Wereld Bibliotheek
Onder leiding van L. Simons
Dante's Hel
In proza overgebracht en
met een inleiding voorzien
-- Door --
Dr. H. J. Boeken
Uitgegeven door de Maatschappij voor
Goede en Goedkoope Lectuur--Amsterdam
DANTE.
Die in zijn jeugd zag schoonsten jeugde-droom:
Liefst ziele-lijfjen in scharlaken rood--
Toen wit-licht wolkjen, want Haar nam de dood,
Op in het lucht-ruim;--zingende in zijn droom
Verre englen-stemmen stijgend,--uit den droom
't Ontwaken: Haar dood, àl wat 't leven bood
Hèm sombre dood en klacht en angst en nood
En toorn op Roomsche Rijk, Itaalje en Room-
sche Kerk, en dan die schoonste ziel, die zingt
En zingt, door al zijn leven, dichtst bij God,
Jezus, Maria,--en dáárom het lot
Van duizend-duizenden, om God gekringd,
Die boven de' afgrond, waarin jammer woont.
En louterende zielen--lichtend troont.
INLEIDING.
I.
[Doel der vertaling.]
Het doel van deze vertaling is den Nederlandschen lezer in kennis te
stellen met den volledigen inhoud van Dante's Gedicht. De vertaling
is zooveel mogelijk woordelijk, kan dus ook als handleiding dienen bij
het lezen en bestudeeren van den oorspronkelijken, Italiaanschen tekst.
[Waarom in proza?]
De vertaling is in Proza.
Waarom? Omdat de woorden, waarin het Gedicht vervat is, den
dichter werden ingegeven in het scheppingsoogenblik door de
volheid zijner fantasieën, gevoelens en gedachten zelve. Ook in het
practisch-onmogelijke, maar theoretisch stelbare geval dat de vertaler
evenzeer vervuld ware als de dichter van hetgeen uitgedrukt moet
worden, zoude het onmogelijk zijn, dat de tweede, de Nederlandsche
dichter kwam tot een uitdrukkingsvorm, die ook maar eenigszins
gelijkliep met den vorm door den eersten, den Italiaanschen dichter
gevonden. Dante zelf zegt op dit stuk: "En daarom wete een ieder,
dat geen enkele zaak, door den band der muziek harmonisch uitgedrukt,
uit hare eigene taal in eene andere kan worden overgebracht, zonder
dat men al hare zoetheid en harmonie verbreke."
[Naam v.h. gedicht.]
Het hier den Nederlandschen lezer aangeboden werk is het eerste
van drie gedichten (Canzoni), "de Hel," "de Louteringsberg" en "het
Paradijs," door Dante tezamen genoemd "Comedia", om de eenvoudige
reden, dat het er in vervatte verhaal begint met 's Dichters tocht
door de Hel, dus met treurigheid, vervolgens handelt van 's Dichters
tocht langs den Louteringsberg en eindigt met 's Dichters tocht door
den Hemel, of het Paradijs, dus een blijden afloop heeft. Comedia
beteekent niet anders dan "blij-eindend Dicht." "Divina" is de Comedia
eerst later door een bewonderend nageslacht genoemd.
[Wat de inl. behelst.]
Het Gedicht, waarin deze tocht verhaald wordt, en alles tot de kleinste
bijzonderheden den lezer voor oogen wordt gesteld, kan eigenlijk
geheel voor zich zelf spreken. Daar echter de Dichter op zijn tocht
door die drie Rijken een ontzaggelijk groot aantal personen ontmoet,
zoowel uit zijn eigen als uit vroegere tijden, hebben wij, vooral tot
beter begrip van de gesprekken met personen uit 's Dichters eigen
tijd, gemeend den lezer geen onwelkomen dienst te bewijzen, door
eenige hoofdzaken aangaande 's Dichters leven en tijd mede te deelen.
[Dante niet duister, wel diep.]
Even wil ik nog den lezer op het hart drukken, dat het Gedicht nooit
duister is, wèl op sommige plaatsen zeer diep van zin, zoodat menige
plaats, behalve den eersten, bij de lezing onmiddellijk begrijpbaren
zin bij nadere beschouwing blijkt nog veel meer te bevatten. Zulke
plaatsen hebben dan ook aanleiding gegeven tot oneindige discussie,
ten onrechte, daar er van discussie geen kwestie mocht zijn, nl. van
een strijd van verschillende partijen, die ieder voor zich gelijk
willen hebben, maar wel van een wedstrijd wie het diepst in den zin
des dichters vermocht door te dringen.
Maar vóór alles zij nog dit gezegd. Dante's Gedicht is niet maar eene
schildering van zijn tijd; het is de schildering van den mensch,
in al zijne vermogens en mogelijkheden, in al zijne eigenschappen,
zoowel die hem tot de diepste zonde, als die hem tot den hoogsten
heilstaat brengen. Daarom voert Dante, zelf alle ellende, loutering en
geleidelijk-groeiend geluk doorlevend, den mensch van de gruwelijkste
onvergoeilijke zonden, door die welke door boetedoeningen overwonnen
kunnen worden tot het hoogste zielegeluk, d. w. z. door de Hel,
langs den Louteringsberg naar den Hemel.
II.
[Germanen en Italiaansche taal.]
De Germanen hebben toen ze zich hadden gevestigd in Italië en ze daar,
door zich te vermengen met de oorspronkelijke bewoners als het ware
een nieuw ras hadden gevormd, de taal der inwoners overgenomen, maar
tevens vernieuwd en ververscht; 1200 ontstaat de schoonste der moderne
talen, de Italiaansche taal. Zij heeft den rijkdom en nauwkeurigheid
van het Latijn;--maar het nieuwe, het van frissche jeugdkracht volle
volk der Germanen,--dat in zich voelt diepten en hoogten van ziele en
zinne-leven, van teederheid, geloof en bespiegeling, van hartstocht,
verachting en haat, door den Romein nooit gekend of gevoeld,--heeft
haar een teederheid en soepelheid en bewegelijkheid gegeven, die
haar tot draagster zal maken van de schoonste en rijkste poëzie,
die ooit eenig volk heeft ten gehoore gebracht.
Wij, Nederlanders, hebben eigenlijk de beste inleiding tot Dante
in Potgieter's Florence, het Gedicht zelf met zijne omvangrijke
Toelichtingen. Wie dat werk gelezen heeft, is geen vreemdeling meer
in het oude Florence, geen onbekende met Dante zelf. Voor dengene,
die dat werk niet kent, diene dus het volgende.
[Dante niet te verklaren uit zijn tijd.]
Ik ben het volstrekt niet eens met die menschen, die meenen dat een
groot werk moet en kan verklaard worden uit den tijd, de plaats en de
omstandigheden, waarin het ontstaan is. Voor alles is het de persoon,
die het geschapen heeft, en die persoon blijft een onverklaard
wonder. Hoe kwam juist zulk een man met zulke ontzaggelijke
eigenschappen, juist toen geboren te worden? Dit is een vraag,
waarvoor we altijd blijven staan. Natuurlijk moeten er omstandigheden
zijn geweest, die medegewerkt, hebben, of nog liever, die juist dien
persoon zoo hebben tegengewerkt, dat hij door die tegenwerking juist
er toe kwam zijn krachten in haar vollen omvang te ontplooien.
