beraamde tegen de bestaande regeering,

toch was dat werkelijk de toestand. Antwerpen was in den winter van

1566-1567 feitelijk in de handen der Geuzen. Niet alleen werd er elken

Zondag in de kerken openlijk gepredikt, maar er werd evenzeer openlijk

volk geworven voor Brederode en zijne medestanders, en hopman van

der Aa stak zijn plannen niet onder stoelen en banken. Nog weinige

weken en het Geuzenlegertje zou met vliegende vaandels en slaande

trom Antwerpens straten doortrekken en de poort uitrukken, zonder

dat de Magistraat dit kon of wilde beletten.

Nog dienzelfden dag nam Jacob dienst bij hopman van der Aa, als

"cadet". Treslong bezorgde hem een kwartier in zijn eigen woning en

bediende zich van hem als geheimschrijver. Zoo kwam hij op de hoogte

van den toestand. Hij begon meer en meer te begrijpen wat Oranje,

Brederode en Nieuwenaar beoogden. Hij wist ook, dat Egmond, op wien

het volk nog steeds hoopte, ondanks zijn streng optreden tegen de

beeldstormers, zijn vroegere medestanders den rug had toegekeerd en

zich schaarde aan de zijde der Regeering. Maar in hoeverre Oranje

Brederode's plannen goedkeurde, wist hij niet en meer en meer scheen

het hem toe, dat de bondgenooten het zelf niet wisten.

Voor het overige scheen hij veilig onder de bescherming der

Geuzenaanvoerders. Wel was het te Gent bekend geworden, waar hij zich

bevond en had de Hoog-baljuw hem, op verzoek van zijn vader, doen

opeischen, maar hoezeer de Antwerpsche Magistraat een invloedrijk

persoon als de president van den Raad van Vlaanderen misschien

gaarne ter wille was geweest, zij durfde geen geweld gebruiken tegen

de hoofden der Geuzen. Zij wist te wel, hoe gespannen de toestand

was. Eén enkele onvoorzichtigheid was genoeg, om een oproer te doen

uitbarsten, waarbij de beeldenstorm kinderspel zou zijn geweest. Zoo

zocht de Magistraat uitvluchten en liet Jacob Martens uitnoodigen,

de stad en haar vrijdom te verlaten, eene uitnoodiging, waaraan deze

zich niet stoorde.

Op zekeren dag, kort na zijn komst te Antwerpen, begaf hij zich

met Thoulouse en Treslong naar de Fonteyne, toen hun aandacht werd

getrokken door een gejuich, dat achter hen opging. Drie edellieden

kwamen langzaam door de nauwe straat aanrijden onder een luid "Vive

le Geus!" van het gemeen, waarmee sommige burgers hartelijk instemden,

terwijl anderen zich haastig verwijderden.

--"Let op den middelste!" zeide Treslong haastig. "Dat is Oranje! De

anderen zijn van Hoogstraten en burgemeester van Stralen."

