DE KOLONISTEN EN BANNELINGEN VAN SIBERIË.

Wie in Siberië niets dan ééne groote gevangenis ziet, dwaalt evenzeer

als hij, die dit land beschouwt als ééne onmetelijke ijswoestijn. Wel

zendt Rusland ieder jaar duizenden misdadigers of veroordeelden naar

Siberië, en wel trekken deze, zoolang zij onderweg zijn, van de eene

gevangenis naar de andere; wel zijn de zoodanigen, die zware misdrijven

tegen lijf en leven, bezittingen en eigendommen te boeten hebben,

zoolang zij gedwongen in Siberië verblijf houden, niet vrij,—maar het

kleinste getal van alle misdadigers bevindt zich, zoolang hun straftijd

duurt, in werkelijke gevangenschap, en ieder is bij machte door zijn

gedrag die gevangenschap meer dragelijk te maken, zelfs zich er van te

bevrijden, en dus weldaden te genieten, gelijk aan de bewoners onzer

tuchthuizen en gevangenissen niet ten deel valt. Uitgestrekte deelen

van het ontzaglijk gebied, dat aan den Russischen scepter onderworpen

werd, geheele landen zijn overigens nimmer verbanningsoorden geweest en

zullen wel altijd van het bezoek der gedwongen reizigers verschoond

blijven, welke laatsten grootere onaangenaamheden, ja zelfs kwellingen

onder de bevolking brengen, dan zij zelven te dulden hebben. Langs

dezelfde wegen, die vroeger niet dan onder zuchten afgelegd werden,

trekken heden ten dage vrije lieden, die in het verre oosten op

lotsverbetering hopen. Aan de gedwongen kolonisten sluiten zich anderen

aan, die uit eigen beweging derwaarts trekken, en wel naar oorden, die

langen tijd in den slechtsten reuk stonden als de meest ongastvrije

landen der geheele aarde. Een nieuwe tijd is voor Siberië aangebroken,

want de verblinde vrees maakt allengs plaats voor meer verlichte

kennis, ook bij zulke personen, die overigens meer toegankelijk zijn

voor de eerste dan voor de laatste. De heerschende denkbeelden omtrent

Siberië zijn te wijten aan de schriftelijke en mondelinge berichten van

ontwikkelde bannelingen, dus van lieden, die de vaste bewoner van

Siberië „ongelukkigen” noemt en ook als zoodanig behandelt. Die

berichten zijn wel is waar niet zoo geheel bezijden de waarheid, doch

voor het grootste deel toch onjuist. Het ongeluk maakt lichaam en ziel

blind, en berooft ons van de onbevangenheid, die de eenige grondslag

mag en kan zijn van eene richtige beoordeeling van toestanden. De

toestanden nu in Siberië zijn veel beter dan men meent, beter zelfs dan

in menige bergstreek van Duitschland. In Siberië is de strijd des

levens volstrekt niet hard. Gebrek in den eigenlijken zin des woords,

ontbering van het noodzakelijke tot onderhoud des lichaams, zijn hier

onbekende zaken, en treffen in elk geval slechts hem, die wegens ziekte

of andere ongevallen niet in staat is tot werken. Vergeleken met het

lot, dat menigen armen Duitschen bergbewoner gedurende zijn geheele

leven is opgelegd, die bijna nimmer als overwinnaar uit den strijd des

levens te voorschijn treedt, is zelfs het lot van den Siberischen

banneling nog vaak benijdenswaardig. Ontbering vindt men ook in

Siberië, maar meer in geestelijken dan in lichamelijken zin; wie

slechts de aarde bewerkt, vindt daar meer dan hij noodig heeft, en wie

haar, de voedster, ontrouw is geworden, en de een of andere daar

inheemsche bezigheid koos, dien ook brengt de eerlijke handenarbeid

vrij zeker evenveel winst op als de aarde. Zoo zijn de tegenwoordige

toestanden, met onbevooroordeeld oog aanschouwd.

