't Was een van de eerste dagen van Zomermaand van het jaar 1566,
zeer vroeg in den ochtend.
De zware voordeur van een deftige heerenhuizing, gelegen aan de
Vrijdaegsmarkt te Gent, werd voorzichtig geopend en twee jongelieden
traden naar buiten. Ze waren voorzien van lange, groengeschilderde
hengelroeden en stevige linnen tasschen: blijkbaar was het om
een aanslag op het "schubbigh watervolck" te doen, dat zij zoo
vroeg uit de veeren waren, nu, volgens de oud-stedelijke keure,
"het visschen met angelroeden, schakelen ende ander visscherstuygh"
sinds den eersten van Zomermaand weder was geoorloofd.
Een van de beide hengelaars was haastig het met boomen bezette plein
een eindweegs opgeloopen en had een blik geworpen op de windvaan onder
't kruis van de St. Jacobskerk, die haar ouden, zwaren toren statig
boven de deftige huizen van de Oostzijde der markt verhief.
--"Een Zuidwesten wind en een beloken lucht, Thierry," riep hij
vroolijk. "Dat belooft een goede vangst!"
--"'t Mag zeker wat bijzonders zijn, als 't de moeite zal loonen,
zoo voor dag en dauw het bed te ruimen," zei de aangesprokene, die
blijkbaar niet zeer in zijn humeur was.
't Was een slank jonkman van ongeveer twintig jaren, met een donker
uiterlijk. Een trek van onverschillige hooghartigheid lag op het
welbesneden, bleek gelaat en de koele, gebiedende blik der donkere
oogen versterkte dien indruk.
Hoewel het doel van den tocht zeker een eenvoudige kleeding het
meest doelmatig en wenschelijk maakte, was hij keurig gekleed in een
wambuis en broek van bruin Diestsch laken, waarvan de insnijdingen
in de opgedofte mouwen de geelsatijnen voering vertoonden. De lange
zeemlederen hozen verdwenen in een paar keurige rijlaarzen.
Zijn makker scheen iets jonger. 't Was een echte zoon van het
land. Lange blonde haren fladderden in den frisschen morgenwind, om een
echt Vlaamsch gezicht, wit en rood, met heldere blauwe oogen. Die oogen
tintelden thans van schalkheid en levenslust, maar het hooge voorhoofd
en de fijn besneden mond deden vermoeden, dat ze veel méér konden
uitdrukken, dat ze konden fonkelen van toorn en verontwaardiging en
voor zich uit staren met den zoekenden blik van den dichter en dweper.
Hij zag er vrij wat eenvoudiger uit dan zijn metgezel. Hij droeg
een nauwsluitend pak van groen laken, al tamelijk versleten, en
een kaproen van dezelfde stof, terwijl zijn bruine hozen haast niet
zichtbaar waren door een paar flinke waterlaarzen.
Thans keek hij den ander aan met een oolijken trek op het gelaat.
--"Arme kerel," zei hij spottend, "heb je de veêren zoo lief? Hoe
je Brussel zult missen in ons goede, oude Gent. Maar wij geven je
wat wij hebben, en als de Fonteynisten, onze kamerbroeders, niet
spelen en de Gilden geen feest geven, dan schieten wij met den boog
of wij visschen."
--"Ik zal je wat anders laten zien, als je te onzent komt, te Brussel,"
zei Thierry, met een minachtenden glimlach. "Een zomerfeest in de
tuinen van Mevrouw van Parma is wat eêls! En al geven de Geuzen-edelen
hun lakeien een grauwe livrei, om Mevrouw te plagen, hunne feesten
zijn er niet minder om! Floris van Culemborg weet te leven!"
Al sprekende waren de beide jongelieden het met boomen bezette plein
overgestoken. Achter hen sloeg de zware klok van St. Jakob drie uren.
--"Culemborg, Brederode en de hunnen weten te leven, Jacques, dat zeg
ik je," herhaalde Thierry. "Jammer dat 't verraders zijn van onzen
Heere, den Koning van Spangiën."
't Werd op spottenden, tartenden toon gezegd, blijkbaar om verzet uit
te lokken, en de spreker slaagde naar wensch. Een hooge blos kleurde
het gelaat van den jongen Vlaming en zijn blauwe oogen flikkerden.
--"'t Zijn geen verraders, die de rechten en vrijheden van den lande
verdedigen tegen vreemd geweld!" riep hij levendig.
--"Vreemd geweld! En dat van den Koning, onzen genadigen Heere!" spotte
de ander. "Fraaie taal voor den zoon van den president van 't Hof van
Vlaanderen! Jacobje, Jacobje, wat een rebelsche taal. Draag je nog geen
geuzennapje op de muts, als je vrienden in Brussel en Antwerpen? Fij
van zoo'n jongen rebel!"
--"Fij van den Nederlander, die heult met de creaturen van den
Kardinaal, Thierry de St. Foy!" riep de blonde jonkman met vuur.
Thierry lachte gedwongen.
