WITTE CORNELISZOON DE WITH.

In het jaar 1599 werd, in diezelfde stad den Briel, waar Marten

Harpertsz. Tromp een paar jaren te voren het licht had gezien, Witte

Corneliszoon de With geboren. Reeds vroeg ging hy, op het voorbeeld

van zoo velen zijner speelmakkers, die als hy uit onbemiddelde ouders

geboren waren, zijn fortuin op zee beproeven. Die fortuin--gelijk het

oude Latijnsche spreekwoord luidt--begunstigt den stoutmoedige: en in

stoutmoedigheid werd De With door niemand overtroffen: geen wonder

dus, dat hy zich van den laagsten sport op den krijgsladder eerlang

naar boven werkte en, nog geen dertig jaren oud, reeds als Kapitein

het bevel voerde over een oorlogschip. Geene onder de toen bekende

zeeën of hy voerde er krijg: en zelden anders dan met voorspoedigen

uitslag. De verovering der Zilvervloot in 1628 was men voornamelijk

aan hem verschuldigd. Hy toch was het, die, op het amiraalschip

als Kapitein varende, den Amiraal Piet Hein opmerkzaam maakte op een

bark, die zich van verre in zee vertoonde: hy, die, verlof verzocht en

verkregen hebbende, om zich van die bark meester te maken, met de boot

op het welgewapend vyandelijk vaartuig afvoer, de ongelijkheid der kans

niet tellende, het aanklampte, overmande en alzoo, daar juist de bark

was afgezonden om de Zilvervloot te waarschuwen voor het gevaar dat

haar dreigde, de genomen voorzorg verydelde en den weg baande tot de

verovering der schatten uit Peru. Zijn daad bleef onbeloond: althands

by de W. Indische maatschappy; maar de Staten erkenden die eerlang: en

De With, tot Vice-Amiraal bevorderd, kwam zelfs in 1637 in aanmerking

voor het Luitenant-Amiraalschap, 't welk aan Tromp werd gegeven, en te

recht. Tromp was meer by uitnemendheid de man om te besturen, de With

om te handelen. Weldra bleek dit, op den gedenkwaardigen dag van 16

September 1639, toen de Spaansche Armada onder d'Oquendo by Bevezier

kwam opzetten, en Tromp krijgsraad liet beleggen om te beslissen, wat

onder zoo hachlijke omstandigheden te doen. De bedachtzame Vlootvoogd,

niet meer dan zeventien schepen onder zich hebbende, en wetende, wat

verantwoordelijkheid op hem rustte, spoorde tot voorzichtigheid aan

en wilde langzaam terug trekken; dewijl het toch een onuitvoerlijk ja

onverschoonbaar waagstuk scheen, met zoo gering een macht, iets uit te

richten tegen den metalen berg, gelijk hy de Spaansche vloot noemde,

wier schepen de zijne niet alleen vier malen in getalsterkte, maar

ook in alle andere opzichten, door grootte, geschut en bemanning,

overtroffen. De With echter verklaarde zich tegen elke handeling,

die schroom aan den dag zoû leggen: hy voor zich wilde de plaats waar

zy zich bevonden niet zonder strijd verlaten: men moest, zeide hy, te

dezer gelegenheid toonen, trouwe dienaars van het Vaderland te zijn,

bereid met elkander te leven en te sterven. Gewis had Tromp een raad

verwacht, die zoo wel met zijn heimelijken wensch strookte: en hy

ontveinsde zijn welbehagen daarin niet langer, toen al de overige

scheepsbevelhebbers hun stem gaven aan den kloeken voorslag van De

With. Zoo werkte ten dezen het verschil in karakter tusschen de beide

helden heilzaam voor het Vaderland: de groote omzichtigheid van Tromp

werd aangevuurd door den teugelloozen moed van de With, en de niets

ontziende roekeloosheid van dezen gewijzigd door het kalme beleid

van Tromp. De strijd ving aan: en wanneer men den uitslag nagaat, hoe

zeven-en-zestig galjoenen en groote schepen voor zeventien kleinere

terug weken, dan is het noodeloos te vermelden, dat wonderen van

dapperheid van de zijde der Nederlanders werden verricht. Maar niet een

onder hen, die zich in dien slag meer glorie verwierf dan De With. Van

alle zijde door zware galjoenen omringd, had hy zijn zeilen zien in

flarden vliegen, zijn schip van kogels doorboord, zijn achtersteven in

brand geschoten; maar niets was in staat geweest, hem af te schrikken:

rustig was hy kogels met kogels en vernieling met vernieling blijven

beantwoorden en, na den strijd, "besmeerd en begruisd; hinkende en

ontoonbaar," by Tromp aan boord gekeerd, met de spottende vraag,

"of hy nu wel getoond had, dien metalen berg te vreezen?"

