IV. Een heerlijke warme reisdeken. (Het is vaak ijskoud in mijn
toren).
V. 500 folio's geel papier. (Ik ben van plan nu gauw een
schrijfster te worden, weet je).
VI. Een woordenboek van synoniemen. (Om de woordenschat van de
schrijfster te vergrooten).
VII. (Eigenlijk heb ik niet veel lust om je ook dit laatste te
bekennen, maar ik wil het toch niet voor je verzwijgen).
Een paar zijden kousen.
En nu moet je nooit vertellen, dat ik niet alles, tot het laatste toe,
opbiecht!
Het was een klein, flauw motief, dat me er toe bracht ook die zijden
kousen te koopen. Luister maar! Julia Pendleton komt 's avonds in mijn
kamer om met me meetkunde te doen en zit daar met gekruiste beenen op
mijn sofa, opdat ik vooral toch maar haar zijden kousen zal zien. Maar
nu komt de mop! Als zij nu weer terug komt, zal ik met gekruiste beenen
op háár canapé gaan zitten en ook zijden kousen dragen! Nu zie je weer,
Vadertje, wat Judy toch een kinderachtig schepseltje is, maar ik ben
nu tenminste eerlijk geweest en je weet al door mijn John Grier Home
rapport, dat dit vroeger niet altijd het geval was, herinner je je wel?
Om het in het kort nog eens samen te vatten (zoo begint onze Engelsche
leerares ook elken nieuwen zin), ik ben heel, heel blij met mijn zeven
cadeaux. Ik verbeeld me, dat alles in een groot pak van mijn familie in
Canada is gekomen. Het horloge is van Vader, de reisdeken van Moeder
(die is altijd bang, dat ik hier in dat kille klimaat kou zal vatten),
de kruik van Grootmoeder, het gele papier van mijn kleine broertje
Harry, Isabel, mijn zusje, gaf mij de zijden kousen en Tante Suze de
gedichten van Matthew Arnold. Van Oom Harry (kleine Harry is zoo naar
hem genoemd) komt het woordenboek. Eigenlijk wilde hij me chocolade
sturen, maar ik vond het woordenboek veel nuttiger.
Je hebt er niets op tegen, is het wel, om zoo voor een heele familie te
spelen?
Zal ik je nu eens iets over mijn vacantie vertellen, of kan alleen mijn
werk je maar interesseeren?
Het meisje uit Texas heet Leonora Fenton, (haast net zoo'n gekke naam
als Jerusha, vind je niet?) Ik houd wel van haar, maar niet zooveel als
van Sallie McBride. En ik zal ook nooit zooveel van iemand gaan houden
als van Sallie, behalve van jou natuurlijk. Van jou zal ik altijd het
meeste houden, dat spreekt vanzelf, want jij bent mijn heele familie in
één persoon.
Leonora en ik en twee tweede jaars studenten hebben elken mooien dag
groote wandelingen gemaakt. Wij droegen voetvrije rokken, sweaters en
gebreide mutsen en kleine wandelstokken voor de mop en hebben zoo den
heelen omtrek doorkruist. Eens zijn we naar de stad gewandeld (dat was
vier mijlen) en hebben daar gegeten in een restaurant, waar de studenten
altijd heengaan. Eerst kreeft en vleesch (75 cent) en beschuit met
bessensap toe (30 cent). Goedkoop en voedzaam!
Het was éénig leuk, vooral voor mij, omdat het zoo heel anders was dan
in het gesticht. Vadertje, ik voel me nu nog elken keer weer als een
vluchteling, wanneer ik Fergussen Hall verlaat. Voordat ik het zelf
wist, had ik de anderen al over dat gevoel gesproken en ik kon me nog
net bijtijds inhouden. Maar het valt me zoo vreeselijk moeilijk niet
alles uit te flappen, wat me te binnenschiet. Ik ben van natuur een erg
mededeelzaam zieltje en als ik jou niet had om alles te vertellen, mijn
lieve Vadertje, dan geloof ik heusch, dat ik nog eens op een goeden dag
zou barsten!