--"Als de visch straks zoo goed bijt, als jij, Jacob Martens," zei
hij schijnbaar luchtig, "dan vangen wij de Lys leeg! Een enkel woord
over de kostelijke voorvechters van je dierbare vrijheden is lokaas
genoeg! Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat je vrijheidszin je
hoffelijk maakt voor je gast!" liet hij er ernstiger op volgen.
Jacob Martens bleef staan.
--"Je hebt gelijk, Thierry!" zei hij gulhartig. "Vergeef mij mijn
uitval. Je bent te Brussel aan 't hof en misschien kun je voor deze
dingen niet zóó voelen als wij!"
--"Alsof 't er op aankwam, wat wij voelden of dachten!" riep
Thierry. "Geloof maar vrij, dat Brederode en Culemborg de zaken niet
zoo ernstig opnemen als jij, eeuwige dweper! Zij mogen schreeuwen over
de plakkaten en de Inquisitie en hun bedienden in grauw livrei steken,
zij vieren feest en laten het geld rollen en drinken als tempeliers!"
--"Laten we liever over wat anders spreken!" zei Jacob Martens.
--"Bijvoorbeeld over de mooie bruine oogen van joffer Madeleine?" zei
St. Foy met een snellen, loerenden blik.
Jacob Martens kleurde.
--"De oogen van joffer Madeleine de Bette behoeven niet te worden
besproken door twee jonge fanten, die uit visschen gaan!" zei hij
kort en droog.
Weer barstte Thierry in lachen uit.
--"Of je je verliefdheid verraadt, Jacques! 't Is aandoenlijk! De
mooie oogen van joffer Madeleine te heilig om er over te praten? Ik
weet, dat zij er anders over denkt! Ze glinsterden ten minste van
pleizier, toen je neef Boelman, de Fonteynist, het refrein voorlas,
dat hij voor haar gemaakt had. Hoe was 't ook weer:
"Twee vierighe keerskens, die bernen als sonnen!"
Jacob Martens antwoordde niet en liep stevig door.
--"Ben je al geen retrosijn, Jacques, je hebt toch zeker ook al
verzen voor haar geschreven. Mag ik 't haar eens vragen?" ging de
plaaggeest voort.
Jacob had zich intusschen hersteld en begrepen, dat hij het best deed
zijn makker met gelijke munt te betalen.
--"Je moogt wel praten van verliefdheid, Thierry de St. Foy,"
antwoordde hij vroolijk. "Wie zoekt er altijd het gezelschap van
de zoete joffers, en houdt amoureuse propoosten? Als een jonker uit
Brussel ze bezighoudt, hebben de meiskes oogen noch ooren voor een
simpelen scholier als ik."
Nu was de beurt aan Thierry om te kleuren.
--"Zeg maar, dat je jaloersch bent, Jacques!" zei hij.
--"Natuurlijk! Wie zou er niet jaloersch zijn, als de zoete meiskes
zoo aan je lippen hangen, wanneer je vertelt van het Hof van Mevrouw
van Parma en de schoone feesten en brillante partijen, van menuetten
en sarabandes. Wat zullen wij simpele Vlaamsche knechten beginnen,
als een page van den hertog van Aerschot onze maagdekens het hoofd
op hol komt maken."
De donkere jonkman beet zich op de lippen.
--"De zoon van den president van den Raad van Vlaanderen behoeft niet
jaloersch te zijn van een armen hofjonker," zei hij bits. "Joffer
Madeleine en haar schoon goed zijn u in de wieg al toegedacht."
Jacob Martens zweeg, verontwaardigd en verlegen tegelijk. Hij
was overtuigd, dat hij geen aanleiding gegeven had tot den ruwen
uitval. Maar wat zou hij er op antwoorden? Hij had er niet aan gedacht,
zijn vriend, een jongeren zoon uit een verarmde adellijke familie
uit Brabant, te kwetsen, en zoo hij zich schertsend had verdedigd,
dan was het omdat hij zeker in Thierry geen vertrouwde gevonden had
voor zijn gevoel voor Madeleine de Bette, die hij liefhad met de
mooie eerste liefde van een jong en rein hart.
Zwijgend stapten de beide jongelieden voort door de slapende straten
van de oude Vlaamsche hoofdstad. De luiken der schilderachtige gevels
waren overal nog gesloten op dit vroege ochtenduur, en Gent sliep
nog in de grijze grauwe morgenschemering.
Ze gingen langs het Hagenklooster en het sombere Simpelhuys met zijn
getraliede vensters, langs het groote klooster der Penitenten en het
Hebbeliens-hospitaal en liepen thans langs een der gemetselde kaden,
waartusschen de Lys vloeide. De deftige huizen maakten plaats voor
eenvoudiger woningen met uitstekende of overhangende houten gevels,
de steenen muur ging over in een met gras begroeide kade, de nauwe
straten gingen over in verstrooide buurten, en eindelijk liepen zij
tusschen weiden en korenvelden, want het oude Gent had zich uitgebreid
en zijne landelijke voorsteden gastvrij opgenomen in zijn beschermende
wallen. De weg liep uit op een zonderling en grillig gebouwtje: het
oude Peterscellepoortje, of Pieterseliepoortje, zooals het volk zeide.
--"Is dàt de poort? En zouden ze ons zoo vroeg openmaken?" vroeg
Thierry.
