(Nr. 5716-5733.)
=Augsburg.= +F. Butsch+, Buchhändler: Brautkrone von weißen Perlen
u. Metallschmuck. 16. Jhdt. Silbervergoldeter Halsschmuck mit
Filigranarbeit. 17. Jhdt. -- =Cannstatt.= +Kausler+, Ingenieur: 3
Silbermünzen aus dem Lustnauer Funde. -- =Düsseldorf.= +Se. kgl.
Hoh. Fürst Karl Anton von Hohenzollern-Sigmaringen+: 9 Gypsabgüsse
von Gegenständen aus den Sammlungen Sr. kgl. Hoheit. -- =Gera.=
+Frhr. von Reitzenstein+: Gypsabguß des Secretsiegels Kaiser Karl’s
IV. von 1358. -- =Kupferzell.= +Se. Durchlaucht Fürst F.-K. von
Hohenlohe-Waldenburg-Schillingsfürst+: Photographie nach einem
Relief aus Stein, mit Darstellung der drei guten Christen nach H.
Burgkmair. -- =Nürnberg.= +M. Bach+: Architekturstudie aus Ueberlingen,
Radierung vom Hrn. Geschenkgeber. +R. Bergau+, Professor an der
Kunstgewerbschule: 3 Thongefäße und zahlreiche Bruchstücke von solchen
aus dem Pestliner Funde. +Dr. A. v. Eye+: 5 Muster gewirkter Gold- und
Silberspitzen. 18. Jhdt. +Kieser+, Bergmeister: Hufeisen, 14 Fuß tief
unter der Erde gefunden. +Eugen Frhr. von Löffelholz+: Copie nach einem
Familiengemälde von 1551 in der fürstl. ötting.-wallerstein. Sammlung,
Bleistiftzeichn. +Pickert+, Hofantiquar: 3 Spielkarten vom 15. Jahrh.
2 Kartenspiele vom Ende des 17. Jahrh. +Reuter+, Spielkartenfabrikant:
Kartenspiel von Stöcken aus dem Ende des 17. Jhdts. -- =Offenburg.=
+Eisinger+, Stadtrechner: 3 kleinere Silbermünzen vom 18. Jhdt. --
=Rudolstadt.= +Cl. Frhr. v. Schauroth+, großh. hess. Kammerherr:
Bronzemesser, bronzenes Instrument zum Wetzen, Steinhammer und andere
Ausgrabungen aus der Umgegend von Rudolstadt. -- =Wien.= +Klein+,
Professor: 2 Copieen in Wassermalerei nach Miniaturen vom 13. Jhdt. --
+Ungenannter+: 2 Ansichten von Heidelberg, Kupferstiche von M. Merian
und W. Franken.
Chronik der historischen Vereine.
+Aarböger for nordisk Oldkyndigheid og Historie+, udgivne af det
kongelige +nordiske Oldskrift-Selskab+. 1867. Fjerde Hefte. Kjöbenhavn.
8.
Oldsagfundene i de gamle Flodgruslag navnlig i Somme-Dalen ved Amiens
og Abbeville. Af L. Zinck. -- Småting om Dansk. Af E. Jessen.
Tillæg til Aarböger, Aargang 1867. Kjöbenhavn. 1868. 8.
Aarböger 1868. Förste Hefte: Nogle Jagttagelser angaaende Materialet i
den ældre Jernalders Vaaben. Af Artilleriecapitain Otto Blom. -- Om de
ældste nordiske runeindskrifter. Af Prof. George Stephens. -- Om nogle
i danske Kirker opdagede Kalkmalerier. Af J. Kornerup. (Hertil Tavle
I.) -- Professor G. Stephens om de ældste nordiske runeindskriften.
Af Ludv. F. A. Wimmer. -- En emaileret Bronceskaal fra den ældre
Jernalder. (Kjöbenhavns Oldsagsamling C. 93.) Af C. Engelhardt. (Hertil
Tavle II.)
+Verslag van het verhandelde in de Algemeene Vergadering van het
Provinciaal Utrechtsch Genootschap van kunsten en wetenschappen+,
gehouden den 25. Juni 1867. Utrecht, C. van der Post jr. 1867. 8.
+Anteekeningen van het verhandelde in de Sectie-Vergaderingen+ van
het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van kunsten en wetenschappen,
gehouden in het jaar 1867. Utrecht, C. van der Post jr. 1868. 8.
+Kronijk van het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht.+ Drie en
twintigste Jaargang, 1867. Vijfde Serie. Tweede Deel. Utrecht. Kemink
en Zoon. 1868. 8.
Stukken uit het Archief van Hilten. Medegedeeld door P. van den
Brandeler: De oudste voorregtsbrief der stad Dordrecht 1220. -- Door
Dr. W. G. Brill: Over het beleg van Maastricht in 1632. Toelichtingen
op een brief van den Baron de Charnacé van 1633. Over het onderwijs
in de middeneeuwen. Bestelling van kerkelijke ambten. Kleinigheden
de oorzaken van groote gevolgen. De staatkunde der Nederl. Regering
omstreeks 1730. Over de invoering van het Christendom in Nederland.
Ulixes in Duitschland. De houding van Oostenrijk in het laatst van
den Successie-oorlog 1745. -- Door Dr. J. G. Burman Becker: Een
letterkundige strijd van P. Burinan. Uit het Deensch door Mr. J. I.
D. Nepveu. -- Door Eyck van Zuylichem: De oude loop van den rivier de
Lek. -- Door H. O. Feith: Kronijk van Eggerik Egges Phebens. -- Door
C. F. Gaedechens: Missive over de afleiding van den naam Bilderdijk.
-- Door J. J. de Geer: Romeinsche Oudheden gevonden aan de Meern. --
Door B. J. L. Geer van Jutfaas en J. J. de Geer: Opmerkingen over de
1e Aflevering van het Oorkoudenboek van Holland en Westfriesland. --
Door B. J. L. de Geer van Jutfaas: Brieven van Franciscus Martinius
1631-1652. Charter betrekkelijk Eiteren van 1036. Redenen van den dood
van Floris V. De Rederijkerskamers en de Reformatie. -- Door W. F.
de Jonge: Over den Mercurius Gallo-Belgicus. Origineele brieven van
Justus de Huybert aan Constantijn Huygens, 1669-1672. Over de godin
Nehalennia. -- Door H. J. Koenen: Over den geest en de strekking van
het Amsterdamsche Patriciaat. -- Door P. A. Leupe: Stukken betreffende
het aanstellen van eenige kapiteinen bij de Admiraliteits-Collegien
van het Noorderkwantier en die van Friesland in 1652. -- Door A. J.