Zoo Dante's ballingschap. Dit schijnt iets zeer ongunstigs, maar hoe
zeer zal deze juist niet hebben medegewerkt om Dante's volle gevoel
van eigenwaarde, van trots te kweeken, hem aan de dagelijksche
beslommeringen van huiselijk en burgerlijk leven te onttrekken,
hem het geheele menschelijk leven, waar hij uitgezet was, als een
geweldig kunstwerk te doen zien. Daarbij kwam nog het hebben van
een politiek ideaal, dat geheel met de werkelijkheid in strijd was:
nl. dat Keizer en Paus elkander als twee ongelijksoortige machten
zouden erkennen, de Paus alle wereldlijk gezag den Keizer zou afstaan
en het geestelijke alleen voor zich zou behouden, de Keizer den Paus
als geestelijk heer zou eerbiedigen.
III.
Doch laat ik mij bepalen tot enkele feiten.
[De stad Florence.]
Dante dan werd geboren te Florence, in Mei 1265. Om Dante geheel
te verklaren uit den plotselingen opbloei van de stedelijke en
burgerlijke, geestelijke en materieele ontwikkeling (waarvan Florence
een der sterkste voorbeelden is) is natuurlijk even dwaas als den
geheel ongewonen vorm van zijn profiel en schedel daaruit te willen
verklaren.
Toch is het wel van belang iets van de stad Florence mede te
deelen. Het is wel merkwaardig dat juist nu, nu de idee "stad" gevaar
loopt hare verwerkelijking te zullen gaan verliezen, de beteekenis
ervan zoo sterk gevoeld wordt. Wij hebben in ons land zelfs den
bijzonderen naam "stad" voor den algemeeneren van "gemeente" zien
plaats maken. Wij hebben van de meeste onzer steden de wallen zien
slechten. Wij zijn het woord "bolwerk" en "schans" gaan vereenzelvigen
met "plantsoen", omdat inderdaad onze bolwerken en schansen zijn
herschapen in plantsoenen. Wij hebben in onze kinderjaren nog gespeeld
op de resten der oude stadsmuren. Wij hoorden nog om 8 uur het klokje
luiden dat het sluiten der stadspoort aankondigde.
Maar nu is dit alles voorbij. En of men te Bussum of te Hilversum
woont of aan Heerengracht of Warmoesstraat, men kan evenzeer deelen
in de voor- en na-deelen van onze tegenwoordige maatschappij. Dit is
geen kleinigheid. De republiek van Rome ging te gronde, omdat Rome
een stad had willen blijven, hoewel hare burgers over geheel Italië,
weldra over de geheele beschaafde wereld verspreid waren. Wel had het
Keizerrijk deze idee van ééne stad opgegeven, maar in het rijk bleef
elke stad een centrum. De steden zijn het ook die in de ergste tijden
van de barbaarschheid, die het gevolg was van de volksverhuizingen,
de voortzetting der oude beschaving bleven vormen. Wel stelde het
leenstelsel een tijd lang een nieuwen toestand hiertegenover. De heer
woont op zijn heerlijk huis, het dorp stelt zich onder zijn schutse.
Maar toch komt overal weldra de burgerij in de steden hier tegen
op. En allermeest in Italië, waar meest de oude steden in den nieuwen
toestand haar nieuwen bloei beginnen.
Nu nog ligt op de heuvelen boven Florence het stadje Fiesole, het oude
Faesulae, met vele overblijfselen uit oud Romeinschen tijd. Vandaar
uit werd in het dal de bloemenstad, Florentia gesticht. Nadat deze
in 82 door Sulla in den burgeroorlog verwoest was, is zij in 49
v. Chr. volgens Caesar's akkerwetten op nieuw gesticht. Na, gedurende
het keizerrijk, groote welvaart genoten te hebben, werd zij bij den val
des Rijks evenals de andere Italiaansche steden, herhaaldelijk veroverd
en geplunderd. Karel de Groote wordt door de legende genoemd als degene
die haar weer uit haar puinhoopen heeft doen verrijzen. Historisch
is dat Karel de Groote zich daar herhaaldelijk heeft opgehouden, den
longobardischen Hertog Guidebrand heeft afgezet en den Graaf Scrot van
de Bodenzee benoemd heeft tot Graaf van Florence en Fiesole. Sedert
regeerden Germaansche Markgraven in Toscane, meest uit Frankisch
geslacht. Gedurende eeuwen waren het Germaansche edelen die, op
kasteelen gevestigd, in Toscane heerschten en was de stad slechts door
on-vrijen bewoond. Langzaam doch zeker kregen zij, als poorterschap,
rechten anders slechts edelen toegekend; zij wisten als poorters die
te handhaven, in ontelbare oorlogen tegen de adellijke geslachten. Zoo
werd Florence een stad, waarin vrije burgers woonden en ook adellijke
geslachten, die echter geheel aan de burgerwetten waren onderworpen.
In 1200 is Florence een rijke handelsstad. Zij is het voornaamste punt
van den handel tusschen Azië en West-Europa. Het bank-wezen wordt
door haar voor goed georganiseerd. De naam "Florijn" voor "gulden"
blijft een altijd levende gedachtenis aan dit wereldverkeer, door
Florence beheerscht.
IV.
[Partij-twisten.]
Het is onnoodig hier een verhaal te doen van alle partij-twisten. Maar
de hoofdzaak stelle men zich aldus voor. Florence is eene stad die
zich uitbreidt, zoowel inwendig door vermeerdering der bevolking en
door toeneming van den rijkdom, als uitwendig door haar handel.