--"Geen nood!" zei Jacob Martens. "Aegte Jansdochter, mijn oude min,
is er portierster. Ik heb haar een boodschap gezonden, dat zij van
morgen vroeg poortgeld kon verdienen, en zij zou meer voor mij doen,
als 't noodig was, dan eens wat vroeg uit de veeren te zijn. En buiten
de poort wacht ons de beier met het aas."
Hij had niet tevergeefs op de portierster gerekend. Een kloek Vlaamsch
wijf kwam uit het lage huisje bij de poort schieten en heette hen
met een vriendelijk lachend gezicht welkom.
--"Hoe gaat het, Aegte? Niet boos, omdat wij je zoo vroeg uit de
veeren halen?" vroeg Jacob Martens gul.
--"'t Is de eerste keer niet, jonker Jacob, dat je mij te vroeg uit
't bedde haalt," zei Aegte Jansdochter met een breeden lach. "En dat
heb ik wel voor mijn voedsterkind over. Alles wel thuis, jonker?"
--"Best, Aegt. Moeder alleen is, als altijd, zwak. Maar nu de
sleutels! Wij gaan visschen!"
De sleutels rammelden; het winket in een der zware poortdeuren draaide
knarsend op zijn hengsels en Aegt stak de poortstuivers op.
--"Goede vangst, jonkers!"
De beide hengelaars stonden buiten de poort en zagen om zich
heen. Achter hen lag de slapende stad, vóór hen strekten zich de
welige landouwen van West-Vlaanderen uit, de vette weiden en golvende
korenvelden, sluimerende onder de lichte morgennevels van een beloken
Junimorgen. Rechts slingerde zich de Lys, aan haar steenen banden
ontkomen, langs haar met riet en lisch begroeide boorden, in breede
bochten door het groene landschap.
Jacob Martens en zijn gast verlieten den weg en sloegen een voetpad
in, dat hen door de akkers naar de rivier voerde.
--"Waar blijft de koddebeier nu, met het aas?" vroeg de Brusselaar.
Martens wees op een alleenstaanden boom, dicht aan den oever.
--"Daarginds, bij dien esch, zou hij ons wachten. Je zult hem wel
zoo dadelijk zien. De Welle is een man van zijn woord."
Weldra hadden ze den oever en den boom bereikt. Een man, die, tegen
den stam geleund, peinzend naar de kabbelende golfjes van de Lys had
staan kijken, trad hen tegemoet.
't Was een lange, magere gestalte, gehuld in een grijslinnen kiel, die
hem tot aan de knieën reikte. Op het rossig blonde haar droeg hij een
ruige muts, waarin een eikelkapje was gestoken. Het bruine, door wind
en zon getaande gelaat was vol rimpels, als een overjarige appel. Twee
felle, lichtblauwe oogen keken de beide jongelieden aan met den
scherpen blik, dien men zoo dikwijls bij jagers en boschbewoners vindt.
--"Goed op je tijd gepast, Pieter de Welle," riep Jacob Martens,
terwijl hij den langen man trouwhartig de hand reikte. "Wat dunkt je
van het weer?"
De koddebeier bracht even de hand aan zijn ruige muts.
--"Een kostelijke dag, jonker Jacob. De visch zal goed bijten."
De toon van den man was noch lomp noch overdreven onderdanig. Er
sprak een ruwe vriendelijkheid en zekere gemeenzaamheid uit. Zijn
felle blauwe oogen richtten zich nu onderzoekend op Thierry de St. Foy.
--"Een vriend van mij, Pieter," zeide Jacob, als antwoord op den
vragenden blik. "Onze gast uit Brussel."
De koddebeier knikte weer. Thierry ergerde zich blijkbaar aan den
gemeenzamen toon en den onderzoekenden blik van den langen man en
draaide hem den rug toe.
--"Hier is het aas, jonker," zei de Welle, terwijl hij op een
houten bak wees, die aan den voet van den boom stond. "Levende
voorntjes, dauwwormen en geronnen ossenbloed! Zal ik de hengels maar
klaarmaken? Hier heb ik het schepnet."
Hij nam de hengels en hield zich ijverig bezig met de snoeren en
simmen. De jonkers zouden eerst hun geluk beproeven op snoek, met
vischjes en stukken geronnen bloed.
Terwijl de koddebeier de vischsnoeren op de vereischte lengte bracht
en het aas aan de haken bevestigde, trad Thierry op zijn makker toe.
--"Die koddebeier van je vader is een Geus!" beet hij hem in het oor.
--"Och kom!" riep de ander ongeloovig.
--"'t Is een Geus, zeg ik je," hield Thierry vol. "Kijk maar naar
dat eikelkapje op zijn muts. Dat is het teeken. De edelen en burgers
dragen de houten napjes aan den hoed en de boeren de eikelkapjes. Ik
heb ze te Brussel gezien, uit de omstreken van Antwerpen. Dààr wemelt
het van Geuzen en Sacramentarissen!"
--"'t Mag zijn," zei Jacob Martens schouderophalend, "Geus of niet,
't is altijd een eerlijke kerel geweest en ik mag hem graag lijden."