Nijland: Portretten van Prins Willem van Oranje en W. Bilderdijk.
Portretten van Prinsen uit het Huis van Oranje. Spotprenten op de
Arminianen. Zeldzame brochuren betrekkelijk de revolutie van 1789.
Portretten van de Stadhouder Willem III. Platen van Frans Hoogenberch.
-- Door Dr. H. C. Rogge: Brief van D. Heynsius aan R. Bont, 1619. Brief
van Johan Kievit aan den Raadsheer Nierop, 1672. Brieven van Daniel
Tresel, 1626. Brieven van J. Hulft, Secretaris van de Gevolmachtigden
der Algemeene Staten bij de vredehandeling te Nijmegen, 1678, aan G.
Brandt. -- Door Dr. Eelco Verwijs: Tochten van Albrecht van Beijeren en
Willem van Oostervant naar Friesland, 1396-1400.
+Brieven en onuitgegeven stukken van Johannes Wtenbogaert.+ Verzameld
en met aanteekeningen uitgegeven door H. C. Rogge. Eerste deel.
1584-1618. Werken van het Historisch Genootschap, Nieuwe Serie Nr. 11.
Utrecht, Kemink en Zoon. 1868. 8. VIII u. 294 Stn., nebst 1 Stammtafel.
+Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen.+ Afdeeling Letterkunde. Tiende Deel. Amsterdam, C. G.
van der Post. 1866. 8.
De polderbesturen van den Berkmeer en den Stootgaard. Door G. de
Vries Az. -- Oudheidkundige ontdekkingen in Nederland. Bijdrage van
L. J. F. Janssen. (Mit drie Platen.) -- Over het al of niet wettige
van het inschuiven eener N in sommige samengestelde worden. Door J.
van Lennep. -- Beantwoording der bijdrage van J. van Lennep over het
inschuiven eener N. in samengestelde woorden. Door L. A. te Winkel.
-- Aanteekening op de beantwoording. Door J. van Lennep. -- Over de
Psalmen von Wachtendonck en de Glossen van Lipsius. Door L. A. te
Winkel. -- Over de oudheid en beteekenis van het Wapen van Haarlem.
Door H. J. Koenen.
+Annales de la Société archéologique de Namur.+ Tome dixième. 1.
Livraison. Namur, 1868. 8.
L’homme pendant les âges de la pierre dans les environs de Dinant
(1. partie); par Ed. Dupont. -- Recherches sur les comtes de Namur
du nom d’Albert; par Eug. Del Marmol. -- Fragment d’une histoire
ecclésiastique du comté et du diocèse de Namur; par Ch. Wilmet. --
Institutions namuroises: Procureur au comté de Namur. -- Notaires: par
X. Lelièvre. -- Route romaine de l’Entre-Sambre-et-Meuse.
+Rapport+ sur la situation de la Société pendant l’année 1867. Présenté
par Mr. le Président dans l’assemblée géneral du 11. février 1868. 8.
p. 209-216.
+Revue des Sociétés savantes des départements+, publiée sous les
auspices de l’instruction publique. Quatrième Série. Tome V. et VI.
Paris, 1867. 8.
Lettres patentes du roi Louis X en faveur de ses sujets de
Basses-Marches. Communication de M. P. Marchegay. -- Formule du serment
exigé des juifs appelés à déposer contre en chrétien habitant d’Arles.
Communication de M. Jacquemin. -- Lettre de M. Fabert à Messieurs du
Conseil souverain de Sedan (1655). Communic. de M. Nozot. -- Droits de
péage dus par les gens de la ville de Mautes. Communic. de M. Ed. de
Barthélemy. -- Lettre de Pierre de Celle, communiquée par M. d’Arbois
de Juhainville. -- Charte accordée en 1271 aux habitants de Vandeuvre
(Aube). Communic. du même. -- Pension de quatre jeunes gentilshommes
payée par la reine Jeanne (1359). Communic. de M. d’Arbaumont. --
Recherche et découverte de la statue de Henri Court-Mantel dans la
cathédrale Rouen, en octobre 1866, par M. l’abbé Cochet. -- Notes sur
un petit vase antique en terre, par M. Mantellier. -- Chartes en langue
vulgaire, communic. de M. Marchegay. -- Extrait du procès-verbal de
Mgr. Destampes, archevêque de Reims, du 23. août 1644, communiqué par
M. Nozot. -- Copie d’une lettre de saint Vincent de Paul, par le même.
-- Copie d’une lettre de l’abbé Maury, par M. Soucaille. -- Lieu de
naissance du cardinal d’Ossat, par M. l’abbé Canéto. -- Recherches sur
l’ancien collége de Blois, par M. Dupré. -- Documents sur le sacre de
Henri IV, communiqué par M. Ed. de Barthélemy. -- Rapports, chronique,
bibliographie etc.
+Bulletin monumental+, publié sous les auspices de la +Société
française d’archéologie pour la conservation et la description des
monuments nationaux+, et dirigé par M. de Caumont. 4. Série, Tome 4,
34. Vol. de la Collection. Nr. 6. 7. Paris et Caen, 1868. 8.
De Normandie en Nivernais. Rapport archéologique, par M. Ch. Vasseur.
-- L’église de Germigny et celle de Beaulieu-lèz-Loches, par M.
G. Bouet. -- Le mur de Laudunum (Côte-d’Or), comparé aux murs de
l’_oppidum_ découvert à Mursens (Lot), et au mur decouvert cette année
an mont Beuvray (Saône-et-Loire), par M. de Caumont. -- Quelques
observations sur la „Seine-Inférieure historique et archéologique“ de
M. l’abbé Cochet, par M. V. Hucher. -- Notice sur les confessionaux
(1^{re} partie), par Mr. l’abbé Barraud. -- Notice sur quelques
alchimistes normands, par M. Alfred de Caix. -- Mémoire sur un vase
en plomb trouvé dans la régence de Tunis et exhibé à l’Exposition
universelle de 1867, par M. le commandeur de Rossi.
+L’Investigateur. Journal de l’Institut Historique de France.+
Trente-cinquième année. Tome VIII.-IV. Serie. 402. et 403. Livraison.
