In de laatste dagen, toen ik uit Italië naar Engeland terugkeerde,
besloot ik, liever dan al den tijd, dien ik te paard moest zitten,
met smakelooze en onwetenschappelijke praatjes te slijten, zoo nu en
dan of bij mij zelf over een onderwerp uit onze gemeenschappelijke
letteroefeningen na te denken of mij te vermeien in de herinnering
aan de even geleerde als dierbare vrienden, die ik hier had
achtergelaten. Onder dezen kwam uw beeld, mijn beste Morus,
mij zeker het allereerst voor den geest en de herinnering aan U,
ofschoon wij ver van elkander waren, was mij even aangenaam, als uw
omgang was, toen ik U nog van aangezicht tot aangezicht placht te
zien, het aangenaamste--ik mag sterven, als het niet waar is--van
al wat mij ooit in mijn leven te beurt is gevallen. Daarom vatte ik,
omdat ik meende in allen gevalle iets te moeten doen en die tijd mij
weinig geschikt voorkwam om een ernstig onderwerp te overdenken, het
plan op een boertige lofrede op Moria (de Zotheid) te houden. "Welke
Pallas heeft U op die gedachte gebracht?" zult ge zeggen. Vooreerst
deed uw geslachtsnaam Morus mij dit plan opvatten, die even dicht
bij het woord Moria komt, als gij ver van de zaak af zijt of liever,
volgens aller eenstemmig getuigenis, daarmede volstrekt niets gemeen
hebt. Verder vermoedde ik, dat deze speling van ons vernuft bovenal
uw goedkeuring zou wegdragen, omdat gij in dergelijke jokkernijen,
waarbij, zoo ik goed zie, nergens geleerdheid en geest kan gemist
worden, bijzonder veel smaak vindt en in het dagelijksche leven
als een Democritus [4] pleegt op te treden. Ofschoon gij door uw
buitengewone scherpzinnigheid gewoonlijk hemelsbreed in gevoelen van
het gemeene volk verschilt, zijt gij toch door de ongeloofelijke
zachtheid en meegaandheid van uw karakter niet alleen in staat om
met allerlei menschen in alle omstandigheden des levens om te gaan,
maar vindt gij er ook een genot in. Deze kleine verhandeling zult gij
daarom gaarne aannemen als een aandenken van uw vriend en gij zult
ook haar verdediging gaarne aanvaarden, want zij is u toegewijd en
daarom voortaan Uw eigendom, niet het mijne.
Immers het zal misschien niet aan bedillers ontbreken, die
mij lasteren, zeggende, dat deze aardigheden deels van te weinig
beteekenis zijn om een Godgeleerde te passen, deels te scherp voor
een zachtmoedig Christen, en zij zullen het van de daken verkondigen,
dat wij in het voetspoor der oude comedie en van zekeren Lucianus [5]
treden en in alles de tanden zetten. Doch ik zou wel wenschen, dat zij
die zich door het lichtzinnige en boertige van mijn onderwerp gekwetst
gevoelen, bedachten, dat het denkbeeld niet van mij is uitgegaan,
maar dat reeds in den ouden tijd groote mannen meermalen daarvan het
voorbeeld gegeven hebben.