--"Een mooie dienaar voor den president!" schimpte Thierry.
Weer kleurde Jacob en schitterden zijn oogen.
--"Wil dan toch begrijpen, Thierry," zei hij heftig, "dat wij,
Gentenaars anders denken dan jelui te Brussel. Wat raakt het mijn
vader, hoe het hof over zijn dienaars denkt?"
--"Je vader is een dienaar van den Koning!" hield Thierry vol.
--"Wij zijn dienaars van den Koning, als graaf van Vlaanderen!" riep
Jacob levendig. "Maar wij zijn vrije mannen van Gent en houden vast
aan onze rechten en privilegiën."
--"Voor zooveel de Keizer die den vromen Gentenaars gelaten heeft,"
tergde St. Foy.
--"'t Aas is klaar, jonkers!" riep de Welle.
Hij had ongemerkt meer van het gesprek verstaan, dan de beide
jongelieden dachten, en hij achtte het verstandig, het af te breken.
Jacob Martens vatte den langen hengel en liet het levend aas met
den vluggen zwaai van een geoefend visscher in de golfjes van de
Lys neerploffen. Thierry volgde zijn voorbeeld, maar hij bleek
onhandig. Zijn snoer verwarde in het riet en de Welle moest hem te
hulp komen.
Toch scheen de fortuin den onbekwamen visscher te
begunstigen. Nauwelijks dreef zijn dobber op het water, of hij verdween
met een korten ruk en de lijn van de klos, die aan zijn voeten lag,
liep snel af.
--"Een flinke snoek! Vieren, jonker!" riep de koddebeier.
Thierry liet de lijn uitloopen en palmde die toen, op de Welle's
aanwijzing, zachtjes en voorzichtig in. Toen de snoek weer aan de
oppervlakte was, schoot hij weer de diepte in en het snoer werd
weer gevierd.
St. Foy kreeg pleizier in het werk. Aanvankelijk had hij zijn gastheer
slechts met tegenzin vergezeld, maar het geluk lachte hem toe. Jacob,
de ervaren visscher, werkte tevergeefs met zijn lijn, en hij had
terstond beet. Het lag in zijn aard, gaarne de eerste te zijn.
Hij had er behoefte aan, op zijn succes te pochen en zijn makker
te plagen.
--"Ik heb hem vast!" riep hij zegevierend. "Ik heb hem, als de Koning
zijn erflanden. De edelen mogen spartelen aan de lijn, maar ze komen
niet los! Zoo min als de snoek!"
't Was of het beest hem verstond, of misschien verzuimde de koddebeier
opzettelijk, het sein te geven om de lijn op het juiste oogenblik te
laten schieten. De kop van den snoek, die nog lang niet vermoeid was,
verscheen boven de oppervlakte van het water. Te vroeg! Een forsche
slag met den staart en bevrijd van den hoek schoot de visch weg in
de diepte.
Jacob schoot in een luiden lach, toen, hij het beteuterd gezicht
van zijn makker zag, die met de losse lijn in de hand, vol
teleurstelling in het water staarde. Achter hen klonk een onderdrukt
gegrinnik. Thierry wendde zich boos om, maar het gerimpeld gezicht van
den koddebeier bewoog niet. Alleen de kleine blauwe oogen flikkerden
van inwendig genoegen.
Met een boozen blik en een gemompelde verwensching wendde de Brusselaar
zich af.
--"Neem mij niet kwalijk, Thierry," zei Jacob, die begreep, dat zijn
gast beleedigd kon zijn door zijn lachen, "'t spijt me heusch, dat
je zoo ongelukkig was. Maar 't was ook al te dwaas! Jij de Koning,
de snoek, de erflanden, die zoo vast aan de lijn zaten! En dan... paf,
weg was de snoek!"
--"Lach maar!" bromde de teleurgestelde visscher. "De Koning zal jou
en alle Geuzen het lachen wel verleeren."
Hij wierp een schamperen blik op Pieter de Welle, maar deze scheen
niet op hem te letten en hield zich ijverig bezig met den hengel,
dien hij opnieuw van levend aas voorzag.
De visschers volgden den linkeroever van de Lys. Ze zouden de rivier
afvisschen tot boven Gent; dan zouden zij den stroom oversteken en
de stad door de Walepoort weer binnenkomen.
De morgenschemering begon meer en meer te wijken. 't Liet zich echter
aanzien, dat de zon niet zou doorbreken. De hemel bleef egaal grijs,
met hier en daar een donkergrauw wolkje. Soms vielen er eenige
regendruppels, die kringetjes maakten in het loodkleurige water.
De zilveren pluimen der rietbossen wuifden zachtjes in het Zuidwesten
windje. Soms vloog een eend of een pluvier, luid krijschend, op. Anders
lag het schoone landschap in kalme, droomerige rust.
Ondertusschen werd de Lys ijverig afgevischt, maar het duurde eenigen
tijd voor zich weder een visch liet verschalken. Ditmaal was Jacob
de gelukkige. Zijn dobber dook met een korten slag onder en de lijn
liep met vaart uit.
--"Een mooie snoek, jonker! Minstens een achtponder!" riep de Welle.
