IV. Engelsch: Wij moeten de tentoonstelling beschrijven. Mijn stijl
wordt van dag tot dag beter en ik schrijf nu veel pittiger.
V. Menschkunde: Het verteringsproces hebben we gehad. Den volgenden keer
beginnen we aan de gal en de klieren.
Dag,
Je, met kennis volgepropte,
Jerusha Abbott.
P.S. Ik hoop, dat je nooit alcohol drinkt, Vadertje Langbeen? Het zou
vreeselijk slecht voor je lever zijn.
Woensdag.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Ik heb mijn naam veranderd!
In de lijst der studenten sta ik nog heel deftig als Jerusha aangegeven
maar overal elders heet ik nu Judy. Het is toch eigenlijk naar dat
je jezelf een lievelingsnaam moet geven, maar ik heb hem toch niet
heelemaal zelf bedacht. Freddie Perkins noemde me zoo, toen hij nog
niet goed kon praten.
Ik wou dat die Juffrouw Lippett zich een beetje meer moeite gaf om
aardige namen voor ons uit te zoeken. De achternamen haalt ze uit
het telefoonboek—als je het openslaat, zul je Abbott op de eerste
bladzij vinden—en de voornamen pikt ze overal uit op. Jerusha heeft
ze eens op een grafsteen gelezen. O, ik had toch altijd zoo het land
aan dien afschuwelijken naam! Maar Judy vind ik wel aardig. Weet je,
het past eigenlijk heelemaal niet bij mij; een lief klein kindje met
zonnige, blauwe oogen moest zoo heeten, een, dat door de heele familie
vertroeteld en geknuffeld wordt en zonder eenige moeite zijn weg in het
leven vindt. Zou het niet heerlijk zijn ook zoo'n kind te wezen? Ik mag
een heeleboel fouten hebben, maar dat kan niemand mij verwijten, dat
ik door mijn familie bedorven ben. Ik vind het prettig om me voor te
stellen, dat ze het wèl gedaan hebben! Doe me een plezier en noem me in
het vervolg nooit anders dan Judy, wil je?
Wil je nog meer van me weten? Ik heb drie paar glacés. Ik heb wel eens
met Kerstmis wollen wanten gekregen, maar nog nooit echte handschoenen
met vijf vingers. En dan glacés! Is het geen rijkdom? Lach niet, ik moet
je nog iets biechten. Ik trek ze elk oogenblik uit en aan en vind het
alleen maar doodjammer, dat ik ze niet in de klas kan dragen!
(Daar luidt de etensbel. Dag!).
Vrijdag.
O Vadertje Langbeen, ik heb je zoo iets prettigs te vertellen! De
Engelsche leerares zei, dat mijn laatste opstel veel oorspronkelijke
gedachten inhoudt. Dat zei ze woordelijk, zeg! Je kunt het haast niet
gelooven, hè, als je denkt aan het leven, dat ik achttien heele jaren
heb moeten leiden. Zooals je wel weet (en zeker ook van harte goedkeurt)
is het doel van het John Grier Home om 97 vondelingen in 97 gelijk- en
gelijkvormige kinderen te herscheppen.
Ja, van mijn buitengewonen teekenaanleg gaf ik al in mijn prilste jeugd
blijk, getuige de vele spotprentjes op Juffrouw Lippett op de deur van
de loods.
Ik hoop dat ik je niet kwets, wanneer ik het instituut zoo bekritiseer.
Je weet wel, dat jij de grootste macht in handen hebt, want als je me
al te brutaal vindt, kun je altijd een eind aan mijn maandgeld maken.
Het is niet erg beleefd dat ik dat zeg, hè Vadertje, maar hoe kun je ook
van mij manieren verwachten: een vondelingengesticht is nu eenmaal geen
jongedameskostschool.
Zeg, weet je, het is niet het werk dat me hier zwaar valt, het
moeilijkste is voor mij onze vrije tijd. Ik weet haast nooit waar de
meisjes het over hebben. Hun grappen schijnen op dingen betrekking te
hebben, die iedereen behalve ik hier weet. Ik ben een vreemde eend in
de bijt en versta hun taal niet. O, het is een ellendig gevoel en ik
heb het mijn heele leven gehad. Op de middelbare school stonden de
meisjes in groepjes bij elkaar en keken naar mij. Ik was altijd alleen
en heel anders dan de anderen en iedereen vond me gek. Ik _voelde_ „John
Grier Home” op mijn voorhoofd branden. Een paar, die medelijden met me
hadden, kwamen dan wel eens naar me toe en zeiden iets tegen me. O, _ik
had het land aan iedereen_, maar nog het allermeest aan die medelijdende
schapen.
[Illustratie: VONDELINGEN TYPE
van achteren van voren]
Niemand weet hier, dat ik uit een vondelingengesticht kom. Ik vertelde
Sallie McBride, dat mijn ouders gestorven waren en dat een lieve, oude
heer mij naar College had gestuurd. En dat is tot zoover ook heelemaal
waar. Denk nu alsjeblieft niet dat ik laf ben, maar begrijp dan toch,
Vadertje, ik wou zoo graag net als de andere meisjes zijn en dat
ellendige gesticht zou nog mijn heele leven kunnen bederven. Daardoor
alleen ben ik anders dan gewone meisjes, maar als ik dit huis den rug
toe draai en er nooit meer aan denk dan geloof ik, dat ik nog net
zoo als de anderen kan worden. Want ik geloof toch niet dat er een
werkelijk bestaand verschil tusschen ons is. Jij wel?
In elk geval houdt Sallie McBride toch van mij!