Want reeds voor tal van eeuwen schreef Homerus zijn "muizen- en
kikvorschenkrijg," Maro [6] zijn "Mug" en "Boerenontbijt," Ovidius
[7] zijn "Noot," prees Polycrates [8] en zijn bestrijder Isocrates
[9] Busiris [10], Glauco [11] de onrechtvaardigheid, Favorinus
[12] Thersites [13] en de derdendaagsche koorts, Synesius [14]
de kaalhoofdigheid, Lucianus de vlieg en de tafelschuimerskunst,
behandelde Seneca [15] schertsend de vergoding van Claudius [16],
Plutarchus [17] een samenspraak van Gryllus [18] met Ulixes, Lucianus
en Apuleius [19] hun ezel en een mij onbekend schrijver het testament
van het varkentje Grunnius Corocotta [20], waarvan ook de heilige
Hieronymus [21] gewag maakt. Zij mogen daarom, als 't hun goeddunkt,
zich voorstellen, dat ik tot uitspanning een partijtje schaak gespeeld,
of als zij dit soms liever willen, op een stokpaardje gereden heb. Want
het is toch hoogst onbillijk om, terwijl wij den menschen van elke
levensrichting hun uitspanningen gunnen, den mannen der wetenschap in
het geheel geen scherts te veroorloven, vooral zoo die beuzelarijen
ernstige dingen in haar gevolg hebben en die spotternijen zoo gebezigd
worden, dat de lezer, wien het niet aan allen smaak ontbreekt, hieruit
meer nut trekt dan uit de pedante en schitterende bewijsvoering van
sommigen, b.v. als de een of ander in een met opoffering van veel tijd
samengeflanste redevoering de redekunst of de wijsbegeerte prijst, een
tweede de lofwaardige eigenschappen van een zekeren vorst schildert,
een derde aanspoort tot den krijg tegen de Turken, een vierde de
toekomst voorspelt en een vijfde nieuwe strijdvragen verzint over
onmogelijke onderwerpen. Want evenals er niets beuzelachtiger is dan
ernstige zaken beuzelachtig te behandelen, zoo is er niets aardiger
dan beuzelingen zoo te behandelen, dat ge oogenschijnlijk niets minder
dan gebeuzeld hebt. Zeker berust het oordeel over mij bij anderen,
maar als de Eigenliefde mij niet geheel bedriegt, dan is onze lofrede
niet in allen opzichte zot, ook al handelt zij over de Zotheid.
Om mij nu verder te verdedigen tegen het onbekookte verwijt van
hatelijkheid, merk ik op, dat men altijd aan het vernuft de grootste
vrijheid gelaten heeft om straffeloos op een geestige wijze den spot
te drijven met het dagelijksch leven der menschen, mits de groote
vrijheid niet in razende bandeloosheid ontaardde.
Des te meer bevreemdt mij de prikkelbaarheid onzer tijdgenooten, die
bijna alleen nog maar de in zwang zijnde titels verkiezen te hooren
[22]. Voorts kan men lieden vinden, zoo averechts godsdienstig,
dat zij zelfs de bitterste smaadwoorden tegen Christus eerder dulden
kunnen dan de geringste scherts tegen een paus of een vorst, vooral
als hun kostwinning er mee gemoeid is. Ten onrechte; want hij, die
de leefwijzen der menschen zoo berispt, dat hij niemand met name
doorhaalt, eilieve, wat dunkt U, is het hem te doen om hatelijk
te wezen dan wel veeleer om te leeren of te vermanen? Overigens in
hoeveel opzichten berisp ik niet mij zelf? Hierbij komt nog, dat hij,
die geen slag van menschen overslaat, mijns inziens op geen enkelen
mensch, maar op alle ondeugden vertoornd is. Als er dus iemand opstaat,
die luide verkondigt, dat hij zich gekwetst gevoelt, dan geeft hij
daardoor het bewijs van een slecht geweten of in allen gevalle van
vrees. Nog veel vrijer en hatelijker is in dit soort van scherts de
Heilige Hieronymus te werk gegaan, daar hij ettelijke malen zelfs
de namen niet verzwijgt. Wij echter, behalve dat wij in het geheel
geen namen noemen, hebben daarenboven in zulk een gematigden toon
geschreven, dat de verstandige lezer licht zal inzien, dat het ons
meer te doen was om te vermaken dan om te kwetsen. Want wij hebben
nergens, op het voetspoor van Juvenalis [23], in dien geheimen poel
van ongerechtigheden geroerd en meer het belachelijke dan het vuile
trachten op te sommen.
Als er voorts nog iemand is, die zich zelfs door het aangevoerde niet
tevreden laat stellen, dan moge hij tenminste dit steeds voor oogen
houden, dat het schoon is door de Zotheid gehekeld te worden en dat
wij, toen wij haar sprekende invoerden, ons geheel moesten schikken
naar hetgeen in overeenstemming was met haar persoonlijkheid. Maar
waarom meld ik dit U, die zulk een uitstekend pleitbezorger zijt, dat
gij de zaken, ook al zijn zij niet van de beste, toch het best weet te
verdedigen? Vaarwel, welsprekende Morus, en bescherm ijverig uw Moria.
Van het land, 9 Juni 1508.