Jacob zag een edelman met een fijn, bleek gezicht en een paar diepe,

donkere oogen, gedost in een met bont omzoomden mantel en met een

hoogen fluweelen hoed op het hoofd, die met zijn beide metgezellen

een ongedwongen gesprek scheen te onderhouden, terwijl hij van tijd

tot tijd het hem toejuichende volk minzaam groette. Prins Willem van

Oranje was toen drie en dertig jaar, maar hij scheen ouder dan hij

was. Het hoofd zijner politieke partij, zoo in den Raad van State als

daarbuiten, de man, op wien Roomsch en Onroomsch de oogen gevestigd

hield, had hij de laatste jaren doorgebracht in het gewoel van den

strijd der staatkundige partijen en de sporen van dien kamp waren

te zien in de diepe gedachtenrimpels op het hooge voorhoofd. Oranje

was in die dagen de sfinx, de ondoorgrondelijke, wiens gedachten de

Spaansche partij tevergeefs trachtte te peilen, wiens verreikende

plannen zij niet kon omvademen, maar die tegelijk een raadsel was

voor zijn eigen partij. Men doet der historie geweld aan, als men in

Willem van Oranje, in de dagen, die den grooten strijd voorafgingen,

reeds den geloofsheld wil zien van later tijd. Veel moest er ook over

dat hoofd heengaan, eer hij het leerde buigen voor den "Potentaat

aller potentaten", met Wien hij eens een vast verbond zou maken. Ook

hij moest gelouterd worden in de harde school van den tegenspoed,

ook hij moest zijn Jacobsworsteling nog doormaken, en op het stille

Dillenburg,--de brieven zijner vrome moeder getuigen het--zou de

schrandere politicus, het geniale partijhoofd, eerst als een arm,

verlaten zondaar moeten staan voor zijn Heiland en Verlosser, voor

hij den Geest zou ontvangen, die zijn streven zou heiligen, die hem

den moed zou geven tot een schier hopeloozen strijd voor de zaak der

verdrukten, die hem in waarheid zou maken tot Vader des vaderlands.

Thans reed hij daarheen, te midden der Antwerpsche burgerij, en

schoon hij den jubelenden groet der menigte vriendelijk beantwoordde,

fronsten zich zijn wenkbrauwen soms ongeduldig bij het luid schaterend

"Vive le Geus!", dat hem overal tegenklonk. Hij wenschte te Brussel

niet te worden aangezien als het hoofd van een opgewonden menigte, en

hij wist daarbij te goed, hoe wispelturig de volksgunst is. Datzelfde

volk, dat hem thans huldigde en toejuichte, zou hem over weinige

weken uitjouwen, en zelfs zijn leven bedreigen, wanneer hij hen en

hun stad door zijn wijs beleid behoedde voor plundering en moord.

Jacob zag den man na, van wien hij zooveel had gehoord, onder wiens

vanen hij weldra zou strijden, en dien hij eerst na verscheidene

jaren en onder geheel andere omstandigheden zou weerzien.

De beide edellieden gingen met hun jongen geheimschrijver naar de

Fonteyne en hoorden er van Hopman van der Aa, hoe het ging met de

werving. Toen bezochten ze verschillende hoofden hunner partij, om

berichten te ontvangen, bevelen of wenken uit te deelen of plannen

te smeden voor de toekomst. Tegen den avond, na een werkzamen dag,

begaven zij zich naar de woning van Thoulouse, waar de jonge, bevallige

Vrouwe hare gasten, de voornaamsten der Geuzenpartij, met vriendelijke

bevalligheid ontving. Jacob Martens ontmoette er tal van mannen,

die weldra in de geschiedenis van den opstand een blijde of droevige

vermaardheid zouden krijgen. Hij zag er den vurigen Joris Sylvanus,

den moedigen predikant, die weldra als balling de stad en zijn gemeente

zou verlaten, den dichter van het aandoenlijke afscheidslied, waarin

de verdrukte Kerke Christi klaagt tot haren God; den verstandigen

Marco Perea, den rijken koopman, die zijn persoon en zijn fortuin ten

dienste had gesteld der goede zaak; Mr. Gillis de Clercq, en nog vele

anderen. Men was er vol hoop op de toekomst. Had men eenmaal maar een

voldoende krijgsmacht te velde, en een paar sterke steden bezet, dan

kon men de macht der Landvoogdes trotseeren, dan zouden de steden den

moed hebben om zich openlijk voor de partij der vrijheid te verklaren,

dan zouden de edelen zich stellen aan het hoofd des volks, en dan,--ja

dan zou men den Koning weten te dwingen, de vrijheden des volks te

eerbiedigen, dan zou de Inquisitie verdwijnen en er zou vrijheid

zijn van geweten en vrijheid van eeredienst,--want verder dacht men

niet. Niemand wilde den Koning van Spanje de gehoorzaamheid opzeggen:

de Heer der Nederlanden zou slechts den gehaten geloofsdwang in zijne

erflanden opheffen,--en men zou de wapens neerleggen en allen zouden

weder zijne getrouwe onderdanen zijn.