De bevolking bestaat uit verschillende standen, die verschillende
belangen hebben; de oude adel, de arme en rijke burgers. Bovendien
heeft de stad zelve te kampen met den naijver en de vijandelijkheden
der naburige steden. Al deze partijen sluiten zich aan bij die
buitenlandsche macht, van wie zij hulp verwachten, bij Keizer of Paus,
bij den Koning van Frankrijk, bij den Koning van Napels of zelfs bij
eene der naburige steden. De partijen in de stad warende "Grandi",
d. w. z. de leden der oud-adellijke families, met wie zich weldra
verbonden de rijke burgers, de "populo grasso"; voorts het lagere volk,
de leden der lagere gilden en de "plebe minuta", de arbeiders. Onder
al de geschillen en gevechten, waarvan Florence in de 12e en 13e
eeuw het tooneel was, was vooral in de herinnering levendig gebleven
eene gebeurtenis, waarvan ook Dante melding maakt in Paradijs XVI
en Hel XXVIII. 103. Een jonkman uit het geslacht der Buondelmonti
zoude eene jonkvrouw huwen uit het geslacht der Amidei. Kort voor
den dag, voor de bruiloft bepaald, huwde hij de schoone Aldruda
Donati. De beleedigde familie Amidei beraadslaagt met hare vrienden
en op raad van Mosca (dien we daarom in de Hel zullen vinden) wordt
Buondelmonte vermoord. Dit is de oorsprong der doodelijke veete. In
deze strijden houdt de overmacht het Ghibellijnsch gezinde huis
der Uberti. Ghibellijnsch zijn immers degenen die 's Keizers gezag
in Italië tegenover den Paus voorstaan. De Guelfen moeten de stad
verlaten, de torens van hunne adellijke verblijven in de stad worden
neergehaald (1249), doch 's Keizers dood in 1250 heeft tengevolge dat
de Guelfen door het volk worden teruggeroepen. Het volk vergadert
in de kerk van San Lorenzo en geeft zich de eerste democratische
staats-regeling. De Ghibellijnsche edelen willen zich echter niet
schikken, zij spannen samen tegen den staat, waarvan het gevolg is dat
eerst de hoofden, daarna de geheele partij (1250) uit de stad verbannen
wordt. Zij komen samen in Siena, de stad die altijd de vijandin van
Florence geweest was. Hun aanvoerder Farinata degli Uberti (Hel X 22
en volg.) drijft tot vijandelijkheden, zeggende "beter terstond te
sterven, dan verder in ellende rond te dolen." Manfred, Koning van
Napels, zendt Graaf Giordani met 800 ridders. Florence brengt 30,000
voetknechten en 3000 ridders te velde. Deze worden bij Montaperti
in de slag, "waardoor de Arbia in roode golven stroomde" (Hel X 86)
volkomen geslagen. Nog heden spreken de Sienezen met trots van dezen
slag. De Guelfen wijken uit naar Lucca. De verbitterde overwinnaren
worden slechts door Farinata's optreden (Hel X 91) weerhouden
Florence geheel te verwoesten. De democratische staatsregeling wordt
afgeschaft. De Ghibellijnen blijven gedurende 7 jaar aan het roer,
totdat Manfred zijne troepen moet terugroepen, en de Guelfen wederom
de heerschende partij worden (1267, dus 2 jaar na Dante's geboorte).
Nadat weldra een nieuwe democratische regeling was ingesteld,
volgens welke het stadsbestuur werd uitgeoefend door prioren uit
de verschillende gilden, kwam het spoedig weder tot geschillen en
nieuwe partij-indeelingen. Wederom waren het de adel en de rijkere
burgers (de zwarten) die zich vereenigden tegen de lagere burgerij
(de witten). Ook hier zijn het weer de buitenlandsche machten, die,
te hulp geroepen, de twisten tot geweldige uitbarstingen brengen,
van welke Dante's ballingschap o.a. het gevolg is.
V.
[Beatrice.]
Het belangrijkst feit uit Dante's leven is zijn liefde voor Beatrice
Portinari, een buurmeisje.
Met grootschheid en eenvoud is deze liefde door hem zelven beschreven
in het boek, genaamd "Vita Nuova."
Men voelt het aan alles, aan elke bijzonderheid waarmede Dante dit
verhaal doet, dat dit feit, men zoude zeggen iets dat iederen jonkman
in meerdere of mindere mate overkomt, voor hem was de openbaring van
een nieuw leven. Men kan het verhaal ervan alleen vergelijken met dàt,
wat Rousseau doet in zijne Confessions van zijne ontvluchting uit het
ouderlijk huis, uit Genève: hoe hij dan te voet den weg naar Turyn
opgaat en de geheele natuur zich nieuw aan hem openbaart. Men voelt
het: de achttiende eeuw, de oude wereld valt in 't niet: een nieuwe
morgen breekt aan.
Zoo hier bij Dante, maar nog veel grootscher en zuiverder.
Ziehier de eerste ontmoeting: Beatrice in het begin van haar negende,
Dante aan het einde van zijn negende jaar:
"Zij verscheen mij gekleed in edelste verwe, nederig en eerzaam,
bloed-rood, gegord en gesierd naar de wijze die haren zeer jeugdigen
leeftijd betaamde. Op dat tijdstip zeg ik dat die geest des levens,
dewelke in de heimelijkste kamer des harten woont, begon zoo heftig
te beven, dat het geweldig bleek in de kleinste polsen; en bevende
zeide hij deze woorden: "Zie een God, sterker dan ik, die, komende,
mij zal overheerschen."
Op dat tijdstip begon die levens-geest, dewelke woont in de hooge
kamer, in welke alle geesten der zinnen hunne gewaarwordingen brengen,
zich zéér te verwonderen, en sprekende bijzonderlijk tot de geesten
des gezichts, zeide hij deze woorden: "Nu is uwe gelukzaligheid
verschenen."
Op dat pas begon de natuurlijke geest, dewelke woont in dat deel,
waar ons voedsel ons wordt toegediend, te weenen, en weenende zeide
hij deze woorden: "Wee mij ellendige! want vele malen voortaan zal
ik belemmerd zijn."
Van toen aan zeg ik dat de Liefde [1] heer was in mijne ziel, de
welke van stonde aan hem was toegewijd, en begon over mij te nemen
zóó groote zekerheid en zóó groote heerschappij, door het vermogen
hetwelk hem gaf mijne verbeelding, dat mij geviel te doen volkomenlijk
alle zijn behagen."
Dan van negen jaren later verhaalt Dante:
"Op den laatste van die dagen (n.l. van dat negende jaar) gebeurde
het dat die bewonderenswaardige vrouwe mij verscheen, gekleed in
zéér witte verwe, in het midden van twee edele vrouwen, die waren
van ouderen leeftijd.
En passeerende door eene straat, keerde zij de oogen naar die zijde,
waar ik was, zeer bevreesd; en door die onuitsprekelijke hoofschheid,
dewelke heden wordt vergolden in de eeuwigheid, groette zij mij met
zóó groote deugd, dat ik mij toen toescheen te zien alle de grenzen
der zaligheid.
De ure, dat hare zoetelijkste begroetenisse tot mij kwam, was krek de
negende van dien dag; en omdat dat de eerste maal was dat hare woorden
zich bewogen om te komen tot mijne ooren, won ik zoo groote zoetheid,
dat ik als bedronken, wegging van de luiden."
Hier heeft de lezer eenige staaltjes van den grooten eenvoud en
nauwkeurigheid, waarmede de dichter al de bijzonderheden van zijne
gewaarwordingen en gevoelens verhaalt.
Hij gaat voort te vertellen hoe hij uit schroom om wereldkundig te
maken wie het eigenlijk voorwerp zijner aanbidding is, eene andere
jonkvrouw tot voorwendsel laat zijn van zijn liefde; wat hij gevoelt
als eene jonkvrouw, die hij meermalen in Beatrice's gezelschap had
gezien, sterft en hij Beatrice's smart daarover deelt; dàn hoe hij
Beatrice's smart deelt over den dood haars vaders; voorts hoe de
dichter, zelf door eene ziekte bezocht, meer dan ooit de broosheid
des levens inzag en in een droom, de ziel zijner Geliefde, als wit
wolkje te midden van Hosanna-zingende engelen opwaart gedragen zag.
Ten slotte wordt Beatrice zelve inderdaad door den dood
weggenomen--"wanneer de Heer der Gerechtigheid die aller-edelste
opriep om te lof-zingen onder de banier van die gebenedijde koningin
Maria, wier naam in allergrootste vereering was in de woorden van
die zalige Beatrice."
