Liefste Vadertje Langbeen.
Lieve deugd, wat is New-York groot! Worcester is er niets bij. Woon jij
heusch in al dat geroezemoes? Ik geloof, dat ik in geen maanden van al
die verwarring door die twee enkele dagen zal bekomen. Ik kan je ook nu
nog niet geregeld over al die wonderlijke dingen schrijven, die ik daar
gezien heb. Het is ook niet noodig, want je woont er immers zelf en je
kent zeker alles.
Vind je het ook op straat en in de winkels zoo leuk? En wat zijn de
menschen er aardig! Ik heb nog nooit zulke mooie dingen gezien als
daar in de winkelkasten zijn uitgestald. Ik ga nu heusch begrijpen,
dat sommige menschen zulke schatten voor hun kleeding over hebben.
Sallie, Julia en ik gingen Zaterdagmorgen winkelen. Julia liep het
prachtigste gebouw binnen, dat ik ooit zag. De muren waren wit met goud,
blauwe kleeden lagen op den grond en er waren blauw zijden gordijnen
en vergulde stoeltjes. Een mooie, blonde dame in een prachtige zijden
sleepjapon verwelkomde ons met een vriendelijk lachje. Ik dacht dat
we hier een bezoek gingen brengen en wilde al juist mijn hand gaan
uitsteken, toen het bleek, dat we alleen maar hoeden gingen uitzoeken.
Tenminste, dat deed Julia. Ze nam tegenover een spiegel plaats en paste
toen wel een stuk of twaalf hoedjes, het eene al mooier en eleganter dan
het andere, en toen kocht ze de twee allermooiste.
Ik geloof, dat ik niets zaligers zou vinden dan me ook zoo tegenover
een spiegel bewonderen en alle hoeden te koopen, die ik mooi vond,
zonder eerst naar den prijs te vragen. Daar is geen twijfel aan of het
eenvoudige vondelingetje uit het John Grier Home zou in New-York wel
gauw veranderen!
En toen we alle boodschappen gedaan hadden, ontmoetten we Jongeheer
Jervie bij Sherry. Je bent daar zeker wel eens geweest. Denk dan eens
aan de eetzaal in het John Grier Home met zijn met zeil bedekte wit
houten tafels en grof aardewerk, dat je _onmogelijk_ zou kunnen breken
en tinnen vorken en messen met zwart houten handgrepen. Dan zul je
begrijpen hoe ik me daar in Sherry te moede voelde.
Ik at mijn visch met de verkeerde vork, maar de kellner gaf me heel
vriendelijk een andere, dus heeft niemand het gemerkt.
En na de lunch zijn wij naar het theater gegaan. Het was
duizelingwekkend, tooverachtig, onbeschrijfelijk—ik droom er nog elken
nacht van.
Is Shakespeare niet heerlijk?
Hamlet komt zooveel beter op het tooneel uit, dan wanneer wij het in de
klas behandelen. Te voren vond ik het al heel mooi, maar nu—laat ik
daar niet over beginnen!
Als je het goed vindt, word ik, geloof ik, liever tooneelspeelster dan
schrijfster. Heb je er bezwaar tegen dat ik nu maar van College af ga
en me op een tooneelschool laat inschrijven? Later zal ik dan je ook
telkens, wanneer ik optreed, een vrijkaart voor een loge geven en je van
voor het voetlicht toelachen. Maar draag dan alsjeblieft een roode roos
in je knoopsgat, want anders zou ik zeker een verkeerden man toelachen
en dat zou toch erg vervelend voor me kunnen worden.
Zaterdagnacht keerden we terug. We aten in den trein aan kleine
tafeltjes met schemerlampjes met roode kapjes en werden door negers
bediend. Ik had er nog nooit van gehoord, dat je in den trein kon eten
en ik was zoo dom, het er uit te flappen ook.
„Waar ben jij in 's hemelsnaam toch opgegroeid?” vroeg Julia.
„In een dorp”, antwoordde ik schuchter.
„Maar heb je dan nooit gereisd?” zette ze het onderzoek voort.
„Neen, niet totdat ik naar College moest en dat was maar een 150 mijlen
en we hebben toen niet gegeten”.
Ze gaat nu bepaald veel belang in me stellen, omdat ik zulke gekke
dingen zeg. Ik probeer ze telkens te onderdrukken, maar wanneer
ik verbaasd over iets ben, denk ik daar niet aan. En ik ben haast
altijd verbaasd. Ja, mijn oude, beste vriend, je kunt heel vreemde
gewaarwordingen hebben, wanneer je 18 jaar lang in het John Grier Home
bent opgesloten geweest en dan opeens midden in de _wereld_ wordt
geplaatst.
Maar nu voel ik me daar al meer op mijn gemak en ik maak ook niet meer
zulke vreeselijke blunders als in het begin. En ik voel me ook niet meer
vreemd tegenover de andere meisjes. Vroeger bloosde ik geregeld, wanneer
de menschen naar me keken. Ik dacht dat ze dan, door mijn nieuwe kleeren
heen, het geruite John Grier Home jurkje zouden ontdekken. Maar nu laat
ik me zelfs door geen honderd geruite jurkjes van streek maken.
Ik vergat je nog over onze bloemen te spreken. Jongeheer Jervie gaf ons
alle drie een groote bos viooltjes met lelietjes van dalen. Lief van
hem, hè? Vroeger voelde ik niets voor mannen, omdat ik alleen maar de
regenten kende—maar nu ga ik er anders over denken.
Elf bladzijden! Is me dat een brief! Kom, mijn oud, best Vadertje
Langbeen, ik schei er mee uit!