Jacob vierde de lijn en begon toen voorzichtig in te palmen.
--"Willen we nu ook eens wedden, Thierry?" riep hij vroolijk. "De
snoek is 's lands vrijheid! We hebben ze en we houden ze!"
St. Foy haalde de schouders op, maar keek toch oplettend naar zijn
makker, die, als een geoefend hengelaar, met den snoek speelde, de
lijn behoedzaam inpalmde, maar die steeds op het juiste oogenblik
weer vierde.
Eindelijk begon de snoek moe te worden, de lijn liep met telkens
minder vaart uit en Jacob Martens begon zijn buit voorzichtig naar
den oever te halen. Pieter de Welle nam het schepnet en stapte tot de
knieën in het water, Jacob fleurde den snoek zachtjes en met beleid
al nader en nader en weldra spartelde de visch in het net.
--"We hebben hem! Leve onze vrijheden en privilegiën!" juichte Jacob
Martens en Pieter de Welle grimlachte.
--"Zonder het schepnet had je hem nooit gekregen," zei Thierry met
een jaloerschen blik.
--"Precies, jonker! We moeten passen op den rechten tijd, maar dan
krijgen wij den snoek ook!" zei de Welle, terwijl hij den visch met
een kennersblik beschouwde, voor hij dien in zijn tasch stak. "Een
mooie, jonker! Tien pond op zijn minst." En de koddebeier bracht den
hengel weder in orde, terwijl Thierry hem wantrouwend aankeek.
Het geluk was hem gunstig. Hij ving twee kleinere snoeken en door
ditmaal getrouw de aanwijzingen van Jacob Martens en de Welle te
volgen, kreeg hij ze gelukkig aan land. En toen men, verder op den
ochtend, met dauwwormen naar baars begon te visschen,--waarbij het
minder op de bekwaamheid van den hengelaar aankwam--kon hij vrijwel
meedoen en hij geraakte gaandeweg geheel in zijn humeur.
Zoo werd de Lys afgevischt, tot waar de rivier zich, ten Noorden
van de stad, met een andere vereenigt; hier was een veerpont, een
eenvoudige houten bak, waarmede de hengelaars naar den anderen oever
werden overgezet.
Onderweg hadden zij een eenvoudig ontbijt van brood en kaas gebruikt,
maar thans was hun voorraad op, de veldflesschen waren ledig en zij
waren moe en hadden honger. Zij besloten dus, de visscherij er voor
heden aan te geven, en door de weilanden heen den weg naar Lokeren
te bereiken en zoo door de Walepoort naar de stad terug te keeren.
De wind begon op te steken. Grauwe luchten kwamen aandrijven uit het
Zuidwesten en van tijd tot tijd viel er een warme regenbui. De zware
laarzen der hengelaars zoenden en smakten in de klei der vochtige
voetpaden en gleden uit langs de glibberige wallen der slooten. Doornat
en moe bereikten zij eindelijk de heirbaan en weldra naderden zij de
vestingwerken der stad.
Het liep tegen acht uur. De poorten waren reeds lang open en de
hengelaars vonden op den weg verscheidene landlieden uit den omtrek,
die zich steewaarts begaven, en met wie Jacob Martens en Pieter de
Welle van tijd tot tijd een morgengroet wisselden.
Plotseling rees in de stille zomerochtendlucht het gelui van een
klokje, schrille, scherpe klanken, die met naar geluid opjammerden uit
de slapende stad en klagend heenzweefden over het rustige landschap.
Jacob Martens zag den koddebeier veelbeteekenend aan.
--"'t Klokje van het Minorietenklooster," zei hij, "'t
armezondaarsklokje! Zou er halsrecht worden gedaan? Zoo vroeg?"
Zij naderden de brug over de Nieuwe vaart, die naar de Walepoort
leidde. Even voor de poort verbreedde de voor de binnenlandsche
scheepvaart zoo belangrijke vaart zich tot een wijde haven. Aan de
kaden waren tal van vaartuigen vastgemeerd, en groote stapels van
balen en vaten getuigden van den bloeienden handel der Vlaamsche
hoofdstad. Gewoonlijk was de drukte des morgens reeds in vollen
gang. Thans echter stond het werk stil: schippers, waagdragers en
sjouwerlieden stonden in groepjes bijeen en tuurden naar de poort.
Bij de brug stond een troepje mannen en vrouwen in de dracht der
West-Vlaamsche landlieden. Ook zij tuurden in dezelfde richting. Hunne
gezichten stonden ernstig en bedrukt; verscheidene der vrouwen
schreiden. Een kleine kreupele man bewoog zich onder deze groep en
sprak nu eens den een, dan weder den ander aan. Men luisterde naar hem,
maar de starende oogen bleven op de poort gericht.
Boven de stad klepte en jammerde het armezondaarsklokje.
In de grauwsteenen lijst der Walepoort verscheen een droevige stoet,
waarvan alle toeschouwers maar al te goed de beteekenis begrepen.
Eerst kwam een ruiter, op een zwaar bont paard gezeten en gekleed
in een korten, zwarten tabbaard, met een tweekleurige baret op het
hoofd. In de hand droeg hij een rood geschilderden staf.