-- Mai et Juin. 1868. 404. et 405. Livraison. -- Juillet et Août 1868.
Paris 1868. 8.
Notice sur Pierre Gilbert de Voisins (1684-1769), par M. J. Barbier. --
La légende du Masque de fer, par M. A. de Bellecombe.
Les Jardins du Roman de la Rose, comparés avec ceux des Romains et
ceux du moyen âge, par M. Cénac-Moncaut. -- La Chapelle de Sabar, à
Tarascon-sur-Ariége, par M. Morel.
+Mittheilungen der Gesellschaft für vaterländische Alterthümer in
Basel.+ X. Der Kirchenschatz des Münsters zu Basel von Dr. Carl
Burckhardt. (Schluß.) Mit 6 lithographirten Tafeln und 5 Holzschnitten.
Basel. Bahnmaier’s Verlag (C. Detloff). 1867. 4.
In Folge einer im September ergangenen gedruckten Einladung fand am
19. October in Friedrichshafen eine Versammlung statt, auf welcher
die Gründung eines +Vereins für Geschichte des Bodensees und seiner
Umgebung+ beschlossen und Oberamtsarzt Dr. Moll in Tettnang zum
Vorsitzenden erwählt wurde. Jährlich einmal, und zwar im Herbste,
wird eine Zusammenkunft der Vereinsmitglieder veranstaltet. Wichtige
Abhandlungen, welche bei solcher Gelegenheit gehalten werden und ein
allgemeines Interesse darbieten, kann der Verein im Druck erscheinen
lassen. Eine regelmäßig erscheinende Zeitschrift wird aber nicht
herausgegeben. Der Jahresbeitrag beträgt 1 fl., wofür die erscheinenden
Druckschriften gratis verabfolgt werden.
+Beiträge zur Geschichte der kurkölnishen Universität Bonn+ von
Dr. C. Varrentrapp. Festgabe, dargebracht... vom +Verein von
Alterthumsfreunden im Rheinlande+. Bonn, 1868. 4. XXIII. u. 53 Stn.
+Internationaler Congress für Alterthumskunde u. Geschichte zu
Bonn+ vom 14.-21. September 1868, veranstaltet von dem +Vereine von
Alterthumsfreunden im Rheinlande+. Bonn, 1868. 4. 10 Stn.
Auf den 27. August hatte der Vorstand des +Harzer Geschichtsvereins+
abermals eine Zusammenkunft auf der Waldmühle bei Kloster Michaelstein
veranstaltet. Der Conservator des Vereins, Sanitätsrath Dr.
Friedrich, legte der Versammlung das zweite Heft seiner Beiträge zur
Alterthumskunde vor, welches die Beschreibung der in einem Todtenhügel
bei Minsleben gefundenen Alterthümer enthält, eine Arbeit, die als
mustergültig anerkannt wurde. Bei Aufgrabung des Kniggels bei Minsleben
wurden gefunden: 46 unverbrannte Gerippe, mehrere wohlerhaltene und mit
gebrannten Menschenknochen gefüllte Urnen und eine Menge zerbrochener
Urnen, die den Randstücken nach auf 217 Stück schließen ließen; daneben
werthvolle Steingeräthe und Steinwaffen, sowie, fast ohne alle Spur aus
dem Bronzezeitalter, eine Anzahl eiserner Waffen und Geräthe; ferner
ein Knochenstück mit interessanter Verzierung u. s. w.
+Statuten und Mitglieder-Verzeichniß des Geschichts- und
Alterthumsforschenden Vereins für Leisnig und Umgegend+, gegründet den
5. März 1866. Leisnig 1867. 8. 8 Stn.
+Mittheilungen+ desselben Vereins. I. Heft nebst 3 Tafeln Abbildungen.
Zusammengestellt und im Auftrage des Vereins herausgegeben von Wilhelm
Haan. Leisnig. 1868. 8.
Geschichtliches Vorwort. -- Die adelige Bevölkerung der Stadt- und
Amtsbezirke Döbeln und Leisnig im 13.-16. Jahrhundert, vom Cantor
Hingst. -- Eine Urkunde des Markgrafen Wilhelm von Meißen vom 27.
September 1386, durch welche er den Rath zu Leisnig mit dem 3. Pfennige
vom Stadtgerichte belehnt. Mitgeth. vom Adv. Rittergutsbes. Clauß. --
Einiges über alte wendische Befestigungen, Baue und Ringwälle in der
Umgebung von Leisnig. Vortrag des Dr. med. Müller. Mit Abbildungen. --
Der Schrankaltar in der Gottesackerkirche St. Nicolai zu Leisnig. 1509.
Beschrieben von Dr. Haan. -- Mittheilungen über das Tuchmacherhandwerk
zu Leisnig. Vorgetragen vom Stadtrath Dr. Adolf Mirus. -- Das
Adelsdiplom Kaiser Karl V. für Peter Apian (Bennewitz) vom Jahre 1541.
Mitgetheilt von Dr. Ad. Mirus. -- Sechs Citationen beziehendlich
Excommunicationen des Bischofs zu Meißen etc. Original-Urkunden
aus den Jahren 1490 bis 1494. Mitgeth. durch Hofrath Oberbibl. Dr.
Gersdorf. -- Beschreibung der in dem Superintendur-Gebäude zu Leisnig
aufbewahrten Alterthümer von Dr. Haan. -- Eine Holzsculptur aus der
Stadtkirche zu Leisnig. Beschrieben von Dr. Haan. Mit Abbildung. --
Mitgliederverzeichniß.
+Vortrag über Unechtheit und Fälschung einiger wichtiger
voigtländischer Urkunden+, gehalten bei der Hauptversammlung des
+voigtländischen altherthumsforschenden Vereins+, vom 6. August
1868, von Karl Freiherrn von Reitzenstein. Weida. 8. 32 Stn., mit 1
Stammtafel und 4 eingehefteten Siegel-Photographien.
+Correspondenzblatt des Gesammtvereines der deutschen Geschichts-
und Alterthumsvereine.+ Herausgeg. vom Verwaltungsausschusse des
Gesammtvereines in Altenburg. Sechzehnter Jahrgang. 1868. Nr. 8-10.
August-October. 4.
Angelegenheiten des Gesammtvereins. -- Celtische Alterthümer,
gefunden bei Görz im Spätherbst 1867. -- Literarische Anzeigen.
