Mijn lieve Vadertje Langbeen.
Ik houd van College en houd van jou, omdat ik door jou hier gekomen ben.
Ik ben heel, heel gelukkig en overdag zoo opgewonden, dat ik 's nachts
bijna niet slapen kan. Je kunt je niet voorstellen, wat een verschil het
leven hier is met dat in het John Grier Home. Zelfs in mijn droomen heb
ik me zoo'n leventje niet kunnen voorstellen! Zeg Vadertje, ik heb
medelijden met iedereen, die geen meisje is en die dus hier niet kan
komen, want ik weet heel zeker, dat het op College, waar jij geweest
bent toen je nog jong was, niet half zoo prettig kan geweest zijn als
hier bij ons.
Mijn kamer is in een toren en toen het nieuwe ziekenhuis nog niet
gebouwd was, werd ze voor de besmettelijke zieken gebruikt. Er slapen
nog drie andere meisjes op dezelfde verdieping als ik: een Senior
(studente van het vierde jaar), met een bril op, die ons vraagt, toch
alsjeblieft wat kalmer te zijn, en dan nog twee groentjes, Sallie
McBride en Julia Rutledge Pendleton. Sallie heeft rood haar en een
wipneus en ze is heel aardig, Julia behoort tot een van de eerste
families in New-York en heeft het tot nu toe beneden haar waardigheid
gevonden, eenige notitie van mijn persoontje te nemen. Die twee wonen
samen op éen kamer, en de oudere studente en ik hebben ieder een kamer
voor ons alleen. Gewoonlijk krijgen nieuwelingen geen kamer alleen, er
zijn er maar heel enkelen, die dat hebben, maar ik kreeg er dadelijk
een, zonder dat ik er om gevraagd had. Ik denk, dat de registerbewaarder
het niet over zich kon verkrijgen een fatsoenlijk grootgebracht meisje
te verzoeken om samen met een vondeling op éen kamer te wonen. Dat is
tenminste nog een voordeeltje!
Mijn kamer ligt op het Noordwesten en heeft twee ramen. Wanneer je 18
jaar lang met twintig anderen op éen zaal hebt geleefd, is het heerlijk
rustig, eindelijk eens alleen te zijn. Ik geloof, dat dit het eerste
gansje is, dat ik kreeg door de kennismaking met Jerusha Abbott en ik
geloof heusch, dat ik nog eens van haar ga houden ook.
Hou jij ook een beetje van haar?
Dinsdag.
Ze zijn bezig het Korfbal-twaalftal van de Groentjes samen te stellen
en ik geloof wel, dat ik kans heb er in te komen. Ik ben natuurlijk
wel erg klein, maar toch verbazend vlug en lenig. Wanneer de anderen
allemaal in de lucht springen om den bal te vangen, kan ik onder hun
voeten grabbelen en den bal op rapen. O, het is éénig 's middags daar
buiten op het veld! De bladeren zijn nu alle rood, bruin en geel, er
is en heerlijke, frissche lucht en wij lachen en schateren en hebben
eeuwig pret! Ik heb nog nooit zulke gelukkige meisjes gezien en ik ben
nog de allergelukkigste van allemaal!
Ik wou je eigenlijk een heel langen brief schrijven en je over alles
vertellen, wat ik nu leer (Juffrouw Lippett zei, dat je dat weten
moest), maar het heeft net zeven uur geslagen en over 10 minuten moet
ik in mijn sportpak op het korfbalveld zijn. Zeg, hoop jij ook zoo,
dat ik in het twaalftal kom?
P.S. (9 uur). Sallie McBride stak net haar hoofd door de deur. Weet je,
wat ze zei? „Ik heb zoo'n heimwee, dat ik het niet meer kan uithouden.
Heb jij ook zoo'n verlangen naar huis?”
Ik lachte een beetje en zei, dat ik er niet zoo'n erge last van had.
Ik dacht, dat ik er wel doorheen zou komen.
Heimwee is tenminste een kwaal, waar ik geen last van zal hebben.
Ik heb tenminste nog nooit gehoord van iemand die heimwee naar het
Vondelingengesticht had, jij wel?