Het was de "Roode Roede", de gerechtsbode van de Schepenbank.
Achter den ruiter kwam een lage kar, getrokken door een mager paard
en begeleid door eenige gewapende dienaars. Voor de kar uit liep
een man, gekleed in een nauwsluitend gewaad van grove, roode serge,
met een muts van dezelfde stof op het hoofd. Hij werd op den voet
gevolgd door twee mannen in de gewone volksdracht, maar eveneens met
roode mutsen. Eén leidde het karrepaard bij den teugel, terwijl de
andere een rol touw droeg.
Het waren de beul van Gent en zijne knechten.
Op de kar, op een paar bossen stroo, zat de veroordeelde. Het
was een nog jonge vrouw: ze mocht ongeveer dertig jaar zijn. Ze
was blootshoofds en bij het dichte zwarte haar stak het strakke,
doodsbleeke gelaat scherp af. De donkere oogen blikten van tijd tot
tijd schuw rond; dan weder, als met eene uiterste inspanning van
den wil, wendde zij zich af van haar omgeving en zag zij op naar den
hemel. Een wijd kleed van bruine stof, dat aan een monnikspij deed
denken, bedekte hare gestalte tot den hals en een overslag hing als
een breede kraag van hare schouders af in breede plooien.
Een oude monnik in bruine pij, een Minoriet, zat naast haar. Hij
hield een crucifix in de hand en van tijd tot tijd zag men zijne
lippen bewegen.
De kar rolde de poort uit; een oogenblik klotsten de paardenhoeven
over de houten brug; toen boog de stoet links af, naar de haven.
Boven de stad jammerde, pijnlijk schril en schel, steeds het
armezondaarsklokje.
Zoodra de kar buiten de poort en over de brug was, sloten de mannen
en vrouwen, die haar blijkbaar hadden opgewacht, zich bij den stoet
aan en volgden dien naar de haven. Ook de beide jongelieden en hun
metgezel verhaastten hun stap en liepen mede, gedreven door de wreede
nieuwsgierigheid, die den mensch onwillekeurig drijft tot het huiverend
aanschouwen van wat hij verafschuwt. Weldra stonden zij tusschen de
boeren en schippers. Pieter de Welle had ruim baan voor hen gemaakt,
en velen kenden Jacob Martens, den zoon van den president, en gingen
voor hem op zijde.
Zóó stonden zij in de eerste rijen, bij de stadskraan Daar hield de
kar stil. De knecht, die het paard voortleidde, had het dier doen
keeren, zoodat het krat van het voertuig naar het water was gericht.
De schoutendienaars hielden het opdringende volk tegen, terwijl de
beul op een wenk van de "Roode Roe" op de kar klom en de veroordeelde
naderde.
De oude monnik boog zich voorover; hij sprak luid en dringend en
hield de vrouw het kruisbeeld voor het gelaat.
Zij wendde het hoofd af en keek met angstoogen naar het donkere water,
naar het volk om haar heen...
Daar klonk een stem uit de menigte, een krachtige mannenstem.
--"Sijt getrouwe tot in den doet, ende ick zal u geven die crone
des levens!"
Een der vrouwen had de lange, zwarte huif afgeworpen en hield een
kind op hare armen omhoog, het hoog optillende boven de hoofden
der omstanders.
De veroordeelde had omgezien, toen zij het Bijbelwoord hoorde. De
strakke angstblik verdween uit de starende oogen. Zij richtten zich
op het kind en vulden zich met tranen, de lippen beefden...
De "Roode Roe", die kalm en onverschillig op zijn paard zat, had,
bij het hooren van den roep, vertoornd omgekeken en daarop een snellen
blik met de dienaars gewisseld. Hij knikte den beul toe.
Deze greep de afhangende plooien van het bruine kleed, wenkte den
monnik terug en sloeg ze over het hoofd der veroordeelde. Het bleek
gelaat der vrouw verdween; hare blikken waren tot het laatste oogenblik
op het kind gericht.
Het bruine kleed, blijkbaar een wijde zak, werd stevig boven het hoofd
van de veroordeelde toegesnoerd met het dunne, maar sterke touw,
dat de tweede knecht had gedragen. En nu reikte de beul voorover
en greep den ketting van de kraan, waarvan hij den haak in een lus
bevestigde. Daarop liet hij het krat vallen en terwijl de beide
knechts zich bij het windas plaatsten, vatte hij post bij den kop
van het paard en keek naar de "Roode Roe".
De gerechtsbode was blijkbaar uit zijne onverschilligheid
opgeschrikt. Hij wierp onrustige blikken om zich heen; nu eens keek
hij naar het volk, dat met bleeke, strakke gezichten het tooneel
aanschouwde, dan weer als verlangend naar de stad.
Daar dreunde het dof door de stilte; de Zuid-Wester deed de slagen
duidelijk hooren: acht uren! Het schelle klokje zweeg.
De "Roode Roe" trok zijn gezicht in den ambtsplooi. Hij prevelde snel
eenige woorden en brak zijn staf. De beul gaf zijn helpers een wenk;
het windas piepte, de ketting spande zich en de zak rees omhoog aan den
arm van de kraan, terwijl de beul het paard een paar stappen vooruit
deed gaan. Een oogenblik zweefde de zak boven het donkere water van de
haven, toen lieten de knechts de spaken los, de ketting ratelde over
de katrollen, en met een doffen plomp verdween de last in het water.