Van al hetgeen Dante over haar dood schrijft, wil ik alleen dit ééne
stukje uit eene Canzone aanhalen:
"Beatrice is heengegaan in den hoogen Hemel,
In het Koninkrijk, waar de Engelen vrede hebben,
En verblijft met hen; en u, vrouwen, heeft zij verlaten.
Niet ontnam haar ons eenige hoedanigheid van koude,
Noch van warmte, zooals die welke de anderen wegneemt;
Maar alléén was het hare groote goêlijkheid.
Want de afglans van hare nederigheid
Passeerde de hemelen met zoo groot vermogen,
Tot zij tot verwondering bracht den eeuwigen Heer,
Zóó dat een zoet begeeren
Hem kwam om zoo groot heil tot zich te roepen;
En Hij deed haar van hier beneden tot Zich komen;
Omdat Hij zag dat dit rampzalig leven
Niet waardig was zóó edele zaak."
Hoe Dante reeds de blikken van zijn eigen smart afwendende, maar toch
geheel daarmede vervuld, de gansche wereld in een nieuw licht begint
te zien, blijke uit het volgende hoofdstuk (XLI) der "Vita Nuova."
"Na deze kwelling gebeurde het (te dien tijde dat vele lieden gingen
om te zien dat gebenedijde afbeeldsel [2], hetwelk Jezus Christus
ons naliet tot eene gelijkenis van zijn zeer schoon gelaat, hetwelk
mijne vrouwe op roemrijkste wijze aanschouwt), dat eenige pelgrims
passeerden door eene straat, dewelke is bijna in het midden van die
Stad, waar geboren werd, leefde en stierf die zeer edele vrouw, en
zij gingen, naar het mijn toescheen, zéér in gedachten. Waarom ik,
aan hen denkende, in mij zelven zeide: Deze vreemden schijnen mij van
eene vèr-afgelegene plaats te zijn, en ik geloof niet, dat zij ook
maar hebben hooren spreken van die vrouwe, en zij weten niets van
haar; ook hunne gedachten zijn van andere zaken dan van deze-hier;
daar zij wellicht denken aan hunne afwezige vrienden, dewelken wij
niet kennen. Voorts zeide ik in mij zelven: "Ik weet, dat, indien zij
waren van een nabij gelegen land, zij in eenige wijze ontsteld zouden
schijnen, passeerende door het midden der treurende stad." Voorts
zeide ik: "Indien ik hen een weinig konde ophouden, zoude ik hen
toch kunnen doen weenen vóór zij uitgingen van deze stad, omdat ik
woorden zoude zeggen, die weenen konden doen wie ze ook maar zou
hebben gehoord. Waarom ik, toen zij uit mijn gezicht waren weggegaan,
mij voornam een sonnet te maken, waarin ik openbaarde dat wat ik in
mij zelven had gezegd; en opdat het te erbarmelijker zou schijnen,
nam ik mij voor te zeggen, alsof ik tot hen gesproken had; en ik
zeide toen dit sonnet; hetwelk begint: zeg, pelgrims enz.
("Ik zeide pelgrims (peregrini) volgens de ruimste beteekenis van
het woord: daar pelgrims kunnen worden verstaan op twee manieren,
één ruime en één enge. In een ruime beteekenis, voor zoover pelgrim
(peregrino) is, al wie buiten zijn vaderland is; in enge beteekenis,
verstaat men pelgrim niet dan van hem die gaat naar het huis van Sint
Jacob of vandaar terugkeert.")
"Zegt, Pelgrims, die gaat in gedachten,
Wellicht aan iet dat U niet tegenwoordig is,
Komt gij van zóó vér afgelegen volk,
Als gij met Uw uiterlijk vertoont?
Daar gij niet weent, nu gij passeert
Door het midden van die treurende stad,
Gelijk die personen, die geenszins
Schijnen te begrijpen hare droefenis.
Zoo gij staan blijft om te willen hooren,
Voor zeker zegt mij, te midden van mijne zuchten, mijn hart,
Dat gij weenende er voorts uit zoudet gaan.
Zij heeft verloren hare Beatrice,
En de woorden die 'n mensch van haar kan zeggen,
Hebben vermogen om een ander te doen weenen."
Gij ziet hieruit, hoezeer de Dichter, de geheele wereld reeds begint
te zien in het licht van zijne droefenis.
Na nog een sonnet, waarin hij reeds zegt, hoe eene zucht, door de
hemelen opgestegen, ziet hoe Beatrice aldaar zelve lichtende de eer
der andere zaligen ontvangt en hoe die zucht, bij hem teruggekeerd,
hem dingen verhaalt, haast te teeder om te verstaan, besluit hij de
Vita Nuova met het volgende kapittel, waarin hij het maken van zijn
gedicht voorspelt:
[Vita Nuova XLIII.]
"Na dit sonnet verscheen mij een verwonderlijk gezicht, in hetwelk
ik dingen zag, die mij deden voornemen, niet meer te zeggen van
die Beatrice, tot dat ik meer harer waardig zou kunnen handelen
van haar. En om daartoe te geraken beijver ik mij zooveel ik kan,
zooals zij waarachtiglijk weet. Zoodat, indien het 't behagen zal
zijn van Dengene, door Wien alle dingen leven, dat mijn leven nog
eenige jaren voortduurt, ik dingen hoop te zeggen van haar die nog
nooit van eenige vrouw zijn gezegd.
En voorts behage het aan Dengene, die is Heer der hoofschheid,
dat mijne ziel moge heengaan om te zien den roem van hare Vrouwe,
dat is van die gebenedijde Beatrice, die loffelijk zich spiegelt in
het aangezicht Desgenen, Die is door alle eeuwigheden gebenedijd."
EERSTE ZANG.
Inleiding tot het geheele Werk.
Des Dichters ontmoeting met de schim van Virgilius.
1 Op het midden van den weg onzes levens, hervond ik mij in een donker
woud, omdat de Rechte Weg verloren was.
4 Wee, hoe harde zaak is het te zeggen hoe het was dat woeste,
stekelige en onbegaanbare woud, dat in de gedachte mij de vrees
hernieuwt.
7 Zoo bitter is het, dat weinig bitterder is de dood: maar om te
handelen van het Goed, dat ik daar vond, zal ik spreken, van de andere
dingen, die ik daar gewaar werd.
10 Ik weet niet wèl te herzeggen, hoe ik er binnen gekomen ben;
zóó vol was ik van slaap op dat tijds-punt, toen ik den Waarachtigen
Weg verliet.
13 Maar nadat ik aan den voet van een heuvel was gekomen, daar waar
die vallei eindigde, die mij het hart met vrees had gestoken,
16 oogde ik naar omhoog en ik zag zijne schouderen reeds bekleed met
de stralen van die planeet, die 'n ander recht leidt op alle wegen.
19 Toen was de vrees een weinig gestild, die in het meer mijns harten
den nacht verduurd had, dien ik in zoo groote erbarmelijkheid had
doorgebracht.