-- Notizen über alterthümliche Funde etc. -- Der internationale
Kongreß für Alterthumskunde u. Geschichte zu Bonn. -- Das Archiv des
fürstlichen Hauses Reuß auf Schloß Osterstein bei Gera. -- Notizen über
alterthümliche Funde etc.
+Collektaneen-Blatt für die Geschichte Bayerns+, insbesondere
für die Geschichte der Stadt Neuburg a. d. D. und des ehemaligen
Herzogthums Neuburg, bearbeitet von Mitgliedern des +historischen
Filial-Vereines zu Neuburg+. Vierunddreißigster Jahrgang 1868.
Neuburg, 1868. 8.
Jakob Balde’s geschichtliche Oden des ersten Bandes seiner gesammelten
Werke metrisch übertragen von Franz Xaver Binhack. -- Das Theater in
Neuburg. -- Gansheim von Böhaimb. -- Das Taufbecken in Zell von Ant.
Geist.
Nachrichten.
Literatur.
_Neu erschienene Werke._
31) +Das deutsche Land in seinen charakteristischen Zügen und
seinen Beziehungen zu Geschichte und Leben der Menschen.+ Zur
Belebung vaterländischen Wissens und vaterländischer Gesinnung.
Von Professor Dr. J. +Kutzen+. Zweite, vielfach veränderte und
großentheils vollständig umgearbeitete Ausgabe. In zwei Bänden.
Ferdin. Hirt, Verlags- u. Königliche Universitäts-Buchhandlung.
Breslau, 1867. 409 u. 464 Stn. 8. (Preis 3 Thlr. 10 Sgr.)
Das vorliegende Werk verhält sich zu einem gewöhnlichen geographischen
etwa wie eine Reliefkarte zu einem Atlasblatt; es zeigt das Land
zugleich unter dem Einflusse der Geschichte und Kultur und, indem
es Rücksicht nimmt auf Bewohnbarkeit, Bebauung, Hülfsquellen,
Vertheidigung einer Gegend u. s. w., gibt es bedeutsame Winke über
Einwirkung der Naturbedingungen auf die geschichtlichen Vorgänge.
Das Ganze zerfällt in sieben, der Form und Behandlung nach ziemlich
gleichartige, auf Grund des wechselnden Stoffes aber in außerordentlich
anziehender Mannigfaltigkeit sich bewegende Abtheilungen. Die
erste behandelt Deutschland im Ganzen und Allgemeinen und zwar
mit Rücksicht auf dessen geographische Stellung und die daraus
entspringenden ethnographischen und universalhistorischen Folgen,
auf die verticale und horizontale Gestaltung des Landes und deren
Einwirkungen auf politsche und Kultur-Geschichte, auf die Flußsysteme
in Vergleichung mit denen anderer europäischer Länder, die klimatische
Eigenthümlichkeit Deutschlands und deren Einwirkung auf den
Volkscharakter, endlich auf das deutsche Volk in quantitativer und
qualitativer Beziehung. Unter Festhaltung und zum Theil genauerer
Präcisierung der im allgemeinen Abschnitt aufgestellten Gesichtspunkte
behandeln die folgenden einzelne Theile des Reiches: der zweite das
Gebiet des deutschen Hochgebirges, der dritte das nördliche Vorland
der Alpen, der vierte die mittleren Stufenlandschaften Deutschlands,
der fünfte die mittelrheinischen und westphälischen Plateau- und
Berglandschaften, der sechste die Gegenden nördlich vom mitteldeutschen
Hauptgebirgskamme, wie Hessen, Thüringen, den Harz, das Wesergebirge
u. s. w., der siebente endlich das norddeutsche Tiefland. Ein Anhang
gibt Quellen und Erläuterungen, ein ausführliches Register dient
dem Bandgebrauch. Die Bewältigung des außerordentlich umfangreichen
Stoffes verlangte von vorneherein eine gewisse Beschränkung, und so ist
das Buch im Ganzen im Lapidarstil verfaßt; nur einzelne Stellen, wo
Bedeutsamkeit oder Fremdartigkeit des Gegenstandes es verlangte, sind
ausführlicher behandelt, ohne daß indeß dadurch der Gleichartigkeit
Abbruch geschähe. Das Bild des deutschen Landes, welches uns daraus
entgegentritt, ist gewiß so individuell wie vollständig. Daß darin
einzelne Irrthümer mit unterlaufen, wie z. B. das erste Entstehen
der späteren Reichsstadt Nürnberg bis in die karolingische Zeit
zurückgeführt wird, ist nicht zu verwundern, und fällt nur denen zur
Last, welche die Spezialstudien zu machen hatten.
v. E.
32) +Repertorium der steierischen Münzkunde. Von Dr. Friedrich
Pichler.+ I. und II. Band. Grätz. 1865. 1867. Commissions-Verlag
von Leuschner und Lubensky’s Universitäts-Buchhandlung. 8. Je 248
Stn. Mit lith. Tafeln.
Der erste Band dieses fleißigen Werkes behandelt nach vorausgeschickter
Einleitung über die Pflege der Numismatik in Steyermark die daselbst
gefundenen keltischen und consularen Münzen, der zweite die der
römischen und byzantinischen Kaiser. Jener beschreibt 115 keltische und
50 consularische nebst einigen ägyptisch-ptolemäischen und sicilischen
Geprägen; dieser etwa 2300 der römischen und 24 der byzantinischen
Kaiser unter Nachweisung der Fundorte, Angabe der Literatur u. s. w.
Manche sonstige archäologische Beziehungen sind mit eingeflochten,
von besonderem Interesse Beilagen über keltische Sprachdenkmäler in
Orts-, Stamm- und Personen-Namen im Umfange der Grenzen des Landes.
Was aber dem Werke bezüglich seines Hauptzweckes vor allem Werth
verleiht, ist, daß es nicht mehr nach hergebrachter Weise die Münzen
als bloße Curiositäten aufführt, sie allein nach ihrem äußeren Aussehen
beschreibt, sondern auch als das behandelt, als was sie ursprünglich
gegolten, ihren Werth festzustellen sucht. Den keltischen Münzen
ist eine Tafel mit Abbildungen und eine Karte mit Bezeichnung der
Fundstätten, eine solche in ausgedehnterem Maßstabe, mit Rücksicht
auf die Entdeckung antiker Denkmäler überhaupt, auch den Kaisermünzen
beigefügt.
v. E.
