TOELICHTING.

De Lof der Zotheid, Moriae Encomium, is van al de werken van Erasmus

het meest bekend. Het aantal der uitgaven, dat reeds bij het leven van

den schrijver het licht zag, bedraagt ruim veertig en na zijn dood is

het werkje telkens en telkens weer herdrukt en vertaald. Het lijdt

geen twijfel, dat vooral de felle aanval op kerkelijke toestanden,

heiligenvereering, monnikswezen, aflaathandel enz. de reden is, dat

het zulk een geweldigen opgang heeft gemaakt. Het "is de proloog van

de groote theologische tragedie der 16e eeuw." [1].

Wanneer men ziet, dat Erasmus niets spaart van wat de Roomsche kerk

voor heilig en eerwaardig geldt, zaken noch personen, vraagt men zich

vol verbazing af, hoe hij niet op den brandstapel is geëindigd en

waarom hij, die toch in zooveel opzichten hetzelfde leert als Luther,

niet bij diens optreden geestdriftig zijn partij heeft gekozen en

een voorvechter der Hervorming is geworden. Daarop valt het volgende

te antwoorden. Het is nooit bij Erasmus opgekomen iets tegen de

Roomsche kerk als zoodanig te ondernemen. Hij ergerde zich--en

velen der beste en meest ontwikkelde geestelijken met hem--aan de

schromelijke ontaarding op kerkelijk gebied, die hij waarlijk niet

met te schrille kleuren heeft geschilderd. Maar hij was in de eerste

plaats een fijn-litteraire geest, een kamergeleerde, en meende,

of hoopte althans, dat wanneer zijn welversneden pen en die zijner

geestverwanten, de humanisten, maar den strijd tegen ruwheid, domheid

en bijgeloof op het papier bleef volhouden, geleidelijk beschaving,

verstand en ware vroomheid daarvoor in de plaats zouden komen. Luther,

de ruwe volksman, was hem antipathiek. In een zijner brieven laat hij

zich aldus uit: "Ik zou gaarne een martelaar voor Christus willen

zijn, als hij mij de kracht wilde geven, maar ik ben niet van zins

een martelaar voor Luther te zijn." Voor geloofsheld was Erasmus niet

geschapen. Hij was trouwens meer een man van smaak dan van gemoed.

Het ligt allerminst in mijn bedoeling hier verder een studie over

het boekje te geven. Wie meer verlangt, kan ik o.a. verwijzen naar

"Erasmus," door Cd. Busken Huet, verschenen in de W. B. 38/39, p. LIII

volgg. Toch zullen misschien een paar opmerkingen niet ondienstig zijn.

Het zal den lezer, als hij eenige hoofdstukken gevorderd is,

allerminst duidelijk zijn geworden, wat Erasmus eigenlijk met "Zotheid"

bedoelt. Hij speelt blijkbaar met het woord en verstaat er nu eens

dit, dan weer dat onder. Het ontsnapt aan elke poging om het scherp

te definieeren. De Zotheid telt geleerden en hansworsten, heiligen

zoowel als kibbelende theologen en krijgslieden, oude vrijers en

pantoffelhelden, behaagzieke vrouwen, kleine kinderen en dieren onder

haar gevolg, kortom ieder, die met het gezond verstand op gespannen

voet staat of zich enkel laat leiden door de redelooze natuur. Erasmus

heeft eenvoudig aan zijn dartel vernuft den vrijen loop gelaten. Het

is wel zeker, dat, toen hij de Zotheid aan het woord liet, hij zich

niet nauwkeurig rekenschap heeft gegeven, in welk karakter zij zou

optreden, en dit telkenmale heeft gevarieerd, naarmate het in zijn--en

haar--kraam te pas kwam.

Een tweede zaak, die den lezer zal treffen en wellicht ergeren,

is het kleed, waarin Erasmus zijn satire heeft gestoken. Talloos

zijn de aanhalingen uit de Oude Schrijvers, die, soms letterlijk,

soms alleen wat gedachte betreft, in het betoog der Zotheid worden

ingevlochten. Ook paradeeren Goden, helden en staatslieden uit de

Antieke Mythologie en de Oude Geschiedenis voor onzen smaak veel te

dikwijls op het tooneel. Erasmus is nu eenmaal door en door humanist,

in de Oudheid voelt hij zich beter thuis dan in zijn eigen tijd

en de geestverwanten, voor wie hij in de eerste plaats schrijft,

eveneens. Hoe meer zijn publiek zich in die onvolprezen Oudheid

kon verlustigen, des te dankbaarder was het hem. Daarbij komt nog,

dat Erasmus kort te voren zijn "Adagia," een verzameling van eenige

duizenden Grieksche en Latijnsche spreekwoorden met toelichting,

op nieuw had uitgegeven. Hij is er nog zoo vol van, dat hij bijv. in

"de Lof der Zotheid" eenzelfde spreekwoord ("de ezel bij de lier")

tot viermaal toe herhaalt.

