ERASMUS van Rotterdam groet zijn vriend THOMAS MORUS. [3]

In de laatste dagen, toen ik uit Italië naar Engeland terugkeerde,

besloot ik, liever dan al den tijd, dien ik te paard moest zitten,

met smakelooze en onwetenschappelijke praatjes te slijten, zoo nu en

dan of bij mij zelf over een onderwerp uit onze gemeenschappelijke

letteroefeningen na te denken of mij te vermeien in de herinnering

aan de even geleerde als dierbare vrienden, die ik hier had

achtergelaten. Onder dezen kwam uw beeld, mijn beste Morus,

mij zeker het allereerst voor den geest en de herinnering aan U,

ofschoon wij ver van elkander waren, was mij even aangenaam, als uw

omgang was, toen ik U nog van aangezicht tot aangezicht placht te

zien, het aangenaamste--ik mag sterven, als het niet waar is--van

al wat mij ooit in mijn leven te beurt is gevallen. Daarom vatte ik,

omdat ik meende in allen gevalle iets te moeten doen en die tijd mij

weinig geschikt voorkwam om een ernstig onderwerp te overdenken, het

plan op een boertige lofrede op Moria (de Zotheid) te houden. "Welke

Pallas heeft U op die gedachte gebracht?" zult ge zeggen. Vooreerst

deed uw geslachtsnaam Morus mij dit plan opvatten, die even dicht

bij het woord Moria komt, als gij ver van de zaak af zijt of liever,

volgens aller eenstemmig getuigenis, daarmede volstrekt niets gemeen

hebt. Verder vermoedde ik, dat deze speling van ons vernuft bovenal

uw goedkeuring zou wegdragen, omdat gij in dergelijke jokkernijen,

waarbij, zoo ik goed zie, nergens geleerdheid en geest kan gemist

worden, bijzonder veel smaak vindt en in het dagelijksche leven

als een Democritus [4] pleegt op te treden. Ofschoon gij door uw

buitengewone scherpzinnigheid gewoonlijk hemelsbreed in gevoelen van

het gemeene volk verschilt, zijt gij toch door de ongeloofelijke

zachtheid en meegaandheid van uw karakter niet alleen in staat om

met allerlei menschen in alle omstandigheden des levens om te gaan,

maar vindt gij er ook een genot in. Deze kleine verhandeling zult gij

daarom gaarne aannemen als een aandenken van uw vriend en gij zult

ook haar verdediging gaarne aanvaarden, want zij is u toegewijd en

daarom voortaan Uw eigendom, niet het mijne.

Immers het zal misschien niet aan bedillers ontbreken, die

mij lasteren, zeggende, dat deze aardigheden deels van te weinig

beteekenis zijn om een Godgeleerde te passen, deels te scherp voor

een zachtmoedig Christen, en zij zullen het van de daken verkondigen,

dat wij in het voetspoor der oude comedie en van zekeren Lucianus [5]

treden en in alles de tanden zetten. Doch ik zou wel wenschen, dat zij

die zich door het lichtzinnige en boertige van mijn onderwerp gekwetst

gevoelen, bedachten, dat het denkbeeld niet van mij is uitgegaan,

maar dat reeds in den ouden tijd groote mannen meermalen daarvan het

voorbeeld gegeven hebben.

Want reeds voor tal van eeuwen schreef Homerus zijn "muizen- en

kikvorschenkrijg," Maro [6] zijn "Mug" en "Boerenontbijt," Ovidius

[7] zijn "Noot," prees Polycrates [8] en zijn bestrijder Isocrates

[9] Busiris [10], Glauco [11] de onrechtvaardigheid, Favorinus

[12] Thersites [13] en de derdendaagsche koorts, Synesius [14]