_Aufsätze in Zeitschriften._
+Das Ausland+: Nr. 44 f. Vier esthnische Volksmärchen. (Michael
Weske.)
+Börsenblatt f. d. deutschen Buchhandel+: Nr. 221. Zur Geschichte
des Leipziger Buchhandels. Culturhistor. Skizze von Otto Moser.
(Leipz. Tagbl.)
+Illustr. Familien-Journal+: Nr. 45 (779). Zur Geschichte des
Claviers.
+Die Gartenlaube+: Nr. 44, S. 695. Die Martinsgans.
+Deutsche Gemeindezeitung+: Nr. 38. Ueber Raths-Ernennungen
früherer Zeiten, insbesondere in Olmütz.
+Die Grenzboten+: Nr. 43, S. 154. Das Museum für vaterländische
Alterthümer in Kiel. (Gust. Freytag.) -- Nr. 44, S. 161. Colin
Muset der Jongleur.
+Der Katholik+: Aug. Die ewige Anbetung im Mittelalter.
+Danz. kathol. Kirchenblatt+: Nr. 43. Die Kirche zu Baumgart. (R.
Bergau.)
+Korrespondent v. u. f. Deutschland+: Nr. 563. Das friesische
Zwölfmänner- oder Rathsgericht. -- Nr. 564. Die Stadtbibliothek in
Nürnberg. -- Nr. 574. Die Barfüßerkirche zu Lindau. -- Nr. 585.
Der Fund zu Hildesheim. (Aus der Weserzeitung, von Prof. Unger aus
Göttingen.)
+Illustr. deutsche Monatshefte+: Nr. 50 (146), Novbr., S. 137.
Zur Geschichte der Glocken. (Aug. Vogel.) -- S. 144. Der Dom zu
Regensburg. (Hans Weininger.)
+Monatsrosen+: 1869, Nr. 1, S. 22. Kulturhistorische Wanderbilder
aus dem Bereiche der Natur und Kunst. I. Frauenchiemsee. (Dr. H.
Holland.)
+Notes and Queries+: Nr. 42 f. Observations upon early engraving
and printing. Part. II. The block books.
+Augsb. Postzeitung+: Beil. Nr. 71. Das Haus Dietrichstein.
+Sonntagsblatt+ (von Dohm): Nr. 36. Das Wunderblut u. seine Rolle
in der Religionsgeschichte. (E. Krause.)
+K. preuß. Staats-Anzeiger+: Beil. Nr. 222 u. 228. Die deutsche
Volkswirthschaft unter den beiden ersten Königen von Preußen. 1.
2. -- Die Wartburg. 1. 2. -- Bildnisse brandenb. Kurfürsten in
dem herzogl. Museum zu Braunschweig. -- Die antike Rüstkammer des
Emdener Rathhauses.
+Wochenblatt d. Joh.-Ordens-Balley Brandenburg+: Nr. 44 ff.
Preußische Skizzen (Deutschorden, Christianisierung, Gebräuche etc.)
+Allgem. Zeitung+: Beil. 294. 295. Kloster Königsfelden im Aargau
u. seine Glasgemälde. (Forts. u. Schluß.) (Gottfried Kinkel.)
-- Nr. 305. Tiroler Ruinen. -- Nr. 312. Albrecht Dürer’s Haus zu
Nürnberg.
+Illustr. Zeitung+: Nr. 1322. Alte Jungfern. (v. R. D.) -- Ein
Porträt Luther’s von Lukas Cranach. -- Nr. 1324. Kloster Veßra
(Henneberg.)
+Köln. Zeitung+: Nr. 310, 2. Bl. Der große antike Fund bei
Hildesheim. (Dr. Otto Benndorf.)
Vermischte Nachrichten.
108) Das Aeußere der eleganten +Wallfahrtskirche+ zu +Straßengel+
bei Graz wird einer durchgreifenden +Restauration+ unterzogen,
für welche die von den Schülern des Oberbauraths Schmidt in Wien
gefertigten Aufnahmen als Grundlage dienen. Die Ausführung besorgt
Steinmetzenmeister Grein unter Leitung der Architekten Scanzoni und
Grath. Eine besonders schwierige Arbeit verursachte der zierlich
durchbrochene Steinhelm des Thurmes, der aus schlechtem Material
errichtet und stark verwittert war. Ein großer Theil des Helmes wurde
ganz aus hartem Muschelkalk erneuert; die Kreuzblume des Thurmes,
gegen 8′ hoch und c. 5½′ im Durchmesser, wurde aus Kalkstein von
Nabresina hergestellt. Interessant war es, bei näherer Untersuchung
der am Fuße des Thurmhelms stehenden Engelfiguren, wie solche
jetzt durch die Gerüste möglich war, zu finden, daß vier derselben
Blasinstrumente trugen, die eine mechanische innere Einrichtung hatten,
um bei Luftzug Töne von sich zu geben. Die Restauration der Kirche
selbst ist vom Chore an bis zum Seitenportal beendet; über letzterem
wird ein Schutzdach aus Stein aufgeführt. Man hofft im Winter die
beiden Portale und den Westgiebel restaurieren zu können, so daß diese
schöne Kirche, die, auf hohem Bergrücken stehend, schon von weitem
dem vorüberreisenden Publikum in die Augen fällt, bald äußerlich in
altem Glanze dastehen wird. Leider können die späteren Anbauten an der
Nordseite, die gerade von der Eisenbahn aus sehr störend erscheinen,
nicht beseitigt werden.
+Straßengel.+
+U. Greiner.+
109) In +Köln+ fand man unlängst beim Abbruche alter Häuser neben der
Kunibertskirche, die großen Neubauten Platz machen mußten, +Ueberreste
einer romanischen Kapelle+, aus Tuffstein errichtet. Von Interesse war
dabei, daß sich im Innern einer späteren Wand der Anfang einer kleinen
Abside fand, welche noch in vollkommener Farbenfrische erhaltene
Gemäldeüberreste zeigte. Zwei Einzelfiguren waren noch vollständig
erhalten; eine Magdalena mit dem Salbgefäß und darunter ein Johannes
der Täufer. Von einer größern Scene, wahrscheinlich einer Kreuztragung,
fanden sich einzelne Köpfe. Die Ausführung der Malerei ist nicht gerade
elegant, in der Weise der romanischen Wandgemälde der Rheinlande; aber
die Zeichnung edel und rein. Der Stil der Zeichnung steht auf der
Grenzscheide des 13. u. 14. Jahrhunderts. Er schließt sich noch den
allgemeinen Typen der Zeit an ohne die specifischen Eigenthümlichkeiten
der späteren lokalen Schule. Leider konnten die Ueberreste nicht
erhalten werden, sondern wurden wenige Tage nach ihrer Entdeckung
zerstört; doch hat Maler Schüller vollkommen exakte, naturgroße Copien
für das germanische Museum angefertigt.