Verleden Vrijdag heeft de directie van Fergussen Hall aan alle
achterblijfsters een caramelfuif aangeboden. Wij waren met ons
tweeëntwintigen; groentjes en tweede-, derde- en vierdejaars, allen
vreedzaam bijeen. De keuken is kolossaal groot met roodkoperen pannen en
ketels op een rij aan den steenen muur. De kleinste ketel heeft nog veel
van een stoomketel. Wij wonen hier met ons vierhonderden op Fergussen.
De chef-kok met een witte muts en schort kreeg nog 22 andere witte
mutsen en schorten (ik begrijp niet waar hij die zoo vlug vandaan
tooverde), en wij werden allen aan het werk gezet.
Het was éenig leuk, al hebben we wel eens betere caramels gegeten.
Toen we klaar waren en wijzelf en de deurknoppen en alles in de keuken
even vies en kleverig was, hebben we een processie georganiseerd en
zijn we, met onze mutsen en schorten aan, elk met een groote vork, lepel
of braadpan gewapend, door de gangen gemarcheerd naar de ontvangkamer,
waar een half dozijn professoren en leeraressen rustig hun avond
doorbrachten. Wij gaven een serenade met studentenliederen ten beste en
boden hun verfrisschingen aan. Ze namen alles heel beleefd maar toch een
beetje weifelend aan. Toen gingen wij weer naar onze kamers terug, en
zwijgend en kleverig, op groote brokken caramel zuigend, bleven ze daar
achter.
Nu zie je weer, Vadertje Langbeen, wat een welopgevoede dame ik hier nog
eens zal worden.
Kijk eens naar deze penneschets. Geloof je niet werkelijk ook, dat ik
een schilderes moest worden inplaats van een schrijfster?
Over twee dagen is de vacantie weer voorbij en dan zal ik alle meisjes
weer hier zien. Nu is mijn toren wel een beetje eenzaam. Wanneer negen
meisjes een huis bewonen, dat voor vierhonderd is gebouwd, kom je jezelf
wel wat verlaten voor.
[Illustratie]
Elf bladzijden al! Arme lieveling, wat zul je moe zijn! Ik was eigenlijk
van plan je alleen maar een kort bedankbriefje te schrijven, maar nu zie
je, waartoe mijn schrijfsterstalent me niet al brengt!
Dag mijn oude, lieve Vadertje. Je bent een schat, dat je zoo aan me hebt
gedacht. Ik zou volkomen gelukkig zijn, wanneer er niet een klein wolkje
aan den hemel dreigde: in Februari beginnen de examens.
Dag lieveling, veel groeten van
Judy.
P.S. Misschien vind je het niet erg comme il faut, dat ik je zoo maar
„lieveling” noem. Neem het me niet kwalijk. Ik moet toch iemand op de
wereld liefhebben en ik heb alleen maar Juffrouw Lippett en jou, dus
snap je wel, Vadertje, dat ik wel van jou _moet_ houden, want aan haar
heb ik het land.
Even voor het examen.
Mijn lieve Vadertje Langbeen.
Je moest ons hier op College eens zien blokken! Wij hebben allemaal
vergeten, dat er ook eens een vacantietijd bestond. In de laatste vier
dagen alleen heb ik 75 onregelmatige werkwoorden in mijn arm hoofd
gepompt—het is nu maar te hopen, dat die er tot na het examen in
blijven!
Sommige meisjes verkoopen hunne leerboeken wanneer ze die niet meer
noodig hebben, maar ik wil de mijne alle houden. Wanneer ik dan
eindelijk heelemaal afgestudeerd ben, zal mijn heele opleiding in
een rijtje in mijn boekenkast staan en als ik iets niet weet, kan ik
het dadelijk opslaan. Dat is veel secuurder dan al die wijsheid te
onthouden, (dat gaat toch niet!)
