Hongarije is en blijft het land van belofte voor den vogelkenner.
Gunstiger gelegen dan eenig ander land van ons werelddeel, tusschen de
Noordzee en de Zwarte zee, tusschen de Oostzee en de Middellandsche
zee, tusschen de Alpen en de groote Germaansch-Russische laagvlakte,
het noorden en het zuiden,—steppen en gebergten, bosschen, groote
rivieren en moerassen in zich sluitende,—schenkt het aan standvogels
zoowel als aan strijk- en trekvogels, de grootste voordeelen en
aantrekkelijkheden, en om deze reden vertoont Hongarije een rijkdom aan
vogels, gelijk wellicht geen ander land van ons werelddeel. De
meesterlijke beschrijvingen van dien rijkdom, aan de pen onzer
uitstekendste geleerden ontvloeid, dragen er niet weinig toe bij om in
’t hart van alle vogelkundigen een heimelijk verlangen naar Hongarije
op te wekken. Maar vreemd:—het schoone, rijke land ligt zoo nabij en
wordt toch zeer zelden door Duitschers bezocht.
Ook ik had alleen zijn hoofdstad gezien en dan nog zooveel als men van
uit een spoortrein kan waarnemen; steeds sterker werd in mij het
verlangen, dat heimwee, van hetwelk ik zooeven gewaagde. Dat verlangen
zou bevredigd worden, maar om spoedig daarna weder vuriger te ontwaken.
„Niemand wandelt ongestraft onder palmen” en geen vogelminnaar verwijlt
eenige Meidagen in de Fruškagora zonder later een hartstochtelijk
verlangen in zich te voelen opkomen, die dreven weder te zien.
„Wilt gij mij,” zoo vroeg mij eens mijn hooge beschermer, kroonprins
Rudolf, „naar het zuiden van Hongarije op de arendjacht vergezellen? Ik
heb stellige berichten omtrent twintig adelaarsnesten, en ik vertrouw,
dat wij allen onze kennis veel zullen vermeerderen, wanneer wij deze
nesten opzoeken en tevens vlijtig waarnemen.”
Twintig adelaarsnesten. Men moet jarenlang op de kale aardkluiten van
Noord-Duitschland geketend zijn geweest, men moet zich daarbij de
heerlijke ontmoetingen van bereisde vogelkenners voor den geest kunnen
roepen,—en in beide gevallen verkeerde ik—om zich de vreugde te kunnen
voorstellen, waarmede ik dit aanbod aannam.
Twintig adelaarsnesten, op geen grooten afstand van Weenen, op geringen
afstand van Pest; ik zou niet mijns vaders naam hebben moeten dragen,
om hierbij onverschillig te blijven! Tot uren werden de dagen, die
onder allerlei toebereidselen voorbijvlogen, en tot weken werden ze
door het ongeduld, met hetwelk ik naar de afreis verlangde.
Het was een klein, maar opgeruimd, hoopvol jacht- en werklustig
reisgezelschap, dat op Paaschmaandag van het jaar 1878 uit Weenen
vertrok. Behalve onze aanzienlijke jachtheer en diens doorluchtige
zwager bevonden zich nog de opperhofmeester Graaf Bombelles, Eugenius
von Homeijer en ik als verdere jachtgenooten op de snelle en
behagelijke boot, die ons een dag later, van Pest uit, op de golven van
den „blonden” Donau stroomafwaarts voerde. Door de morgenzon bestraald
en overgoten met het waas der lente lag de trotsche keizersburg van
Ofen voor ons; in ’t eerste voorjaarsgroen prijkten de tuinen van den
Bloxberg, toen wij in het vroege morgenuur afscheid namen van de
hoofdstad van Hongarije.