Ik heb getracht een zoo getrouw mogelijk beeld te ontwerpen van de

levensomstandigheden der bewoners van het door mij bereisde deel van

Siberië. Ik ben nedergedaald in de laagste diepten der menschelijke

ellende, en heb mij vermeid in de zonnige hoogten van alle denkbaar

geluk; ik heb verkeerd met moordenaars, straatroovers, brandstichters,

dieven, bedriegers, oproerlingen en samenzweerders, met visschers en

jagers, herders en boeren, kooplieden en industrieelen, met heeren en

knechten, rijken en armen, met wetenschappelijke lieden en

ongeletterden, met beambten en rechters, tevredenen en ontevredenen,

begeerende menschen en zij die niets meer wenschten, en zulks om mijn

waarnemingen te bevestigen, mijne opmerkingen te vermeerderen, mijne

besluiten te toetsen, mijne verkeerde opvattingen te verbeteren; ik heb

de veiligheidsbeambten ondervraagd naar het lot der bannelingen, en bij

de bannelingen zelf inlichtingen ingewonnen omtrent hun toestand; ik

heb de misdadigers in hunne gevangenissen opgezocht en ook daarbuiten

gadegeslagen; ik heb met boeren, industrieelen, handwerkslieden en

kolonisten gesprekken gevoerd, wanneer en waar ik slechts gelegenheid

vond; ik heb de inlichtingen, welke ik van deze lieden ontving,

vergeleken met die der regeeringsbeambten; ik geloof dan ook, dat ik

zooveel ben te weten gekomen als, de snelheid en den korten duur onzer

reis in aanmerking genomen, maar eenigszins mogelijk was. In elk geval

heb ik zooveel stof verzameld, dat ik mij op mijn eigen ervaringen kan

verlaten, wanneer ik mij gereed maak een vluchtig geteekend levensbeeld

te schetsen van de bannelingen van Siberië. Mijne schilderij zal wel

niet geheel vrij van onnauwkeurigheden zijn, maar in ’t algemeen de

uitdrukking mogen heeten van een billijk oordeel.

Afgezien van de regeeringsbeambten, de soldaten en ondernemende

industrieelen, voornamelijk kooplieden, bestond de aanvoer, dien

Siberië uit Rusland ontving, tot in het jaar 1861 uitsluitend uit

onvrijwillige verhuizers: lijfeigenen des keizers, die in de bergwerken

van den Czar, en misdadigers, die, althans voor een deel, naar de

bergwerken van den Staat werden gezonden. Met de opheffing der

lijfeigenschap, die eene diep ingrijpende verandering in de sociale

toestanden ten gevolge had, dieper dan men aanvankelijk geloofde en nog

tegenwoordig inziet, droogde de eerstgenoemde bron als met een

tooverslag op. Millioenen menschen werden op het woord van hun

zachtmoedigen, groothartigen gebieder vrij; duizenden hunner verlieten

de bergwerken en wendden zich naar de vruchtbare aarde, die zij tot nu

toe als slaven hadden bewerkt, zoodat de bergwerken, althans die van

den Czar, van stonden aan leeg liepen en nu nog onder de gevolgen

lijden. Maar het groote kroongoed Altaï werd tevens verrijkt met een

nieuw element, dat daaraan tot nog toe vreemd was gebleven, n.l. met

een vrijen boerenstand, wel is waar zonder erfelijk landbezit, maar

toch vrije boeren van het rijke land, voor en in de plaats van zijne

tot nog toe daar wonende kolonisten. De opheffing der lijfeigenschap

veranderde evenwel ook den toestand dier Siberische landstreken, die

tot op dezen tijd hoofdzakelijk door veroordeelden waren bevolkt

geworden, daar het voortaan mogelijk werd ook hier een vrijen

boerenstand te vormen. Op deze plaatsen evenwel schijnt de voortdurende

toevoer eer belemmerend dan voordeelig gewerkt te hebben; want het

meerendeel der veroordeelden, die naar de reeds bevolkte gedeelten des

lands gezonden werden, brengt voortdurend onrust onder de gezeten

bevolking, en daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat bedoelde

landstreken minder vooruit zijn gegaan dan het kroondomein Altaï, dat

steeds verschoond is gebleven van bannelingen en hiervan ook wel altijd

verschoond zal blijven, zoolang Altaï althans keizerlijk domein blijft.

Daarentegen trekken tegenwoordig gedurig nieuwe scharen verhuislustigen

derwaarts, en neemt de bevolking in Altaï sneller in bloei toe dan in

de overige landen van Siberië.

Het is een prachtig stuk lands, dit domein Altaï, en in zoo verre ook

een opmerkelijk land, omdat het het grootste is, dat ergens ter wereld

gevonden wordt. De vlakke inhoud toch bedraagt in ronde cijfers 400.000

vierkante wersten, of ongeveer 8000 vierk. geogr. mijlen. Het sluit

gebergten en vlakke landen in zich, bergland en heuvelland; het ligt

tusschen bevaarbare rivieren en dezulke, die met weinig moeite

bevaarbaar kunnen gemaakt worden; het bevat nog altijd groote,

rentegevende bosschen en in ’t algemeen onmetelijke rijkdommen zoowel

onder als boven den grond. Niet minder dan 830 verschillende

ertsbeddingen kent men binnen zijn gebied, niet gerekend de overige 270

vindplaatsen, die nog nimmer nader onderzocht werden. Men wandelt in

het kroondomein Altaï letterlijk op goud en zilver; want goudhoudende

zilverertsen, lood, koper en ijzer, doordringen in een aantal, meest

bouwwaardige aderen de bergen, terwijl de rivieren stofgoud afvoeren.

