P.S. (4) Dit is het portret van Mejuffrouw Jerusha Abbott, de
toekomstige groote schrijfster, bezig de koeien naar den stal te
drijven.
Zondag.
Lieve Vadertje Langbeen.
Is dat niet leuk? Gisterenmiddag wou ik aan je schrijven, maar ik kwam
niet verder dan tot het „Lieve Vadertje Langbeen” want het schoot me
opeens te binnen, dat ik beloofd had, wat boschbessen voor het avondeten
te plukken. En dus liep ik weg en liet mijn papier op tafel liggen. En
wat denk je wel, dat ik op mijn brief vond toen ik terug kwam? Een echte
Mijnheer Langbeen, een glazenwasscher!
[Illustratie]
Ik nam hem heel voorzichtig bij een poot en liet hem het raam
uitvliegen. Ik zou voor geen geld van de wereld er een kwaad willen
doen. Met hun lange pooten herinneren ze me altijd weer aan jou, toen
ik je voor de eerste en eenige maal in mijn leven zag.
We namen vanmorgen het wagentje en reden naar de kerk. Het is een
vriendelijk wit dorpskerkje met een spitsen toren en drie Dorische
kolommen aan den voorkant (misschien zijn het wel Ionische, ik haal die
twee altijd door elkaar).
Het was een alleraardigst, slaperig preekje en alle menschen schenen
veel moeite te hebben om niet te gapen. Het eenige geluid, dat tot
ons doordrong, was, behalve het lijmige orgaan van den predikant, het
gezang van de sprinkhanen daar buiten in het veld. Ik werd niet wakker
voordat ik mezelf op de knieën vond liggen, bezig een psalm te zingen.
Toen speet het me toch, dat ik niet beter had geluisterd, want ik zou
dolgraag wat meer van den man willen weten, die zulk een psalm uitzocht.
Luister maar:
Come, leave your sports and earthly toys
And join me in celestial joys.
Or else, dear friend, a long farewell.
I leave you now to sink to hell.
Ik heb al gemerkt, dat het niet goed is om met de Semples over
godsdienst te spreken. Hun Gods-idee (die zij nog onveranderd van hun
oude Puriteinsche voorvaderen hebben geërfd) is die van een kleinzielig,
onredelijk, onrechtvaardig, min, wraakzuchtig, bigot Wezen. Gelukkig,
dat ik me er niet zoo'n voorstelling van maak! Weet je, hoe ik me Hem
denk? Hij is vriendelijk en vergevend en zacht en begrijpt alles—hij
heeft gevoel voor humor.
Ik hou dolveel van de Semples. In het werkelijk leven zijn ze veel beter
en liever dan je wel uit hun redeneeringen zoudt opmaken. Ze zijn veel
beter dan hun eigen God. Ik zei hun dat ook en toen had je hun gezichten
moeten zien! Ze waren ontsteld. Ze vonden, dat ik godslasterlijke taal
sprak—en ik vind, dat _zij_ het doen. Wij spreken nu maar nooit meer
over godsdienst.
Het is nu Zondagmiddag.
Amasai, de eene knecht, is juist met een roode das en kanariegele
handschoenen, hoogrood en geschoren, met Carrie (de meid) met een
grooten hoed met roode rozen op en een lichtblauwe japon en stijf
gekrulde haren, weg gereden. Amasai bleef den heelen morgen thuis om
de sjees schoon te maken en Carrie gaf voor, dat zij het eten moest
koken, maar in werkelijkheid heeft ze haar blauwe japon gestreken.
Wanneer ik mijn brief aan jou klaar heb, ga ik naar beneden om een
boek te lezen, dat ik op de vliering heb gevonden. Het heet „Op
het Indianenpad” en op de eerste bladzijde staat met een grappig
jongenspootje geschreven:
Jervis Pendleton.
Als je dit boek ooit vindt,
Pak het dan in en stuur het me naar huis.
Hij was hier eens 's zomers, 11 jaar geleden, nadat hij lang ziek was
geweest, en liet toen dit boek achter. Je kunt wel zien, dat hij het
goed heeft gelezen, overal zie je vuile, kleine vingertjes. In een
hoek van de vliering staat ook een windmolen. Verder vond ik er een
paar tollen en knikkers. Juffrouw Semple spreekt zoo vaak over hem,
dat ik werkelijk ga gelooven, dat hij nog leeft. Niet als een groot
heer met een hoogen zijden en een wandelstok, maar als een aardige,
vuile robbedoes, met een krullebol die altijd in de war zit, en groote
laarzen, waarmee hij stampt als hij de trap opgaat. En de deuren laat
hij allemaal open staan en hij bedelt om koekjes. (En krijgt ze ook
altijd, ik ken Juffrouw Semple!) Het schijnt een avontuurlijk heertje
geweest te zijn, flink en rond. Jammer dat het een Pendleton is! Hij
verdient iets beters te zijn.
Morgen gaan we de haver dorschen. Er is al een stoommachine besteld en
drie extra knechts hebben we gehuurd.
Tot mijn groot verdriet moet ik je vertellen, dat Eenhoorn (de gevlekte
koe met één hoorn en moeder van Lesbia) iets heel onbehoorlijks heeft
gedaan. Vrijdagavond is ze den boomgaard binnengeloopen en heeft er net
zoolang de afgevallen appels gegeten, tot het haar naar het hoofd is
gestegen. Nu is ze al twee dagen stomdronken. Het is heusch waar. Heb
je ooit zoo iets schandelijks gehoord?
Dag lieveling.
Als altijd,
Je kleine Judy.
P.S. Het eerste hoofdstuk handelt over Indianen en het tweede over
struikroovers. Wat zal er in het derde staan? „De Roode Arend sprong
twintig voet hoog en stortte toen dood neer”. staat er met dikke letters
boven. Zullen Judy en Jervie nu samen pret hebben?