Julia Pendleton kwam vanavond even binnen om me een buurvisite te
brengen. Ze bleef hier een flink uur plakken en had het natuurlijk over
„Familie”. Ik kon maar niet van haar afkomen. Ze wilde met alle geweld
weten, welke mijn Moeders meisjesnaam was. Heb je ooit zoo'n onmogelijke
vraag gehoord aan iemand, die uit een vondelingengesticht komt? Ik dorst
haar niet te bekennen, dat ik het niet wist en zei toen maar den eersten
den besten naam, die me te binnen schoot en dat was Montgomery. Ze wilde
toen weten of ik van de Montgomery's uit Massachusetts of wel van die
uit Virginia afstamde.
Haar moeder was een Rutherford. Die familie is (dat spreekt van zelf)
verbazend oud en nog door huwelijk aan Hendrik VIII verwant. Van haar
Vaders kant stamt ze van nog vóór Adam's tijd. Op de bovenste takken van
haar stamboom huist een superieur apengebroed met zacht, zijachtig haar
en extra lange staarten.
Ik was van plan je vanavond een lieven, aardigen en geestigen brief te
schrijven, maar ik ben werkelijk te slaperig en te dood op. Het lot van
een eerstejaars studente is werkelijk niet op rozen gebed.
Je haast geëxamineerde
Judy Abbott.
Zondag.
Liefste Vadertje Langbeen.
Ik heb allerafschuwelijkst nieuws voor je, maar ik zal niet dadelijk met
de deur in huis vallen. Eerst moet ik probeeren je in een goed humeur te
brengen.
Jerusha Abbott is haar schrijfstersloopbaan begonnen. Haar gedicht,
getiteld „Uit mijn toren”, verschijnt in het tweede nummer van „De
Maandelijksche” op de allereerste bladzij—een groote eer voor een
eerste jaars. De Engelsche leerares hield me op weg naar de kapel even
tegen en zei dat het een alleraardigst gedicht was. De zesde regel
uitgezonderd, want die heeft te veel lettergrepen. Als je er iets om
geeft, zal ik je er den volgenden keer een copie van sturen.
Wacht eens—heb ik niet nog iets aardigs om je te vertellen? O, ja, ik
heb leeren schaatsenrijden en kan nu al heel alleen voortkrabbelen. En
ik kan ook aan een touw van de zoldering van het gymnastieklokaal af
naar beneden klauteren. En ik kan 1.50 M. hoog springen, misschien breng
ik het nog wel tot twee Meter!
Van morgen preekte hier de bisschop van Alabama.
Prachtig! Zijn tekst was „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld
wordt”. Hij wees er op, dat we niet zoo op gebreken van anderen moeten
letten en ook de menschen niet mogen ontmoedigen met ons hard oordeel.
Ik wou dat je er bij geweest was.
Vandaag is het de heerlijkste, zonnigste winterdag, die je je kunt
voorstellen. IJskegels hangen aan de boomen en de heele wereld gaat
onder een zware vracht sneeuw gebukt... behalve ik, want ik ga onder
mijn groot verdriet gebukt.
Nu komt het nieuws! Vat moed, Judy, je moet het vertellen. Ben je nu
heusch in een goed humeur?.... Ik ben voor Latijn en Meetkunde gezakt
en moet nu de volgende maand herexamen doen. Ik vind het heel naar als
je nu teleurgesteld bent, maar anders kan het me niet zooveel schelen,
want ik heb een macht dingen geleerd, die niet op het programma staan.
Hoor maar: ik heb 17 boeken gelezen en _bundels_ gedichten, werkelijk
heel goede boeken, zooals: „Vanity fair” en „Richard Feverel” en
„Alice in Wonderland” en ook nog „Emerson's Essays” en het eerste
deel van Gibbon's „Roman Empire” en de helft van Benvenuto Cellini's
„Life”—interessant is dat, vind je ook niet? Hij had de gewoonte 's
morgens rond te zwerven en bij gelegenheid eens een man te dooden, alles
vóór zijn ontbijt.
[Illustratie: NIEUWS van de MAAND