Een enkel woord over de in deze uitgave opgenomen penteekeningen

van Holbein: Hans Holbein, de jongere, 1497-1543, woonde gedurende

de eerste jaren van zijn werkzaamheid in Bazel, waar Erasmus zich

met voorliefde placht op te houden en waar hij ook gestorven is. In

een exemplaar van "de Lof der Zotheid," door den Bazelschen drukker

Froben in 1514 uitgegeven, dat voor Erasmus persoonlijk bestemd was,

heeft Holbein--die met Erasmus op goeden voet stond--op den rand

der bladzijden een aantal geestige illustraties aangebracht. Het

boek berust thans in het museum van Bazel. Aan dit werk heeft de

schilder, zooals uit een aanteekening op een blad van het exemplaar

blijkt, slechts tien dagen besteed. En zoo heeft hij natuurlijk niet

zorgvuldig gewikt en gewogen, wat van den inhoud meer in het bijzonder

in aanmerking kwam om te worden in beeld gebracht, maar slechts de

voorstelling, die een woord of zegswijze voor zijn schildersoog deed

oprijzen, met losse hand op het papier geworpen. Vandaar, dat de

plaatjes [2] dikwijls zoo ongelijkmatig zijn verdeeld. Een enkele

maal zelfs bekommert Holbein zich in het geheel niet om den tekst,

maar illustreert den commentaar van Listrius, die ook in bovengenoemd

exemplaar was afgedrukt.

Deze Listrius, tijd- en landgenoot van Erasmus (hij was afkomstig

uit Rhenen), heeft zich voor de verklaring en daardoor ook voor de

verspreiding van het Encomium bij uitstek verdienstelijk gemaakt. Zijn

commentaar verscheen al heel gauw na de publicatie van het boekje en

werd in verschillende uitgaven aan den tekst toegevoegd. Men heeft

meermalen het vermoeden geopperd, dat Erasmus zelf de auteur ervan

was. Dit is wel niet geheel juist, maar toch blijkt uit een tot dusver

onuitgegeven brief van hem, dat Erasmus eigenlijk het meeste aan den

commentaar heeft gedaan, dat hij Listrius op weg heeft geholpen, de

hoofdzaken heeft uitgewerkt en dat Listrius' arbeid zich tot afwerken

en aanvullen heeft bepaald. In een brief van vroeger datum getuigt

Erasmus reeds: "Eerst werd zij (de Zotheid) door weinigen begrepen,

totdat Listrius er zijn commentaar bij schreef."

De vertaling, die hier den welwillenden lezer wordt aangeboden, was

reeds meer dan twintig jaar geleden door mijn vader voltooid. Later

heeft hij echter bij tijd en wijle het werk weer onderhanden

genomen, eenige hoofdstukken ervan gepubliceerd in den Nederlandschen

Spectator, een gedeelte persklaar gemaakt, een grooter deel nogmaals

gecorrigeerd. Toch heb ik alles nog eens zorgvuldig doorgelezen,

met het Latijn vergeleken en, waar ik het noodig achtte, een enkele

verandering aangebracht, zoodat ik de verantwoordelijkheid voor

deze vertaling draag. De ophelderingen heb ik, in overleg met

de redactie der W.B., zoo trachten in te richten, dat het werkje

voor den beschaafden leek, ook al had hij geen klassieke opleiding

genoten, verstaanbaar zou worden. De Erasmuskenner zal er niets

nieuws in vinden en op wetenschappelijke waarde maken zij allerminst

aanspraak. Vermelding verdient, dat ik hierbij zeer veel te danken

heb gehad aan de aanteekeningen bij de Latijnsche uitgaaf, die mijn

vader in 1898 bij Martinus Nijhoff heeft doen verschijnen.

Ten slotte: De verdeeling in hoofdstukken is niet van Erasmus zelf,

maar wordt het eerst gevonden in de uitgaaf van de Meusnier de Querlon

(Londen en Parijs 1765). Mijn vader heeft ze overgenomen, "opdat

het voor den lezer minder vervelend zou zijn zulk een doorloopende

voordracht te lezen en voor den uitgever gemakkelijker, als hij naar de

een of andere plaats wilde verwijzen." Ook de titels der hoofdstukken

gaan, in hoofdzaak, op de uitgaaf van 1765 terug.

De veranderingen in Toelichting en Aanteekeningen van deze Tweede

Uitgaaf aangebracht dank ik aan de welwillende kritiek en inlichtingen

van Dr. J. Lindeboom, wien ik hierbij gaarne van mijn oprechte

erkentelijkheid de verzekering geef.

Middelburg, September, 1912.

A. H. Kan.

De Lof der Zotheid · 第 5 / 79 题