110) Vor einigen Wochen genehmigte die Versammlung der Stadtverordneten
von +Köln+ die Anstellung von +Nachgrabungen+, welche der Verein von
Alterthumsfreunden im Rheinlande auf dem zwischen der Rampe der festen
Rheinbrüche und dem Viadukt der Rheinischen Eisenbahngesellschaft
liegenden Rasenplatze ausführen zu lassen beabsichtigte, um die Lage
der alten, entlang der Burgmauer gestandenen römischen Stadtmauer
weiter nach Osten zu verfolgen und festzustellen. Die Nachgrabungen
haben am 10. November begonnen, und die dabei beschäftigten Arbeiter
sind bereits auf alte Mauerreste gestoßen, von welchen vorerst noch
kaum zu sagen ist, ob sie römischen oder mittelalterlichen Ursprunges
sind.
(Köln. Ztg. Nr. 315, 2. Bl.)
111) Bei dem Grundbau des Gebäudes der öffentlichen Bibliothek des
katholischen Gymnasiums an Marzellen -- diesen Titel führt die
Bibliothek amtlich -- in +Köln+ hat man +römische Alterthümer+
gefunden. Etwa zwölf Fuß unter der Sohle traf man auf Spuren von
römischen Gräbern; man fand unter Anderm Krüge, Aschenurnen und
Lämpchen in mancherlei bekannten Formen, ein Trinkgeschirr mit
Thierdarstellungen, einen Krug mit zum Anfassen bestimmten Eindrücken
und ein ganz unversehrt erhaltenes Fläschchen. Am bedeutendsten ist
ein römisch-christlicher Grabstein von buntem Marmor, 1′ 5″ breit, 11″
tief, 3″ dick, mit einer Inschrift, von welcher nur der erste Buchstabe
in der ersten und ein Theil desselben in der zweiten Zeile abgebrochen
ist. Sie lautet:
· MAGE T F UCILIO QVAE
VIXIT ANNOS · XV FIDE
LIS IN PACE RECESSIT
Unter der Inschrift steht das christliche Monogramm. Sie selbst steht
auf vorgezogenen Linien. In den ersten Zeilen sind die Buchstaben M
und A, V und A mit einander verbunden. Das V in der Zahl XV hat eine
eigenthümliche Gestalt. In _recessit_ steht statt des zweiten E irrig
ein C.
(Das.)
112) Dem Vernehmen nach wird die k. Regierung, welcher die Stadt
+Trier+ die Aufdeckung und Erhaltung der wichtigsten ihrer ehemals
verschütteten Baudenkmale verdankt, nun auch für die gänzliche
Freilegung der +porta nigra+ Sorge tragen. Es soll sogar der dazu
erforderliche beträchtliche Fond bereits zur Disposition gestellt
sein. Die porta nigra, das einzige erhaltene Römerthor, zeigt sich
nämlich noch nicht in seiner ganzen Höhe, die an den Thurmabtheilungen
94 Fuss 8½ Zoll beträgt, sondern liegt noch 7 Fuß tief unter dem
Niveau der Straße vergraben. Dieser Theil des kolossalen Baues wird
nun wahrscheinlich etwa in der Art, wie es bei der Kathedrale und
der Laurentiuskirche geschehen, freigelegt und die Passage durch das
Hauptthor, wenn es nicht für immer geschlossen werden soll, durch eine
Ueberbrückung ermöglicht werden. Auf diese Weise tritt das Römerthor
erst in seiner ganzen ursprünglichen Großartigkeit hervor und gewährt
der Stadt einen erhöhten antiken Reiz.
(Köln. Ztg. Nr. 309, 2. Bl., nach d. Trier. Ztg.)
113) In dem um einige Fuß abgelassenen +Streitzigsee+ bei Neustettin
ist ein bisher durch Rohrwuchs verdecktes großes +Pfahlbautenrevier+
entdeckt worden, bei dessen oberflächlicher Untersuchung viel Kohle und
mehrere alte Mahlsteine gefunden wurden.
(Ill. Ztg. Nr. 1323, Korr. v. u. f. D. Nr. 564.)
114) In +Böhmen+ haben sich, nach österreichischen Blättern, nun auch
Reste von +Pfahlbauten+ gefunden, und zwar auf der Höhe des Erzgebirges
im Kreiserwalde bei Sonnenberg. Von den in ziemlicher Tiefe gefundenen
Werkzeugen und Geräthschaften werden erwähnt: Ein Schleifstein, aus
einer Platte von hartem Sandstein bereitet, ein aus dem Zahn eines
Ebers gefertigtes Weberschiffchen, eine Steinschleuder, Pfriemen zur
Bearbeitung von Lederwaaren, eine Vase, ein Thonkessel, ein Wagen-
oder Karrenrad, eine eichene Kette, ein Angelhaken, eine Dolchspitze,
ein kurzes zweischneidiges Schwert, eine Nadel aus Bronze. Das
Bemerkenswertheste sind jedoch vier dabei befindliche Menschenschädel.
(Ill. Ztg. Nr. 1321.)
115) Etwa 800 Schritte östlich von dem letzten Hause des Dorfes
+Pestlin+ (zwischen Marienwerder und Marienburg), dicht am Wege nach
Zyguß, wurde im Sommer 1867 beim Graben nach Mauergrund auf ebenem
Felde in nur zwei Fuß Tiefe unter der Oberfläche eine große Anzahl (der
Angabe nach über fünfzig) +heidnischer Aschengefäße+ verschiedener
Form gefunden. Die meisten derselben sind von den Findern zerschlagen
worden. Nur vier Stück, welche Kinder an sich genommen hatten,
haben sich durch Zufall erhalten und sind, in Folge meines eifrigen
Nachforschens, wieder zum Vorschein und in meinen Besitz gelangt[220].