22 En zooals degene, die, met benauwden adem uit de zee aan den oever
gekomen, zich omwendt naar het gevaarlijke water, en spiedt;
25 zóó wendde mijn geest, die nog vluchtende was, zich weer terug om
den doorweg te bezien, die geen persoon levend laat.
28 Nadat ik het vermoeide lichaam daar had doen uitrusten hernam
ik de reis door het verlaten oord, zóodat de staande voet altijd de
laagste was.
31 En zie, omtrent bij het beginnen der helling, een lichte en zeer
vlugge losch, die gedekt was met gevlekten pels.
34 En hij ging me niet weg voor mijn gezicht; maar hinderde zóózeer
mijnen gang, dat ik, om terug te gaan, mij meerdere keeren keerde.
37 De tijd was in het begin van den morgen; en de zon verrees met
die sterren, die met hem waren, wanneer de goddelijke liefde
40 voor het eerst deze fraaie dingen bewoog; zoodat, om goed te hopen
van dat wilde dier met het kakel-bonte vel, aanleiding mij waren
43 het uur des daags en het zoete saisoen: maar niet zóó dat geen
vreeze mij zou gegeven hebben het gezicht, dat mij verscheen, van
eenen leeuw.
46 Deze docht mij dat tegen mij kwam met hoogen kop en met dollen
honger; zoodat me docht dat de lucht er van sidderde.
49 En eene wolvin, die met alle begeerten scheen belast in hare
magerheid, en vele menschen reeds in verdriet deed leven.
52 Deze bezorgde mij zoo groote zwarigheid door de vreeze, die uitging
van haar gezicht, dat ik de hoop op de hoogte verloor.
55 En gelijk is degene, die gaarne wint, en de tijd komt die hem doet
verliezen, zoodat hij in alle zijne gedachten weent en zich bedroeft;
58 zóó maakte mij dat rustelooze beest, dat, mij tegenkomend, bij
weinig tegelijk mij terug-drong daarheen waar de zon zwijgt.
61 Terwijl ik in de laagte terug-viel, had zich voor mijne oogen
vertoond, een die door lang stil-zwijgen sprakeloos scheen.
64 Wanneer ik dezen in de groote woestenij zag, toen: "Erbarm u
mijner," riep ik tot hem: "wat gij ook zijt, of schim of wezenlijk
mensch."
67 Hij antwoordde mij: "Geen mensch; mensch was ik voorheen, en mijne
ouders waren Lombarden, en beider vaderstad was Mantua.
70 Ik werd geboren onder Julius, hoewel het te laat was; en ik
leefde te Rome onder den goeden Augustus, ten tijde der valsche en
leugenachtige goden.
73 Dichter was ik en ik zong van dien rechtvaardigen zoon van Anchises,
die van het Trojaansche land kwam, nadat het trotsche Ilium verbrand
was.
76 Maar gij, waarom keert gij naar zoo groote verdrietelijkheid
terug? Waarom bestijgt gij niet den vermakelijken berg, die begin en
aanleiding is van alle vreugde?"
79 "O! zijt gij die Virgilius en die bron, die zoo milden stroom van
spreken vergiet?" antwoordde ik hem met beschaamd voorhoofd.
82 "O eer en licht der andere dichters, dat nu mijn lange studie en
mijn groote liefde (bij u) gelden, die mij uw boekrol hebben doen
doorzoeken.
85 Gij zijt mijn meester en mijn leidsman; gij alleen zijt het,
van wien ik den schoonen stijl genomen heb, die mij eere gemaakt heeft.
88 Zie het beest, voor hetwelk ik mij keerde: help mij daartegen,
befaamde wijze, daar het mij aderen en polsen doet trillen."
91 "Het past u eenen anderen weg te houden," antwoordde hij, toen
hij zag dat ik weende: "indien gij uit dit woeste oord wilt ontkomen;
94 daar dit beest, om het welk gij schreeuwt, 'n ander niet langs
zijnen weg laat doorgaan, maar hem zoozeer belemmert dat hij hem doodt.
97 En het heeft zoo slechten en schuldigen aard, dat het nooit zijn
begeerig willen verzaakt, en na de voedering meer honger heeft dan
te voren.
100 Velen zijn de dieren, met wie zij zich paart, en nog meerderen
zullen het er zijn, totdat de Hazewind zal komen, die het zal doen
sterven van pijn.
103 Deze zal zich niet voeden met stof of klatergoud, maar met
wijsheid, liefde en deugd, en zijne geboorte zal zijn tusschen vilt
en vilt.
106 Van dit vernederd Italië zal hij het heil worden, voor hetwelk
de maagd Camilla, Euryalus en Turnus en Nisus in wonden gestorven zijn.
109 Hij zal haar nàzetten door alle hoeven, tot hij haar in de Hel zal
hebben teruggebracht, van waar de Eerste Nijd haar heeft uitgezonden.
112 Van waar ik voor uw best-wil denk en oordeel dat gij mij volget,
en ik zal uw gids zijn en ik zal u van hier trekken door de eeuwige
plaats,
115 waar gij het wanhopig getier zult hooren, waar gij de treurende
geesten zult zien van voorheen, daar elk den tweeden dood beweent.
118 En gij zult zien degenen, die tevreden zijn in het vuur, omdat
zij hopen te komen, wanneer het ook zij, bij de gelukzalige volkeren.
121 Tot dewelken, indien gij voorder tot hen zult willen opstijgen,
daartoe zal er eene ziel zijn waardiger dan ik; met haar zal ik u
laten bij mijn scheiden;
124 daar die Keizer, die daarboven regeert, òmdat ik rebellisch was
aan zijne wetten, niet wil dat men tot Zijne stad door mij komt.
127 In alle deelen heerscht hij en dáár is hij koning, daar is
zijne stad en zijn hooge zetel: o gelukkig degene, dien hij daar
uitverkiest!"
130 En ik tot hem: "Dichter, ik vraag u bij genen God, dien gij niet
gekend hebt, òpdat ik dit kwaad en erger ontvluchte,
133 dat gij mij leidet daar waar gij zeidet, zoo dat ik zie de Poort
van Sint Pieter, en diegenen, die gij als zoo bedrukt voorsteldet."
136 Toen schreed hij voort en ik hield mij achter hem.
TWEEDE ZANG.
Vervolg der algemeene Inleiding; hoe Virgilius den lafhartigen
Dante bestraft en bemoedigt door een verhaal van wie hem heeft
gezonden; en hoe Dante zich ten slotte aan de leiding van den in
het Heidendom gestorvene overgeeft.
1 De dag ging heen, en de bruine lucht nam de zielen, die op de aarde
zijn, weg van hun bekommernissen; en ik alleen
4 bereidde mij om de warrigheid te doorstaan zoowel van den weg als
van de erbarmelijkheid, welke de geest zal verhalen, die niet dwaalt.
7 O Muzen, o diepe ingeborenheid, nu helpt mij; o geest die opschreeft
dat wat ik zag, hier zal uw adeldom blijken.
10 Ik begon: "Dichter, gij die mij leidt, schouw mijne deugdelijkheid,
òf zij vermogend is, vóór gij mij aan den hoogen gang vertrouwt.