Noch met den Rijn, noch met den bovenloop, ook niet met den benedenloop
van den Donau laat zich het stuk dezer rivier vergelijken, dat wij
bereisden. Weinige kilometer reeds beneden de tweelingsteden worden de
oevers vlak; spoedig krimpen de bergen aan den rechteroever in tot
onzichtbare heuvels, en slechts in de blauw-nevelige verte aanschouwt
het oog nog de zacht golvende lijnen van matig hooge bergen. Aan den
linkeroever breidt zich eene onmetelijke vlakte uit. Onafzienbaar,
zonder afwisseling, gelijkvormig en eentonig ligt zij daar; zelfs de
daarin verspreid liggende, aanzienlijke dorpen brengen in die
eentonigheid nauwelijks eene geringe afwisseling. Hier en daar ziet men
een herder leunen op zijn zwaren staf; geen vrome schaapjes zijn echter
aan zijn hoede toevertrouwd, maar knorrende borsteldragers, die
gezellig rondom den door de zon gebruinden man staan, of in behagelijke
rust nabij hem zijn gelegerd. Om den poel, die bij dezen hoogen
waterstand geheel vol is geloopen, beschrijft de kievit wijde kringen;
over de breede vlakte zwenkt de blauwe kuikendief; voor hunne, in de
steile oeverwanden gegraven nestholten zweven de oeverzwaluwen heen en
weder; op de met hout beschoten daken der talrijke scheepsmolens
trippelen sierlijke kwikstaartjes op en neêr; uit de rivier verheffen
zich kwakende eenden en aalscholvers; boven het water vliegen en
zwenken wouwen en bonte kraaien. Zoo ongeveer is het beeld van dit
landschap.
Weldra evenwel komt daarin verandering. Nog effener wordt de vlakte,
die de stroom zich zelf eenmaal schiep en die hij thans uitdiept. Over
uitgestrekte, nog niet ingedijkte, en daarom door elken hoogen vloed
overstroomde vlakten verdeelt hij zich in een aantal, geen
afzonderlijke namen dragende armen. Welig opgeschoten hout bedekt de
oevers en eilanden; dicht begroeide oeverzoomen weren den blik in ’t
inwendige dezer oerwouden, welke zich mijlen ver langs den horizon
uitstrekken. In weêrwil der eentonigheid ontstaan en verdwijnen toch
afwisselende tooneelen, vormen deze zich, verschuiven ze en worden ze
opgelost, al naar ons vaartuig met den stroom eene andere richting
aanneemt. Wilgen, abeelen, zilverpeppels en zwarte populieren, olmen en
eiken, de eerstgenoemde het meest, de laatstgenoemde meer spaarzaam,
vormen den inhoud. Hooge, oude wilgen steken boven den dichten, bijna
uitsluitend uit boomen derzelfde soort bestaanden oeverzoom uit; dieper
naar binnen rijzen zilverpopulieren en zwarte populieren met hunne
heerlijke kronen omhoog, of steken oude, knoestige eiken de dorre
takken in de lucht. Met eenen enkelen blik overziet men een geheel
leven, van het uitspruitend wilgenrijsje af tot den afstervenden
boomreus; ontspruitende, ontkiemende, opgroeiende, in vollen wasdom
prijkende struiken en boomgewas, dorre kruinen, door hemel- en aardsch
vuur gevallen en half verbrande, op den grond liggende en vermolmende
stammen. Daartusschen blinken stilstaande of stroomende wateren,
daarboven welft zich de lucht. Uit het geheimzinnig duister klinkt de
slag van den nachtegaal, van den vink, het gezang van den in liederen
rijken zanglijster, gilt de valk, schreeuwt de arend, lacht de specht,
krast de raaf, krijscht de reiger. Nu en dan speurt men eene minder
dichte plaats in het bosch, een nog niet weder dicht gegroeide, gevelde
plek, die een blik veroorlooft op het daarachter gelegen landschap, op
de uitgestrekte vlakte van den rechteroever en den haar begrenzenden
heuvelzoom, op schier eindelooze akkers, op een dorp, op eene stad. In
den zomer, wanneer het groen van één tint is, in den naherfst, in den
winter en het voorjaar, wanneer de boomen bladerloos staan, moge dit
oeverlandschap vermoeien, nu moge het ook eentonig schijnen, maar het
is in werkelijkheid bekoorlijk; alle populieren en wilgen prijken thans
met hun jeugdig, frisch groen, velen met den dos hunner bloemen en zoo
zien de bosschen er, althans hier en daar, werkelijk teekenachtig uit.
Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij
hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu
eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het
inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis,
gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen
plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond
bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier
ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige
lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook
hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene
hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo
volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op
andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de
reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm,
bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend
in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong
opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan,
versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den
wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen,
die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar,
die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende
eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te
vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke
de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn
dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond
aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene
vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar
grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat
rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte,
wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers
meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem
bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg.
In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers
der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den eersten
reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in
vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde
reigereiland Adony en hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het
leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de
hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te
midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene
menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig
jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd,
verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgens
Landbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren
blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren
schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal
kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn
tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten,
terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de
schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons
nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland
betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude
beeld.
Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht
samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene
vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de
kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den
nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de
laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf,
òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de
reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en
gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en
roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en
wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken,
voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen,
die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept.
De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van
vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal
overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het
onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering
in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook
voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg
overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en
vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt
voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt
zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte.
Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in
de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts
volgt.
Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk
gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,”
zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld,
die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door
verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men
beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een
museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende,
klimmende, vliegende, kortom, levend, en men zal moeten toegeven, dat
het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening
is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland
Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd
bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het
rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot
dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje
der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken,
blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren
met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den
rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der
reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en
zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en
glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen;
tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een
pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds
bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood.
Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en
bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren
en de uit het nest gevallen, half vergane visschen.
Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene
onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de
opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend
verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft
over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw
uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen,
die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos
omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa
ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat
hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest
en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de
vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn
lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun
heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te
midden van roovers en dieven.
Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar
de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij
verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren
lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en
dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat
de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den
volgenden dag bereiken wij Apatin. Vreugdeschoten, muziek en
juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen
dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers,
boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan
boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes, „Czikeln” genoemd, worden
volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid
van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor
de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te
Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de
moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze
bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante
mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust
scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te
begeven.
Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van
vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en
Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd;
de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst
welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont hij met voorliefde de
zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote
rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven,
dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude
jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der
meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den
winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen
is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met
het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied
uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus
volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den
herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen
jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze
oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs
blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in
het water even behendig, zoo niet beter, dan op het land, zweven boven
de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich
pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder
water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun
krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit,
dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar
eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in
Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen
zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze
vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de
naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen
uit zijne vischkaar of anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen
de Hongaarsche, Servische en Slavonische boeren voor de zeeadelaars,
door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten
liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven
overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi
aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas
in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer
edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar
overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de
rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong
en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke
klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien
euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem
gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt
hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en
indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam,
werkelijk benijdenswaardig leven.
Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en
eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door
jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje
machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te
vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het
geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje
tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het
eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen,
geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen
arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren,
en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd
op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt,
volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de
strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander,
totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij
’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt
slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen
vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen
van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te
beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den
strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de
kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl
beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van
een verheven zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal
echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd
gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige
echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het
krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener
arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe.
Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen
arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije
moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het
langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te
herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van
den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het
ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver
naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te
verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze
vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest
telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan
besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in
de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet
altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog
boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund
door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en
zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over
en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een
groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in
de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en
schuilplaats vinden.
Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje
twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan
ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel,
verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het
nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft
verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een
bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na
vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte
wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer
scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds
zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop
werk. Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te
bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging
belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar
alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan
haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het
jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst
dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen
krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde
voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel
neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden
weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening,
al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen
groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds
veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij
volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide
der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden.
Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den
adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht
zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons
bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te
voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en
wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord,
de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in
fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar
de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht
hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren,
maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te
vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo
verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring.
Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt,
waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd
gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden
zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der
wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en
in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen.
En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid
aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in
het van voorjaarsluchten geurende woud; wel sloeg hier en daar een
enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn
lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch
het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren
te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen
meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het
genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis
behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken,
het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en
zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het
geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende
melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende
rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend
hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels.
De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de
Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten
hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door
een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote,
voorbeeldig bestuurde heerlijkheid Bellye voerde een weg, dien wij in
vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met
poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven
herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het
landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren
duizenden zingende leeuweriken; op de wegen trippelen aardige
kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en
grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar
nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken
visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in
zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van
andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed
onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in
weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier
nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone
buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot
aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch
kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden
gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen
jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten
op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te
duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende
roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,”
merkte kroonprins Rudolf op en drukte in deze enkele woorden zeer juist
de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van
Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de
moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn
geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer heeft doen verminderen; hij
gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en
grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem
leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat
tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot
rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden,
levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren,
heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te
wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge
daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels
bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem
vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren,
voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof
zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone
raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet
schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet
van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand
voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden.
Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud
leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen
hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en
vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons
met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit
land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk
tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds
jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg,
langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op
de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende
dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den
rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was
niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had
kunnen denken. De bevolking van het dorp Dalyck bestaat bijna
uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de
heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn
vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn
schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en
sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer
goed gebouwd en waarschijnlijk niet van schoonheid ontbloot. Het eerste
viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp
komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in
Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk
en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer
ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door
op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze
ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt
door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek,
mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder
mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal
overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische
nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht.
Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons
gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de
dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen,
hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye
doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn,
indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en
verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze
jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid;
nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en
nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige
uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de
richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest
grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor
ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden
wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden
breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de
loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich
vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten
ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden
heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het
groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij
laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den
vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende
uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren
aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende,
nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige
dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de
donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blonde
Donau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt.
Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel;
oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde
groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde
rietvelden. Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de
regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel
hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in
de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig
wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het
zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt
daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper
uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte
tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen
gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het
grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo
verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met
riet gedekte visschershut.
In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de
eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den
spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en
neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en
dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een
zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een
troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd.
Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een
wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den
onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der
Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort.
Graaf Rudolf Chotek had op de voorbeeldigste wijze alles voor eene
waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo
wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit,
boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven,
beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van
het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te
keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam, hart en ziel, en
onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid,
vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de
Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven;
zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis.
De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de
nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de
gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds;
in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van
ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid
schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen
volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in
eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht
en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig
ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon
vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich
schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage
oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt
zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer
haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en
marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht;
in het oosten troont de vesting Peterwardein.
Boven de akkers verheffen zich zingende leeuweriken; uit de struiken
klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de
wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de
lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun
wijde kringen.
Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een
heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds
af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken,
linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de
bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf
houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den
wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in
het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden
gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die
niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer
loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens
af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls een verrukkelijk
gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker
hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in
al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht
opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit
een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën
inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de
lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op
te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten
bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige
terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en
roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal
verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn
lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en
meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op.
Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche
roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen
in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich
onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen
oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden
hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den
dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van
vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij
uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en
mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks;
waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons
hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en
menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de
vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard.
De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie
zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en
Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der
Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt,
welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar
Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in
staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de
eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden, vliegt
hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht
doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het
ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn
weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd
gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat;
hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading
is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit,
òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben,
neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond.
Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische
mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let
hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere
groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen
zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van
het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of
ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij
gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar
alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De
een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft
opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij
dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is
met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven
beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze
vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten.
Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden
hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de
maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat
komt, den hond in den pot vindt.
De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook
nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in
het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan
van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk
niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden.
In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de
voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende
land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te
broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker
reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste boomen van
het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der
berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert
twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden,
terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar
nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende
afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening.
Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en
grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of
de voeten veel over den rand heen te steken.
Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het
woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons
gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te
jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat
heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de
rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden,
en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij
buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst
belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste
zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om
ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke,
alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den
hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans.
Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk
hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van
onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en
vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van
drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde,
maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later
Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden
morgen bereiken wij Kovil, het einddoel van den tocht.
In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers
ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar
waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat,
ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier
ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van
allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden,
arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier
hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede
verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden
in de bosschen hun geluk, terwijl Eugenius von Homeyer en ik gingen
jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu
tot een wijde zee was geworden.
In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle
aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte
het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken
opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu
eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele
breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar
nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen
V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich
begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe
reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen,
lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende
wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand
van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer
kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes
in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote
watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen
vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die
als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in
deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat,
omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds
bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk
hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die
den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede
watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende
stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te
dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten te broeien, blijven
gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij
hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben
opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het
groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande
boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk
drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij
de oppervlakte van het water tegen de boomstammen, om op de hun gewone
wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels
verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons,
omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben
gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver
door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een
langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier
onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had
persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste
bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade
te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven.
Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een
der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester
had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo
onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De
weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu
nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het
doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende
vogels.
Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen
zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den
nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog
eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar
waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten
grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts
spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde
den sneltrein naar Weenen niet te missen.
Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang
hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons
zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart
nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te
vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als
eigenaardig land.
ALPHABETISCHE LIJST VAN DE WETENSCHAPPELIJKE NAMEN
DER IN DEN TEKST VERMELDE DIEREN EN PLANTEN. [2]