Nach Angabe der Landleute standen und lagen die Töpfe dicht bei
einander, zum Theil umgekehrt, in dem groben Sande und haben nichts
Bemerkenswerthes enthalten. In diesem Frühjahre besuchte ich die
Fundstätte, fand aber nur Scherben in großer Anzahl. Bei verschiedenen
Nachgrabungen gelang es mir, außer unendlich vielen Scherben und
einigen zerbrochenen, auch einige wohlerhaltene Gefäße zu finden. Sie
standen meist umgekehrt, mit dem Boden nach oben und waren durchaus
leer.
Es befand sich also an dieser Stelle ein großes Todtenfeld, welches die
historische Nachricht (Script. Rer. Prussic. I, 60 u. 357; J. Voigt,
Gesch., II, 620), daß Pestlin schon am Anfang des 13. Jahrhunderts ein
bedeutender Ort war, in trefflichster Weise bestätigt.
Die Gefäße sind von auffallend schöner Form (dieselbe erinnert oft an
die schönen antiken, griechischen, bemalten Gefäße), zum Theil mit
einem Henkel und leise angedeutetem Ausguß versehen, von dünnen Wänden
und hart gebrannt, so daß sie klingen. Deckel habe ich nicht gefunden.
Der Thon ist von bläulicher Farbe und stark mit grobem Sand vermischt.
Sie zeigen eine schon sehr ausgebildete Technik (auf der Drehscheibe)
und sind mit den einfachsten Mitteln in sehr verschiedener, stets
hübscher und sinniger Weise am Halse ornamentiert. Fast alle haben am
oberen Theil des Bauches wagrechte Riefelungen. Diese Gefäße stehen
also ganz im Gegensatz zu den sonst in unserer Provinz gefundenen
Aschengefäßen, welche meist ganz roh mit der bloßen Hand geformt sind,
dicke Wände haben und ungebrannt sind. Gestützt auf diese Thatsachen,
möchte ich die Pestliner Gefäße für viel jünger halten, als die meisten
sonst gefundenen, glaube, daß sie aus historischer Zeit stammen, da
ganz Pomesanien der Form nach schon christlich war, die alten Preußen
ihre heidnischen Gebräuche aber noch nicht aufgegeben hatten. Ein
zwischen den Gefäßen gefundenes Fragment eines eisernen Geräthes
scheint meine Ansicht zu bestätigen.
+Pestlin.+
+R. Bergau.+
(Aus der Altpreuß. Monatsschr., 6. Heft.)
116) Bei +Kötten+ (Eisenacher Oberland) wurden bei Anlegung einer neuen
Straße riesige +Skelette+ nebst silbernen +Armspangen+, mit Perlen
besetzt, und Messer in eigenthümlicher Form gefunden. Nach der Ansicht
des Professors Dr. J. Klopfleisch aus Jena, welcher zum Zweck weiterer
Nachforschungen die Stelle besuchte, gehören die genannten Objekte dem
heidnischen Alterthum an.
(Frk. Kur. Nr. 317.)
117)[221] Auf einem Felde nächst +Hildesheim+ ist, gelegentlich der
Anlage einer Militärschießstätte, 9 Fuß unter dem Erdboden eine
große Anzahl (54 Stück) massiv +silberner+, theilweise vergoldeter
+Gefäße aufgefunden+ worden, die, einen Silberwerth von wenigstens
3000 Thlrn. repräsentierend, dem Alterthum entstammen und zu einem
Tafelservice gehörten. Gefunden wurden: Ueberreste eines gegossenen
Dreifußes (3 Füße mit Thierklauen, 3 Aufsätze in Form kleiner Hermen
des bärtigen Bacchus, verschiedene Theile der Verbindungsstäbe mit noch
beweglichen Scharnieren); ein ½ Meter hoher, glockenförmiger Krater,
ganz umzogen von den reizendsten Ornamenten, in welchen allerhand
Figuren, namentlich Eroten, angebracht sind; 4 Schalen mit Inschriften,
im Innern mit aufgelötheten Hochreliefs (Minerva, Büste einer Kybele,
eines Deus Lunus, des Herakles als Knabe, Schlangen würgend); einfache
Schale; zwei Becher mit Ornamenten und Inschriften; beweglicher Henkel
einer Vase; 5 flache Tafelaufsätze mit Inschriften und je 4 Füßen, an
den Langseiten Dithyosen (?), an den Schmalseiten tauchende Enten;
drei Tiegel mit ornamentiertem Griff und Inschriften; verschiedene
Schalen, je über 1 Pfund schwer; drei glockenförmige Becher mit Händen
und Füßen, die äußere Fläche überfüllt mit bacchischen Symbolen und
Masken von Panen, Titanen, alten und jungen Satyren männlichen und
weiblichen Geschlechts, Hermen etc.; zwei hohe Vasen von konischer
Form, umzogen von Kreisen mit Thierfiguren; ein Salzgefäß; ein Eimer
ohne Henkel und ohne Verzierung; Fragmente anderer Gefäße. Die Reliefs
sind durchweg von getriebener Arbeit, Ornamente und Darstellungen
der Reliefs ausnahmslos der antiken Kunst und Mythologie angehörig;
die lateinischen Inschriften weisen auf Gebrauch in römischer Zeit,
die in der Silbertechnik und dem Styl der Ornamente und Figuren
sich aussprechende hohe Kunst auf griechische Künstler, etwa der
augusteischen Zeit, hin.
(Frk. Kur. Nr. 316, nach der Köln. Ztg.)
118) Im +Zalarer+ Comitat (Ungarn), nicht weit von Also-Lendva, stieß
man beim Ackern auf eine Urne, welche in ihrem Innern an 1000 Stück
+Silber- und Kupfermünzen+, goldene und silberne Ringe, Armbänder und
Halsketten barg. Eine der Silbermünzen, welche Prof. Wagner in Ofen
erhielt, trägt vorn die Inschrift: „Imp. Cae. C. Vib. Volusiano Augg.“
und die Rückseite zeigt die Worte: „Pietas Augg.“, sowie die Abbildung
einer auf dem Altar opfernden Vestalin. Cajus Vibius Volusianus war
der Sohn des Vibius Trebonianus Gallus und dessen Mitregent seit
252 n. Chr., daher die Inschrift der Kehrseite „Pietas Augustorum“,
da derselbe sammt seinem Vater 253 von seinen eigenen rebellischen
Prätorianern umgebracht wurde.
(Ill. Ztg. Nr. 1320.)