13 Gij zegt dat de vader van Silvius, nog verderfelijk tot onsterfelijk
leven ging en zinnelijk was.
15 Daarom, indien de Tegenstander van alle kwaad hem hoffelijk was,
denkend het hooge uitwerksel, dat moest uitgaan van hem en het wie
en het wat,
19 dan dunkt hij niet onwaardig aan den man van verstand; daar hij
van het al-voedend Rome èn van hare heerschappij in den vasten Hemel
des Lichts tot vader gekoren was:
22 welke beide (om de waarheid te willen zeggen) gevestigd werden voor
de heilige plaats, waar zetelt de opvolger van hun grooteren Petrus.
25 Op dien tocht, waarvan gij hem den roem geeft, vernam hij dingen,
die oorzaak werden van zijne overwinning en van den pauselijken mantel.
28 Voorts ging daarhenen het Uitverkoren Vat, om van daar vertroosting
te halen voor dat geloof, hetwelk het beginsel is voor den weg der
redding.
31 Maar ik, waarom daar te komen? Of wie staat het toe? Geen Aeneas,
geen Paulus ben ik. Noch ik, noch een ander gelooft mij waardig
daartoe.
34 Daarom indien ik mij verloop om daar te komen, vrees ik dat
mijne komst dwaasheid zij; wees wijs en versta dit beter dan ik
het beredeneer."
37 En gelijk degene is, die niet wil dat wat hij gewild heeft, en
door nieuwe gedachten zijn voornemen verandert, zoo dat hij zich
gansch verwijdert van het beginnen;
40 tot zoo éénen maakte ik mij op die donkere helling: waardoor ik,
denkende, de onderneming liet varen, die in het beginnen zoo vlug
was geweest.
43 "Indien ik wel uwe woorden heb begrepen," antwoordde die schim
des Grootmoedigen; "dan is uwe ziel met lafheid besmet:
46 de welke vele malen den mensch bezwaart, zóódat zij van eenige
eerlijke onderneming hem afwendt, als droch-gezichten een beest,
wanneer het duistert.
49 Opdat gij u van deze vreeze bevrijdet, zal ik u zeggen, waarom ik
gekomen ben en wat ik verstaan heb, op het eerste oogenblik, dat mij
uwes deerde.
52 Ik was tusschen degenen, die zwevende zijn, en eene zalige en
schoone Vrouwe riep mij, zóó dat ik haar vroeg te gebieden.
55 Hare oogen lichtten meer dan De Ster: en zij begon zoetelijk en
zachtelijk, met engelsche stem, in hare sprake te zeggen:
58 "O hoofsche Mantuaansche ziel, van wie de faam nog in de wereld
duurt, en duren zal zoolang de wereld duren zal,
61 de vriend van mij en niet van fortuin, is in het verlaten oord
zoo verbijsterd in zijnen weg, dat hij van angst is omgekeerd:
64 en ik vrees, dat hij reeds zóó verdwaald is, dat ik te laat voor
zijn onderstand ben opgestaan, naar hetgene ik van hem in den Hemel
heb gehoord.
67 Wel òp nu en met uwe wel-voorziene sprake en met dat wat hij noodig
heeft voor zijn bevrijden, help hem zóó dat ik er van getroost zij.
70 Ik ben Beatrice, die u doe gaan: ik kom van die plaats waarhenen ik
weder te keeren begeer: en Liefde bewoog mij, die mij ook doet spreken.
73 Wanneer ik weder voor mijnen Heere zal zijn, zal ik mij dikwijls
bij Hem over u beroemen." Toen zweeg zij en voorder begon ik:
76 "O vrouw van dat vermogen, door hetwelk alleen de menschelijke soort
te boven gaat al wat omvat is door dien hemel, wiens ommetrekken de
kleinste zijn,
79 zóózeer gevalt mij uw bevel dat het gehoorzamen, ook indien het
reeds (in uitvoering) ware, mij te traag is: gij hebt niet meer van
noode mij uwe begeerte te openbaren.
82 Maar zeg mij de reden, dat gij u niet ontziet hier beneden in dit
midden-punt af te dalen uit die ruime plaats, waarhenen te keeren gij
(van begeerte) brandt."
85 "Vermits gij dit zoo grondig verlangt te weten, zal ik u kortelijk
zeggen," antwoordde zij mij: "waarom ik niet vrees hier binnen
te komen.
88 Vreezen moet men alleen die dingen, welke vermogen hebben iemand
kwaad te doen; de andere niet, omdat zij niet vreeselijk zijn.
91 Ik ben door God gemaakt--Hem de dank--zóódanig, dat uwe ellende
mij niet raakt, noch vlam van dien brand mij bespringt.
94 Eene edele vrouwe is in den hemel, die zich erbarmt over dat
beletsel, waarhenen ik u zend, zoodat zij hard oordeel daarboven
verbreekt.
97 Deze verzocht Lucie in haar verzoek en zeide: "Nu heeft uw getrouwe
u van noode, en bij u beveel ik hem aan."
100 Lucie, vijandin van al wat wreed is, verrees en kwam tot die
plaats waar ik was, die neergezeten was met Rachel, de in de oudheid
(gestorvene).
103 Zij zei: "Beatrice, waarachtige eer van God, waarom komt gij niet
te hulp hem, die u zoo zeer heeft bemind, dat hij door u de schare
der gewonen te buiten ging?
106 Hoort gij niet de erbarmelijkheid van zijn klacht? Ziet gij,
niet den dood, die hem bestrijdt aan die rivier waarmede de zee zich
niet verrijkt?"
109 In de wereld waren nooit menschen zóó vlug om hun voordeel
te doen en hun nadeel te ontvluchten, als ik, nadat zulke woorden
gesproken waren,
112 hier om laag kwam van mijnen gelukzaligen zetel, mij vertrouwend
op uw eerlijk spreken, dat u eert en hen die het hebben gehoord."
115 Nadat zij mij aldus rede gegeven had, draaide zij weenend de
lichtende oogen; waardoor zij mij vlugger maakte tot het komen:
118 en ik ben tot u gekomen zooals zij dat wilde; tegenover dat wilde
dier heb ik u opgericht, hetwelk u den korten toegang tot den schoonen
berg benam.
121 Dus wat is er? Waarom, waarom blijft gij staan? Waarom voedt
gij zoo groote lafheid in het hart? Waarom hebt gij geen durf en
geen vrijmoedigheid,
124 vermits zoodanige drie vrouwen gebenedijde om u bezorgd zijn in
het hof des hemels, en mijn spreken u zoo groot goed belooft?"
127 Gelijk de bloempjes, door de nachtvorst geneigd en gesloten,
wanneer de Zon ze beschijnt, zich gansch open oprichten op hunnen
stengel,
130 zoo maakte ik mij op uit mijne matte krachten; en zoo goede moed
liep mij in het hart, dat ik begon als een frank mensch:
133 "O erbarmingsvolle zij die mij te hulp snelde, o hoffelijke
gij, die zoo snel gehoorzaamdet aan de waarachtige woorden die zij
u toestak!