Een gesmoord snikken klonk uit het volk, dat, nu niet meer door
de dienaars weerhouden, naar den kant drong en zwijgend, met
angstige blikken, naar de breede waterrimpels staarde. De beul,
wiens aanraking allen angstig vermeden, stond op de steenen rollaag
en keek met kennersblik naar de opstijgende luchtbellen, daar, waar
de zak was gezonken. De knechten hielden zich bezig met de kar; een
van hen, een kerel met een dom, rood drankgezicht, haalde van onder
de voorbank een bierkruik te voorschijn en nam een flinken slok,
waarna hij de kruik aan zijn makker toereikte.
Met een bleek gelaat had Jacob Martens het sombere tooneel
aanschouwd. Hij was een kind van zijn tijd; halsrecht en lijfstraf
waren een gewoon schouwspel in Gent en hij had reeds herhaaldelijk
een terechtstelling gezien. Zoo hij al medelijden had gevoeld voor
een gestraften misdadiger, 't was van voorbijgaanden aard geweest
en hij had altijd berust in 't noodzakelijke van de dikwijls wreede
straffen en volkomen vertrouwen gesteld in 't beleid der justitie
van Mijn Heere den Hoog-baljuw en Schepenen van Gent. Maar deze
vrouw was geen misdadige; hij had het maar al te goed begrepen aan
de houding van de omstanders, de zenuwachtige onrust der met de
terechtstelling belasten en de wijze, waarop de veroordeelde den
biechtvader had afgeweerd. Hij had een slachtoffer zien sterven van
de wreede plakkaten tegen de ketterijen, door Karel V uitgevaardigd,
door Filips herhaald en verscherpt, van die plakkaten, die een bloedige
geloofsvervolging bevalen, waaronder het land ging gebukt en die door
Roomsch en Onroomsch werden bestreden.
Dat was geen justitie! dat was een moord!
Jacob Martens wierp een blik naar zijne beide metgezellen. Thierry de
St. Foy was ook bleek geworden, toen de noodlottige zak neerplompte in
het water, maar hij dwong zijn gelaat tot een koelen, minachtenden
grimlach. Maar Pieter de Welle stond daar met gebalde vuisten
en saamgeklemde lippen, en zijne kleine, felblauwe oogen schoten
vonken. De kleine kreupele--'t was dezelfde, die de veroordeelde het
Bijbelwoord had toegeroepen--stond naast hem en die twee spraken tot
elkander met gesmoorde stem.
Plotseling deed Jacob eenige schreden voorwaarts en drong door tot den
"Roode Roe". Hij trok den beambte aan den tabbaard.
Wrevelig wendde de man het hoofd om en een lompe terechtwijzing lag
hem blijkbaar op de lippen. Toen hij echter den zoon van den president
van den Raad herkende, veranderde hij terstond van houding en nam
onderdanig zijn baret af.
--"Wie was die vrouw, Rogiersz?" vraagde Jacob. "Wat had zij gedaan?"
--"Een kettersche, jonker Jacob," antwoordde de beambte. "Agneta
Jansdochter, uit de Cellebroerstraat."
--"Een kettersche? Maar ik dacht, dat Heeren Schepenen in den laatsten
tijd over Lutherye niet wilden vonnissen, zoomin als de heeren van
Antwerpen?" vraagde Martens. "De deken Titelman heeft er bij mijn
vader over geklaagd."
--"Lutherije niet, jonker," zei de "Roode Roe" gewichtig. "Maar Agneta
Jansd. was eene Doopersche. Dat is "zware ketterije" en die wordt
nergens geduld. Ook voor de Sacramentarissen, die van de Geneefsche
ketterije, zijn Mijne Heeren van den Gerechte veel strenger dan voor
de Lutheranen. Maar vergeef mij, jonker, de executie is afgeloopen. Ik
moet naar de stad."
De jonge man merkte, dat veler oogen nieuwsgierig of uitvorschend op
hem waren gericht. Het hinderde hem en hij wenkte zijn vriend en den
koddebeier, om te vertrekken.
De meeste omstanders bleven staan wachten, om te zien, hoe het lijk
van de veroordeelde uit het water zou worden opgehaald.
Zwijgend gingen de twee jongelieden, door de Welle gevolgd, over de
brug en door de Walepoort.
Jacob Martens was ontroerd. Wat hij zooeven gezien had, had zijn
licht bewogen gemoed geschokt. Steeds zag hij den droevigen blik der
bleeke vrouw, tot het laatste oogenblik, eer de noodlottige zak,
die haar doodskleed zijn zou, haar gelaat bedekte, op haar kind
gericht. Weer een slachtoffer van dien heilloozen geloofsdwang,
den vrijen Nederlanden opgedrongen door den vreemden Heerscher, voor
wiens gezag zij zoo ongaarne bogen. Wat wisten de vrije steden van
Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Brabant in hun eigen, eeuwenoude
rechtspleging van kettervervolging? Zou de Gentsche regeering zich
hebben geleend tot het vellen van een doodvonnis over een vrouw uit
het Vrije der Stede, om zulk een oorzaak, als Keizer Karel haar niet
machteloos had gemaakt, de oude Gentsche democratie had ontwricht
en haar zijn eigen creaturen in een nieuwbakken regeeringsvorm had
opgedrongen?