Grootscher lof dan zelfs voor den moed, in dat gevecht betoond, komt

aan De With toe voor zijn zelfsverloochening by gelegenheid van den

zeeslag by Duins. Gewis had hy niets liever verlangd, dan, nevens Tromp

en Evertsen, de Spanjaarts te bestrijden: en toch, hy, de man, wien

't zeevolk den naam van "Vechtgraag" gegeven had, hy bood edelmoedig

aan, met Banckert op de Engelsche vloot te passen en haar, indien zy,

als men vreesde, geneigdheid toonde aan de Spaansche hulp te bieden,

zulks met kracht te beletten. De Britten hielden zich onzijdig en De

With bleef dus werkeloos aanschouwer van den strijd; maar toch zoû

niemand hem het verwijt kunnen hebben toevoegen, dat hy het gevaar niet

had gezocht; want, hadden zich de Engelsche schepen in het gevecht

gemengd, De With zoû, in hen, tegenstanders hebben gevonden, meer te

duchten dan de Spanjaarts, en zijn taak, hoe gemakkelijk zy nu afliep,

ware hachelijker en zwaarder geweest dan die van Tromp. Wie zegt ons,

of niet deze bedenking, en de hoop, dat het tot een treffen met de

Engelschen komen zoû, invloed had gehad op zijn keuze?

Niet minder onderscheidde zich later onze held, toen hy, in 1645, een

vloot naar de Oostzee geleidde en de schrik zijns naams genoegzaam

was om een oorlog tusschen Denemarken en Zweden te voorkomen: niet

minder by de zeeslagen, in 1652 en 1653 met de Engelschen geleverd,

en vooral in dien van ter Heide, toen het behoud der vloot, door

't sneuvelen van Tromp in verwarring gebracht, aan zijn kloekheid te

danken was. Werd de hooge rang van Luitenant-Amiraal, waarop hy--zoo

bewezen diensten hier voornamelijk hadden moeten gelden--gewis meer dan

iemand aanspraak had, hem niet toegekend, dit belette hem niet, tot

aan het einde zijner dagen, zijn vaderland met dezelfde gehechtheid,

wakkerheid en trouw te dienen. Dit bleek in den zeeslag, op den 8

November 1658, in de Zond, door de onzen onder Wassenaer tegen de

Zweden gestreden. De With, die de voorhoede gebood, met zijn gewone

kloekheid op den vyand ingezeild, loopt diens voorhoede voorby zonder

haar schieten te beäntwoorden, geeft den Zweedschen Amiraal de volle

laag, en noodzaakt hem onder Kronenburg te loopen: waarna hy, zijn

weg vervolgende, den Zweedschen Vice-Amiraal Bielkenstjern aanvalt

en met hem en nog twee andere vaartuigen aan den slag raakt. Het eene

Zweedsche schip springt in de lucht, het andere wordt door het geschut

van De With verjaagd. Bielkenstjern alleen strijdt nog; doch reeds

begint zijn vuur te verflaauwen: wanneer de felle stroom beide schepen

doet wegdrijven en aan den grond geraken. In dezen onbewegelijken

toestand wordt De With door een nieuw vyandelijk schip aangetast, dat

hem, zonder dat hy 't verhinderen kan, eerst in den boeg en daarna

in den spiegel beschiet. Twee volle uren verdedigt zich de held,

zonder hoop op ontzet. Twee kogels treffen hem; doch, hoezeer den dood

voelende naderen, even onverschrokken blijft hy zijn medestrijders tot

een mannelijke verdediging aanmoedigen. Eindelijk dringt de vyand aan

boord van zijn schip: het was de Brederode, dat Amiraalschip, waarop

Tromp zoo vaak als overwinnaar had gestreden. Schrikkelijk is voor De

With het denkbeeld, dat vaartuig in 's vyands handen te zien vallen:

schoon onmachtig langer te staan, schoon op de knieën nedergezonken,

nog zwaait hy den degen, zoo lang met eer voor 't Vaderland gevoerd,

weigert dien over te geven, en verdedigt zich, tot zijn krachten

zijn uitgeput en hy van zijn bodem wordt afgesleurd. Maar stervende

ziet hy voor 't minst éénen wensch voldaan: het water dringt in het

verlaten vaartuig door: het zinkt: de bede van den held is vervuld:

de Brederode is geen vyand in handen gevallen.

Grooter bewijs van den eerbied, welken De With ook by den vyand

opgewekt had, kon niet gegeven worden, dan door de wijze waarop de

Koning van Zweden handelde met zijn lijk. Met wit satijn omkleed en

in een kist gelegd, welke de wapens des overledenen vercierde, werd

het aan Wassenaer toegezonden in een galjoot, geheel zwart geverwd

en met rouwwindsels behangen.

Te Rotterdam werd op 's Lands kosten aan De With een praalgraf

opgericht. Zijn grafschrift, de korte schets van zijn roemruchtigen

levensloop, luidt als volgt:

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 23 / 41 题