136 Gij hebt me door uwe woorden het hart zoo zeer met begeerte
toebereid om te komen, dat ik gekeerd ben tot mijn eerste voornemen.
139 Dan ga, daar een zelfde willen van ons beiden is, gij mijn
gids, mijn heer en mijn meester." Zoo zeide ik en nadat hij zich
had opgemaakt,
142 trad ik binnen langs eenen diepen en woesten weg.
DERDE ZANG.
1-69. De poort en het voorhof der Hel; degenen die noch goed,
noch slecht zijn geweest.
70-einde. De zielen ter overvaart van den Acheron
bereid. Ontmoeting met Charon.
1 "Door mij gaat men in tot de treurende stad, door mij gaat men in tot
de eeuwige pijn, door mij gaat men te midden van het verlorene volk.
4 Gerechtigheid bewoog mijnen hoogen Maker, gemaakt heeft mij de
goddelijke Macht, de hoogste Wijsheid en de eerste Liefde.
7 Vóór mij waren geene dingen geschapen, tenzij de eeuwige, en ik
duur eeuwig: laat af van alle hoop, gij die hier binnen treedt."
10 Deze woorden van donkere verwe zag ik geschreven aan het hoofd
van eene poort; waarom ik (zeide): "Meester, hun zin is hard voor mij."
13 En hij tot mij als een bezonnen persoon: "Hier voegt het af te laten
van allen achterdocht; alle lafheid voegt het dat hier gestorven zij.
16 Wij zijn gekomen tot de plaats waar ik u gezegd heb dat gij zien
zoudt de treurende volkeren, die het goede des verstands hebben
verloren."
19 En nadat hij zijne hand op de mijne had gelegd met blijd gelaat,
waaraan ik mij vertroostte, bracht hij mij binnen de geheim gehoudene
dingen.
22 Daar weerklonken zuchten, klachten en hooge gillen door de lucht
zonder sterren, waardoor ik bij het beginnen ervan weende.
25 Verscheidene tongen, gruwelijke talen, woorden van pijn, toonen van
toorn, stemmen hooge en schorre, en een geklop van handen mèt dezen,
28 maakten een gedruisch, hetwelk altijd wielt in die lucht zonder
weersgesteldheid getint, gelijk het zand wielt, wanneer de wervelwind
blaast.
31 En ik, wiens hoofd door verbijstering omgord was, zeide: "Meester,
wat is dat hetwelk ik hoor? en welk volk is het dat zóó verwonnen
schijnt in de pijn."
34 En hij tot mij: "Deze ellendige wijze houden de droeve zielen
dergenen, die leefden zonder smaad en zonder roem.
37 Zij zijn gemengd onder dien landzieken rei der engelen, die niet
rebelleerden, noch trouw waren aan God, maar op zich zelven stonden.
40 De hemelen joegen ze uit, om niet (door hen) minder schoon te
zijn, noch heeft de diepe Hel ze opgenomen daar de schuldigen door
hen eenige reden tot roemen zouden hebben."
43 En ik tot hem: "Meester, wat is er zoo zwaar voor hen, dat hen
zoo krachtig doet weeklagen?" Hij antwoordde: "Ik zal het u zeer
korteling zeggen.
46 Dezen hebben geen hoop op den dood; en hun blinde leven is zóó laag,
dat zij afgunstig zijn op alle andere lot.
49 De wereld laat geen roep van hen zijn; Erbarming en Rechtvaardigheid
wijst ze af; spreken wij niet van hen, maar schouw en ga voorbij."
52 En schouwende zag ik een banier, die zoo snel in eenen kring
rondliep, dat ze mij tot alle rust onbekwaam docht:
55 en daar achter kwam zóó lange sleep van menschen, dat ik niet
geloofd zou hebben dat de dood er zóó velen had ònt-maakt.
58 Nadat ik er éénen had herkend, keek ik, en ik zag de gelijkenis
desgenen, die uit lafheid de groote weigering had gedaan.
61 Onmiddellijk begreep ik en was ik verzekerd dat dat de schare was
der landzieken, aan God ongevallig en aan Zijne vijanden.
64 Die verworpelingen, die nooit levend waren, waren naakt en zeer
gestoken door muggen en wespen, die daar waren.
67 Zij besproeiden hun het gelaat met bloed, dat vermengd met tranen,
aan hunne voeten door walgelijke wormen werd gegaêrd.
70 En nadat ik mij tot het verder zien had begeven, zag ik menschen
aan den oever van eenen grooten stroom, waarom ik zeide: "Meester,
nu vergun mij
73 dat ik wete welke ze zijn, en welke inzetting ze zoo bereid tot
oversteken doet schijnen, naar ik het kan onderscheiden bij het
flauwe licht."
76 En hij tot mij: "Deze dingen zullen u bekend worden, wanneer wij
onze stappen zullen hebben gezet op den doodschen oever-rand van
den Acheron."
79 Toen met de oogen beschaamd en nedergeslagen, vreezende dat mijn
spreken hem bezwaarlijk was geweest, heb ik mij tot aan den stroom
van spreken onthouden.
82 En zie daar tot ons komen te scheep een oude, wit door het oude
haar, schreeuwende: "Wee u! slechte zielen:
85 hoopt niet ooit den hemel te zien: ik kom om u te brengen naar
den anderen oever, in de eeuwige duisternissen, in het heete en in
het koude:
88 en gij die hier zijt, levende ziel, scheid u af van dezen, die
dood zijn." Maar toen hij zag dat ik mij niet afscheidde,
91 zeide hij: "Langs andere wegen, door andere havenen zult gij aan
den oever komen, niet hier: om over te steken, voegt het dat lichter
hout u drage."
94 En de Gids tot hem: "Charon, vertoorn u niet; aldus wordt het
gewild, waar gekund wordt wat wordt gewild en meer (moet gij)
niet vragen."
97 Toen waren de wollige wangen stil van den schipper op den
loodkleurigen poel, die rond de oogen raderen van vlammen had.
100 Maar die schimmen, die moede en naakt waren, verschoten van
kleur en klapperden met de tanden, zoodra als zij de rauwe woorden
hadden verstaan.
103 Zij vloekten God en hunne ouders, het menschelijk geslacht,
de plaats, den tijd en het zaad hunner zaaiing en hunner geboorte.
106 Dan gingen zij allen te zamen, heftig weenende, naar den
onherbergzamen oever, welke ieder mensch wacht, die God niet vreest.
109 Charon, de demon met oogen van vuurkool, ze wenkend, vergadert
ze allen en slaat met den riem al wie zich vertraagt.
112 Zooals in den herfst de bladeren zich los-maken, het eene na het
ander, totdat de tak al zijnen tooi der aarde hèr-geeft,
115 evenzoo (verging het) den kwaden zade van Adam: zij werpen zich
af van die kust een voor een op de wenken (van Charon) als de vogel
op des lokvogels roep.
118 Zoo gaan zij henen over het bruine water, en voor dat zij aan
gindsche zijde zijn uitgestapt, vergadert zich weder aan deze zijde
een nieuwe schaar.