Met zorg volgden intusschen de leiders de beweging in het Zuiden des

lands. Zij wisten, dat Jean Denijs zijn plan had volvoerd en met een

gewapenden hoop volk een paar dorpen had bezet; en zij wisten ook, dat

de moedige, maar onbezonnen Wattepatte's hunne vendels samentrokken,

om zoo mogelijk Valenciennes te ontzetten en zij vreesden, dat de

sluwe Noircarmes, die zijn tegenstanders rustig hun gang liet gaan,

het gunstig oogenblik afwachtte, om de overmoedige en onervaren

strijders met één slag te vernietigen.

Op Vrijdag den 26sten December verspreidde zich te Antwerpen het

gerucht, dat er bij Watrelos gevochten was en dat de Geuzen het hadden

verloren. Nadere berichten kwamen er niet, maar Zondag, den 28sten

December, kwam de bevestiging van het treurige bericht.

Men was dien avond naar de "Ronde Kerk" ter preek geweest, en, naar

de gewoonte dier dagen, had Meester Joris Sylvanus zijne gemeente

niet alleen getroost en bemoedigd, maar hij had ook niet geschroomd,

de politiek van den dag op den kansel te brengen, en in vurige taal

zijne toehoorders opgewekt, nu met hun lijf of hun goed de mannen te

steunen, die als in de dagen van Josia de Baälpriesters en hun aanhang

zouden verdelgen van voor het aangezicht des Heeren. En zinspelende

op het pas gevierde Kerstfeest, had hij gezegd, dat Christus voor

de Nederlanden eerst recht zou zijn geboren, als zijn Evangelie er

onbedekt en openlijk voor allen kon worden gepredikt.

Thans waren de hoofden der beweging bijeen ten huize van Thoulouse

en men besprak er de geruchten der laatste dagen, de berichten, die

men van Brederode had ontvangen, en de "groote onderneming", waarvan

men zoo was vervuld, en die toch niet in bijzonderheden werd aangeduid.

Het was reeds vrij laat, althans voor die dagen, toen de klopper

aan de voordeur met een zacht, voorzichtig tikje neerviel op den

metalen knop. Na een oogenblik verscheen er een bediende, die met

een ontsteld gelaat den gastheer iets influisterde. Thoulouse stond

haastig op, men hoorde in het voorhuis zware schreden, een levendige

woordenwisseling, en weldra verscheen hij weder, met een man, in een

langen mantel gewikkeld en den slappen hoed diep in de oogen gedrukt.

Met een wenk liet de Vrouwe van Thoulouse de bedienden vertrekken. De

man wierp met een zucht van verlichting hoed en mantel ter zijde

en viel neer op den zetel, dien Blois van Treslong haastig had

aangeschoven. Het was Jean Denijs. Zijne kleeding was beslijkt en

bebloed, en een breede hoofdwonde, slechts ruw met eenige lappen

verbonden, misvormde zijn bleek gelaat.

Met een kreet van ontsteltenis sprongen de aanwezigen op.

--"Dus geslagen?" riep Treslong, terwijl Mevrouw van Thoulouse haastig

de kamer verliet, ten einde het noodige te halen, om den gewonde te

verbinden, een kunst, waarin zij, als vele vrouwen van dien tijd,

bedreven was.

--"Alles verloren!" kermde Jean Denijs.

Hij ledigde den beker wijn, dien Thoulouse hem aanbood. Een licht

rood kleurde zijn door vermoeienis en bloedverlies bleek gelaat,

en hij vervolgde met van aandoening trillende stem:

--"Gij hebt gelijk gehad, heeren! Ik was een ezel, te denken, dat wij

met een ordeloozen hoop iets konden uitrichten tegen Noircarmes. Maar

het is er mij naar gegaan!"