119) Wie bereits mitgetheilt (auch in der vor. Nr. dies. Bl.), wurde in
dem Walde der württemb. Gemeinde +Lustnau+ vor Kurzem unter einer Eiche
ein Topf aufgefunden, welcher +Silbermünzen+ enthielt. Es waren dies
über 6000 Stück kleine, schüsselförmige, blos auf einer Seite geprägte
Münzen in der Größe eines Groschens, einige, doppelt geprägt, in der
Größe eines Sechsers, und einige, circa 200, gleichfalls mit doppeltem
Gepräge, kamen einem frühern Zwölfkreuzerstück gleich. Die Münzen
scheinen aus dem 14. und 15. Jahrh. zu stammen und kursierten in der
Gegend von Tübingen, indem eine größere Anzahl derselben der gräflich
Hohenberg’schen Münzstätte zu Rottenburg am Neckar entsprungen sind
und den Namen des Erzherzogs Leopold Graf von Tirol tragen, welcher
1396 mit Württemberg, Augsburg, Oettingen, Ulm, Esslingen, Gmünd einen
Münzvertrag schloß. Der Topf, in welchem sich die Münzen befanden,
ist ein Essighafen, welcher unten zwei Henkel und ein Zapfenloch hat.
Der größere Theil der Münzen wurde an das k. Münzkabinet in Stuttgart
gesendet.
(Korr. v. u. f. D. Nr. 540, nach d. Schw. M.)
120) In +Lüttich+ will man ein +Gemälde von Teniers+ aufgefunden haben.
Ein Speisewirth hat das Bild, welches ganz mit Schimmel bedeckt war,
in einer Auction erstanden. Es stellt den heiligen Antonius dar, wie
er vom Teufel versucht wird. Dem Besitzer sind bereits hohe Preise von
Kunstfreunden geboten worden.
(Monatsrosen 1869, Nr. 1.)
121) In Nr. 2 des diesjährigen Anzeigers habe ich nähere Nachricht von
der höchst bedeutenden Sammlung mittelalterlicher Paramente in der
Marienkirche zu +Danzig+ gegeben. Jetzt kann ich die erfreuliche
Nachricht hinzufügen, daß dieselbe binnen Kurzem auch weiteren Kreisen
zugänglich gemacht werden soll, indem zu Ostern k. J. im Verlage
von Kasemann in Danzig ein großes Werk erscheinen wird, welches
photographische Abbildungen aller interessanten Stücke nebst einem
beschreibenden Text von Hinz enthalten wird.
+R. Bergau.+
122) Seit dem 7. Oktober erscheint in +Berlin+ eine +neue Wochenschrift
für Kunst+ unter dem Titel: „Blätter für bildende Kunst“, Organ des
Preußischen Kunstvereins, herausgegeben unter Mitwirkung namhafter
Fachmänner von C. Schönau. Wenn sich das Blatt auch als „Organ
des Preußischen Kunstvereins“ ankündigt, so will es doch auch die
allgemeinen Kunstinteressen in ausgedehntestem Maße vertreten. Es
bringt größere abhandelnde Artikel, Mittheilungen aus dem Berliner
Kunstleben, auswärtige Original-Correspondenzen, Kritiken neuer Werke,
eine Rundschau auf dem Gebiete der Kunstliteratur, Biographieen und
Charakteristiken hervorragender Künstler etc. Die Redaktion hat im
Programm den Grundsatz aufgestellt, eine durchaus unparteiische Kritik
üben zu wollen. Für Künstler und für die Mitglieder des Preußischen
Kunstvereins hat der Herausgeber den Abonnementspreis auf 1 Thlr.
pro Quartal bei directer Bestellung in der Redaktion in Berlin,
Dorotheenstrasse 31, ermäßigt. Für andere Abonnenten im In- und
Auslande beträgt das Abonnement 1 Thlr. 10 Sgr. vierteljährlich.
123) An der Mauerseite, wo in +Regensburg+ ehedem der Hallerthurm
stand, ist eine +Gedenktafel+ angebracht worden, welche die Inschrift
trägt: „Hier wurde der Hallerthurm, im Jahre 1542 vom Bauherrn Haller
mit einer Uhr versehen, früher das Ostenthor (Porta orientalis), zur
Erweiterung der Durchfahrt im März 1868 abgebrochen. Vor diesem Thore
fiel bei einem Ausfall gegen Kaiser Otto’s Heer der tapfere Pfalzgraf
Arnulf, von Pfeilen durchbohrt, im Jahre 954.“
(Augsb. Postztg. Nr. 256.)
+Mittheilungen.+
Es sind in den letzten Jahren wiederholt in der „+Allgemeinen Zeitung+“
und anderen Blättern, so jüngst in Nr. 273 der Spener’schen Zeitung
in Berlin, Artikel, mit „=A.=“ unterzeichnet, über das germanische
Museum erschienen, die zwar mitunter das unter meiner Leitung Erreichte
sehr anerkennend hervorheben, dabei aber wieder Ansichten aufstellen,
die ich so wenig theile, daß ich mich verpflichtet fühle, öffentlich
zu constatieren, daß ich nicht nur in gar keiner Beziehung zu diesen
Artikeln stehe, sondern auch lebhaft bedauere, dieselben nicht
verhindern zu können, indem ich wohl fühle, daß sie durch Hervorhebung
von Dingen, die längst von competenter Seite entschiedene Verurtheilung
erfahren haben, dem Rufe des Institutes schaden müßten, wenn sie als
von der Vorstandschaft desselben ausgehend angesehen würden.
+Nürnberg+, den 25. November 1868.
=Der I. Vorstand des germanischen Museums.=
+A. Essenwein.+
=Berichtigung.= In der vorigen Nummer des Anzeigers ist auf Sp.
309, Zeile 13 v. o. „+Männern+“ statt Mannen, und ebendas. Zeile 19
„+wittenbergischen+“ statt „wirttenbergischen“ zu lesen.
Müller’s neuestes Künstlerlexikon.
Leben und Werke der Künstler aller Zeiten und Völker, der berühmtesten
Baumeister, Bildhauer, Maler, Kupferstecher, Formschneider,
Lithographen etc., von den frühesten Kunstepochen bis zur Gegenwart. 3
Bände. 137 Bogen. broch. (Ladenpreis 26 fl. oder 15 Thlr. 18 Sgr.)
Herabgesetzter Preis 10 fl. oder 6 Thlr.
Verlag von =Ebner & Seubert= in =Stuttgart=, zu beziehen durch alle
Buchhandlungen.
+Bitte.+