121 "Zoon mijn," zeide de hoofsche Meester: "degenen, die sterven in
den toorn van God, zij komen hier allen te zamen van alle land;
124 en vaardig zijn zij om den stroom over te steken, omdat de
Goddelijke Gerechtigheid ze prikkelt, zoodat hun vrees zich verkeert
in begeerte.
127 Hier steekt nooit goede ziel over: en daarom, indien Charon zich
over u vertoornt, dan kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt."
130 Toen dit uitgesproken was sidderde het ongure landschap zoo
krachtig, dat van den schrik mijn geest mij nog in zweet doet baden.
133 De tranenvolle aarde liet een wind los, welken bloedrood licht
als van een bliksem verlichtte, hetwelk mij alle bezinning overwon;
136 en ik viel als een mensch, welken slaap bevangt.
VIERDE ZANG.
Eerste ommegang.
1-66. Na de overvaart van den Acheron, slapend door Dante
volbracht, komt hij bij de zielen van hen die zonder schuld,
doch buiten het christendom gestorven zijn.
67-einde. In een schoonen burcht bezoekt Dante de zielen der
groote roemrijke Heidenen.
1 Den diepen slaap in mijn hoofd brak mij een zware donderslag,
zóódat ik sidderde als iemand, die met geweld is gewekt,
4 en recht opgestaan, draaide ik het verkwikte oog in het rond en ik
keek scherp om de plaats te verkennen waar ik was.
7 Waarheid is dat ik mij op de rand bevond van de smartelijke vallei
des afgronds, die den donder gaart van oneindige jammerkreten.
10 Donker en diep was zij en van zoo dikke dampen vol dat ik, door
den blik op den bodem te vesten, er geen enkel ding kon onderscheiden.
13 "Nu laten wij nederdalen in de blinde wereld," begon de Dichter
gansch verbleekt: "ik zal de eerste zijn en gij zult de tweede zijn."
16 En ik die zijne kleur had opgemerkt, zeide: "Hoe zal ik gaan,
wanneer gij verschrikt, gij die mijn aarzelen tot troost pleegt
te zijn?"
19 En hij tot mij: "De doodspijn van de volkeren, die daar beneden
zijn, verft me op het gelaat die erbarming, die gij voor vrees
aanmerkt.
22 Gaan wij, daar de lange weg ons noopt." Zoo maakte hij zich op
en zoo deed hij mij binnen-treden in den eersten ommegang, die den
afgrond omgordt.
25 Daar, naar wat men hooren kon, was geen klacht dan die van zuchten,
welke de eeuwige lucht deden trillen:
28 en dat kwam voort van de smart zonder martelingen, die de scharen
hadden, welke velen en groot waren, van kinderen, van vrouwen en
van mannen.
31 De goede Meester zeide tot mij: "Gij, vraagt gij niet welke geesten
dezen zijn, die gij ziet? Nu wil ik dat gij wetet vóór gij verder gaat,
34 dat zij niet hebben gezondigd: en indien zij verdiensten hebben,
voldoet dat niet, daar zij geen doop hebben gehad, dewelke is de
Poort van het geloof, dat gij gelooft:
37 en al waren zij vóór het Christendom, ze hebben God niet op de
verschuldigde wijze aangebeden; en tot de zoodanigen behoor ook
ik zelf.
40 Door zoodanige tekortkomingen en niet door een andere schuld zijn
wij verloren, en slechts in zooverre gepijnigd, dat Wij zonder Hoop
in BEGEERTE LEVEN."
43 Groote smart beving mij in het hart toen ik dit verstond, omdat
ik menschen van groote deugd herkende, die op dien Zoom zwevende waren.
46 "Zeg mij, mijn Meester, zeg mij, Heer," begon ik, om zeker te zijn
van dat geloof dat alle dwaling overwint:
49 "kwam hier ooit iemand uit, of door eigen verdienste of door die
eens anderen, zoodat hij later zalig was?" En hij, die mijn bedektelijk
spreken begreep,
52 antwoordde: "Ik was nieuw in dezen toestand, wanneer ik hier eenen
Machthebbende zag komen met teeken van overwinning gekroond.
55 Hij toog van hier de schim des eersten ouders, van Abel zijnen
zoon en die van Noach, van Mozes, wetgever en gehoorzame,
58 den gehoorzamen Abraham, den aartsvader, en koning David, Israël
met zijn vader en zijne zonen en Rachel, voor wie hij zooveel deed
61 en andre velen; en hij maakte ze gelukzalig, en ik wil dat gij
wetet dat vóór dezen geene menschelijke zielen behouden werden."
64 En omdat hij sprak, daarom hielden wij niet op met loopen, maar wij
gingen evenzeer het woud door, het dichte woud van geesten bedoel ik.
67 Nog was onze (afgelegde) weg aan deze zijde der hoogte niet
lang, wanneer ik een vuur zag, hetwelk eenen halven kring op de
duisternissen won.
70 Wij waren er nog een weinig van verwijderd, maar niet zoo dat
ik niet voor een deel kon onderscheiden dat eerwaardige lieden die
plaats bezet hielden.
73 "O Gij, die alle wetenschap en kunst eert, dezen wie zijn ze,
die zoo groote eerwaardigheid hebben, die ze afscheidt van de wijze
der anderen?"
76 En hij tot mij: "De eervolle naam, die van hen luidt boven
in uw leven, verwerft hun in den hemel genade, welke hen zóózeer
bevoorrecht."
79 Ondertusschen werd door mij eene stem gehoord: "Eert den hoogen
Dichter, zijne schimme keert weder, die verscheiden was."
82 Toen de stem had opgehouden en stil was, zag ik vier groote schimmen
tot ons naderen: een voorkomen hadden zij noch droef noch blijd.
85 De goede Meester begon tot mij te zeggen: "Bewonder genen met dat
zwaard in de hand, die de (andere) drie voorgaat zóó als een vorst.
88 Dat is Homerus, oppermachtig dichter, de tweede is Horatius de
satiricus, die komt, Ovidus is de derde, en Lucanus is de laatste.
91 Omdat elk (van hen) met mij overéénkomt in den naam, welken die
éénstemmige stem deed hooren, doen zij mij eerbetooning en daarin
doen zij wèl."
94 Zoo zag ik zich vereenigen die schoone school van dien heer van
het hooge gezang, die boven de anderen als een arend vliegt.
97 Nadat zij een weinig onder elkander hadden geredeneerd, wendden
zij zich tot mij met groetend gebaar: en mijn Meester glimlachte over
zóóveel (eer).
100 En nog meer eer--wel veel--deden zij mij, daar zij mij maakten
(tot éénen) van hunne schare, zoodat ik de zesde was tusschen zoo
hooge wijsheid.
103 Zoo gingen wij voort tot aan het licht, dingen sprekende, welke
het schoon is te zwijgen, gelijk het daar schoon was ze te spreken,
daar waar ik was.
106 Wij kwamen aan den voet van een edel kasteel, zeven keeren omkringd
door hooge muren, rondom verdedigd door eenen schoonen stroom.
109 Dezen gingen wij over als vasten grond; door zeven poorten
trad ik binnen met die wijzen; wij kwamen op eene weide, met frisch
groen gewas.