de kaalhoofdigheid, Lucianus de vlieg en de tafelschuimerskunst,

behandelde Seneca [15] schertsend de vergoding van Claudius [16],

Plutarchus [17] een samenspraak van Gryllus [18] met Ulixes, Lucianus

en Apuleius [19] hun ezel en een mij onbekend schrijver het testament

van het varkentje Grunnius Corocotta [20], waarvan ook de heilige

Hieronymus [21] gewag maakt. Zij mogen daarom, als 't hun goeddunkt,

zich voorstellen, dat ik tot uitspanning een partijtje schaak gespeeld,

of als zij dit soms liever willen, op een stokpaardje gereden heb. Want

het is toch hoogst onbillijk om, terwijl wij den menschen van elke

levensrichting hun uitspanningen gunnen, den mannen der wetenschap in

het geheel geen scherts te veroorloven, vooral zoo die beuzelarijen

ernstige dingen in haar gevolg hebben en die spotternijen zoo gebezigd

worden, dat de lezer, wien het niet aan allen smaak ontbreekt, hieruit

meer nut trekt dan uit de pedante en schitterende bewijsvoering van

sommigen, b.v. als de een of ander in een met opoffering van veel tijd

samengeflanste redevoering de redekunst of de wijsbegeerte prijst, een

tweede de lofwaardige eigenschappen van een zekeren vorst schildert,

een derde aanspoort tot den krijg tegen de Turken, een vierde de

toekomst voorspelt en een vijfde nieuwe strijdvragen verzint over

onmogelijke onderwerpen. Want evenals er niets beuzelachtiger is dan

ernstige zaken beuzelachtig te behandelen, zoo is er niets aardiger

dan beuzelingen zoo te behandelen, dat ge oogenschijnlijk niets minder

dan gebeuzeld hebt. Zeker berust het oordeel over mij bij anderen,

maar als de Eigenliefde mij niet geheel bedriegt, dan is onze lofrede

niet in allen opzichte zot, ook al handelt zij over de Zotheid.

Om mij nu verder te verdedigen tegen het onbekookte verwijt van

hatelijkheid, merk ik op, dat men altijd aan het vernuft de grootste

vrijheid gelaten heeft om straffeloos op een geestige wijze den spot

te drijven met het dagelijksch leven der menschen, mits de groote

vrijheid niet in razende bandeloosheid ontaardde.

Des te meer bevreemdt mij de prikkelbaarheid onzer tijdgenooten, die

bijna alleen nog maar de in zwang zijnde titels verkiezen te hooren

[22]. Voorts kan men lieden vinden, zoo averechts godsdienstig,

dat zij zelfs de bitterste smaadwoorden tegen Christus eerder dulden

kunnen dan de geringste scherts tegen een paus of een vorst, vooral

als hun kostwinning er mee gemoeid is. Ten onrechte; want hij, die

de leefwijzen der menschen zoo berispt, dat hij niemand met name

doorhaalt, eilieve, wat dunkt U, is het hem te doen om hatelijk

te wezen dan wel veeleer om te leeren of te vermanen? Overigens in

hoeveel opzichten berisp ik niet mij zelf? Hierbij komt nog, dat hij,

die geen slag van menschen overslaat, mijns inziens op geen enkelen

mensch, maar op alle ondeugden vertoornd is. Als er dus iemand opstaat,

die luide verkondigt, dat hij zich gekwetst gevoelt, dan geeft hij

daardoor het bewijs van een slecht geweten of in allen gevalle van

vrees. Nog veel vrijer en hatelijker is in dit soort van scherts de

Heilige Hieronymus te werk gegaan, daar hij ettelijke malen zelfs

de namen niet verzwijgt. Wij echter, behalve dat wij in het geheel

geen namen noemen, hebben daarenboven in zulk een gematigden toon

geschreven, dat de verstandige lezer licht zal inzien, dat het ons

meer te doen was om te vermaken dan om te kwetsen. Want wij hebben

nergens, op het voetspoor van Juvenalis [23], in dien geheimen poel

van ongerechtigheden geroerd en meer het belachelijke dan het vuile

trachten op te sommen.

Als er voorts nog iemand is, die zich zelfs door het aangevoerde niet

tevreden laat stellen, dan moge hij tenminste dit steeds voor oogen

houden, dat het schoon is door de Zotheid gehekeld te worden en dat

wij, toen wij haar sprekende invoerden, ons geheel moesten schikken

naar hetgeen in overeenstemming was met haar persoonlijkheid. Maar

waarom meld ik dit U, die zulk een uitstekend pleitbezorger zijt, dat

gij de zaken, ook al zijn zij niet van de beste, toch het best weet te

verdedigen? Vaarwel, welsprekende Morus, en bescherm ijverig uw Moria.

Van het land, 9 Juni 1508.

De Lof der Zotheid · 第 7 / 79 题