In tal van gemoederen in Holland, Brabant en Vlaanderen hadden de
woorden van 't verzoekschrift der edelen weerklank gevonden, "dat de
Inquisitie en de plakkaeten voortaen niet geschaepen zijn, dan afkeer,
onrust, oproer met allerley jammer en 's lands ondergang te baeren."
't Was een feit, wat de Edelen des lands daar hadden uitgesproken. Wat
had de Koning van Spanje zijne erflanden dien last der Inquisitie op
te dringen, wat, de aloude wetten en costuymen in een land van goede
justicie te verderven door zijn plakkaten?
Hoe moedig was die vrouw in den dood gegaan--voor eene dwaling? Ja,
was het een dwaling?
Jacob Martens was, als de meeste ontwikkelden van zijne tijdgenooten,
wel op de hoogte van den strijd, die in en om de Kerk werd gevoerd. Zoo
hij de geschriften van Erasmus niet had gelezen, hij had er toch over
hooren spreken. Het had hem tot nog toe weinig gedeerd. De ketters,
"die van de nye leere", waren het uitschot van de maatschappij,
lieden, die, om hun slordigen levenswandel ongestoord te kunnen
voortzetten, de banden van het geestelijk gezag hadden verbroken;
dit was de gewone opvatting, die algemeen geldig was in den kring,
waarin hij verkeerde. Wat hemzelf betrof, zijn godsdienst bestond
tot dusverre in een gedachteloos nakomen van zijn kerkelijke plichten.
Maar nu hij in den laatsten tijd belang had leeren stellen in
den strijd van Oranje, Culemborg, Brederode en de hunnen tegen de
Inquisitie en de aanmatigingen van het gezag, was hij er vanzelf toe
gekomen om zich ook met de godsdienstige quaestie bezig te houden.
En toen had hij gezien, dat het begrip "godsdienst" voor vele van
die ketters heel iets anders was, dan voor hem. Dat het voor hen
een geduchte realiteit was, een hoogste goed, waarvoor alles werd
prijsgegeven, als het zijn moest. Wat was dat dan toch voor een wondere
macht, welke die vrouw uit het volk den moed gaf, zwijgend neer te
zinken in het donkere water? Wat was die godsdienst, die de moeder
afscheid deed nemen van haar kind, en den bitteren dood deed kiezen
boven het leven, het kalme, rustige leven in den schoot der Kerk?
De stem van Thierry wekte hem uit zijne overpeinzingen.
--"Wat loop je te droomen, Jacob? Je bent zoo stom, als de visschen
in de ben! Heeft die kettersche het je aangedaan?"
--"Een gruwelijk stuk! Dat die van Gent het lijdelijk aanzien!" riep
Jacob Martens, meer als uiting van zijn verontwaardiging, dan als
antwoord op de vraag van zijn metgezel.
--"Een akelig gezicht, dat erken ik," zei Thierry, die het noodig vond
een zekere onverschilligheid te veinzen, hoewel het sombere tooneel
ook op hem indruk had gemaakt. "Maar wat wilt ge? Het Heilige Officie
en Mijne Heeren van den Gerechte kunnen wel niet anders doen! Waarom
blijven die ketters zoo hardnekkig aan hunne dolingen hangen? De
plakkaten.."
--"Vermaledijd mogen de plakkaten en de Inquisitie zijn," riep Jacob
opgewonden. "Dolen de ketters, laat de Kerk ze dan onderwijzen. Dwaling
is geen misdaad!"
--"Dat klinkt Erasmiaansch, om niet te zeggen rebelsch," zei Thierry
spottend. "Goed dat de deken het niet hoort."
De ander haalde de schouders op en zwijgend vervolgde het gezelschap
zijn weg door de nu reeds drukker wordende straten. Weldra was het
huis van den president bereikt. Nauwelijks was de klopper gevallen
en de voordeur geopend, of Thierry snelde naar binnen, en naar zijn
kamer, bevreesd als hij was, dat joffer Madeleine hem in zijn nat,
bemodderd visscherspak zou zien.
Pieter de Welle had zwijgend maar met zichtbaar welgevallen naar de
hartstochtelijke woorden van zijn jonker Jacob geluisterd. Toen deze
met een vriendelijk woord afscheid nam, zei hij eensklaps:
--"Wanneer vertrekt die Brusselaar weer, jonker?"
--"Overmorgen, Pieter!"
--"Vraag dan aan den president of je met mij mede moogt gaan naar
Gentbrugge. Ik moet er een dasvarken uitgraven."
--"Een dasvarken? Ik ben van de partij!" riep Jacob.
--"Ja, een raar dasvarken!" zei de koddebeier geheimzinnig. "Ga met
mij mede, jonker! Zoo'n jacht heb je in je leven niet bijgewoond."