Hij zweeg een oogenblik en dronk een teug wijn. Toen ging hij voort:

--"Wij trokken op met een sterken troep en goed gewapend ook. Wij

zouden ons bij Watrelos met die van Armentières en Doornik vereenigen,

om dan samen Valenciennes te ontzetten. Wèl wisten wij, dat de Heer van

Rottinghem, de stadhouder van Donai en Rijsel, ons wilde tegenhouden,

maar hij had maar tweehonderd man, en die telden wij niet. Domkop,

die ik was! Bij, Watrelos viel hij ons aan en hij joeg ons uiteen,

als een kudde schapen. Waren de Wattepatte's met hunne vendels er

maar geweest! Maar zij kwamen te laat; die Cornelis, hun predikant,

had hen opgezet, om vast onderweg de kloosters in brand te steken;

zij hadden het krijgsvolk niet onder tucht weten te houden en zoo

waren zij opgehouden. Ik was te paard en ik vluchtte naar het leger,

en wij rukten voort naar Watrelos om wraak te nemen, en Noircarmes

te verrassen, maar hij verraste ons vandaag. Wij waren van morgen in

het bosch van Lannoy, toen hij ons plotseling overviel. Hij had tien

vendels en zeshonderd ruiters en hij viel ons aan, voor wij wisten, dat

hij in de nabijheid was. Alles is verloren! De onzen waren dadelijk in

verwarring en ze werden ingesloten en in de pan gehakt. Onze vaandels

en de veldstukken, die de Wattepatte's in Frankrijk hadden gekocht,

alles is weg! Een paar van ons zijn het naar Antwerpen ontkomen, maar

Pieter en Philip Wattepatte zijn door Noircarmes' ruiters ingehaald

en gevangen genomen."

Thoulouse en Blois van Treslong wisselden bezorgde blikken.

--"Hadden wij uwe vendels en uwe kanonnen gehad, als de tijd daar is,

dat wij ze zullen kunnen gebruiken," zuchtte Thoulouse. "Wat al geld

en kostbaar bloed verspild in een nuttelooze onderneming!"

Jean Denijs boog beschaamd het hoofd.

--"Ik meende den Heere en Zijne verdrukte Kerk te dienen," zei hij

ootmoedig. "En wat zal er nu met onze arme broeders te Valencijn

gebeuren?"

--"Houd moed, broeder," zei Treslong trouwhartig. "Ge hebt gehandeld

naar uw geweten. En zoo ons plan gelukt, wat God geve, dan zal de

Landvoogdes zoo de handen vol hebben, dat Noircarmes Valencijn wel

met rust zal moeten laten. Maar zeg mij, heeft men u de poort zien

binnenkomen?"

--"Wij waren met ons vijven. De portier van "de Roode Poort" is

ons genegen, al durft hij niet ter preeke komen. Hij liet ons tegen

't gewone poortgeld binnen en vroeg niets."

Jean Denijs zeide het met een pijnlijk vertrokken gezicht. Zijne

wonde begon hem hier in het warme vertrek te hinderen.

--"Zoo zijt gij hier veilig," zeide Thoulouse. "Mijne vrouw zal u

verbinden, en dan--gij hebt rust noodig. De wond is niet ernstig en

gij zult ons nog helpen, uw nederlaag op Noircarmes te wreken. Morgen

verhaalt ge ons meer!"

Mevrouw van Thoulouse verscheen met linnen en pluksel, met water en

azijn, en met alle verdere hulpmiddelen, die haar eenvoudige heelkunst

haar leerde en haar goed hart haar ingaf. De wonde werd gereinigd en

opnieuw verbonden.

Toen bracht Thoulouse zijn gast naar zijn kamer, maar de forsche

man was door bloedverlies en afmatting zoo uitgeput, dat Treslong en

Jacob Martens hem beiden moesten ondersteunen.

Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw · 第 13 / 25 题