Een steenkolenbedding van nog onbekende uitgestrektheid, die hier en

daar van 6 tot 8 meter dikte bezit, strekt zich bovendien nog onder een

groot gedeelte des lands uit; te oordeelen naar de samenstelling der

aan de oppervlakte gelegen gesteenten, mag men aannemen, dat men in het

noorden van het kroondomein op één groot steenkolenbekken wandelt. En

toch moet men den waren rijkdom van Altaï niet in deze onderaardsche

schatten zoeken, maar in den vetten en vruchtbaren grond. Deze bedekt

geheele gebergten en hoogvlakten, en waar de bouwaarde in de

rivierdalen en laagvlakten bijeengespoeld werd, heeft zij soms een

dikte van anderhalven meter. Bevallige, deels majestueuse bergstreken

wisselen af met liefelijke, heuvelachtige landschappen en zacht

golvende vlakten, die vooral bij de boeren het meest gezocht zijn,

steppen met vruchtbare, door een riviertje of beekje doorsneden

vlakten, bosschen met welig groeiend hoog zoowel als laag geboomte en

parkachtig ingedeeld hout. Een wel is waar niet zacht, maar toch

geenszins onverdragelijk klimaat maakt overal eene rentegevende

ontginning mogelijk van dien vruchtbaren, grootendeels nog maagdelijken

bodem. Het jaar is afgedeeld in een heeten, bijna altijd voortdurenden

zomer van vier maanden, in een strengen, onafgebroken winter van vier

maanden, in twee natte, koude, onbestendige voorjaarsmaanden en

evenveel herfstmaanden van gelijke gesteldheid; en alhoewel de

gemiddelde warmte van het goede deel des jaars niet toereikend is om de

druiven te doen rijpen, al onze gewone korensoorten gedijen er

voortreffelijk, terwijl in de zuidelijke distrikten van het kroondomein

zelfs de meloen tot rijpheid komt.

Zoo ziet het land er uit, dat reeds meer dan twee menschenleeftijden

verschoond is gebleven van verbannen misdadigers en waar heden ten dage

kolonisten zijn gezeteld, die men zou wenschen, dat in matig aantal ook

in geheel overig Zuid-Siberië, dat niet minder rijk en vruchtbaar is,

werden gevonden. Zij laten zich wel is waar niet vergelijken bij onze

erfgezeten boeren, deze landbouwers van het kroondomein Altaï, maar zij

hebben het oneindig beter dan de gewone Russische boer. Men ziet het

hun aan, dat hunne ouders en grootouders de lijfeigenen zijn geweest

van den grootsten en hoogsten heer des Rijks, maar geenszins de slaven

van eenen machteloozen en om deze reden eene onbepaalde onderdanigheid

eischenden gebieder; men kan bij iedere gelegenheid opmerken hoe het

gemis van erfelijk grondbezit hen in geenerlei opzicht gehinderd heeft

welvarend te worden, d.w.z. meer te verdienen, dan zij noodig hadden en

nu nog noodig hebben.

Het lot der bewoners van Altaï was van af den tijd, dat het kroongoed

tot eigendom des keizers werd verklaard, een betrekkelijk gunstig, om

niet te zeggen een gelukkig lot. Tot de opheffing der lijfeigenschap

waren zij zonder eenige uitzondering bij den bergbouw in dienst of

althans middellijk daarvoor bedrijvig. Zij, die niet in de mijnen zelf

werkten, moesten hout vellen en verkolen, anderen moesten de houtskolen

naar de smelthutten brengen, wederom anderen het erts vervoeren. Met de

toename der bevolking werd de druk der heerendiensten steeds minder.

Omstreeks het midden dezer eeuw kon men reeds over zooveel krachten

beschikken, dat de arbeid voor den keizer tot ééne maand in het jaar

beperkt werd, alhoewel onder deze voorwaarde, dat ieder leenplichtige

een paard moest leveren. De weg, dien de arbeider met dit paard had af

te leggen, werd naar deszelfs lengte berekend. Als vergoeding voor de

afwezigheid van huis en hof ontving ieder arbeider 75½ kopeken voor den

tijd zijns arbeids. Behalve deze weinig beteekenende belooning had

echter ieder mijnwerker het recht, van ’s keizers land zooveel grond te

bebouwen als hij kon, dit te doen naar eigen goedvinden, en bovendien

in ’s keizers bosschen zooveel hout te vellen als hij voor het bouwen

zijner woning en voor brandstof noodig had. Belasting had hij niet te

betalen. Het aantal arbeiders, dat een dorp moest leveren, richtte zich

naar het zielental; de verdeeling der heerendiensten geschiedde door de

leden der gemeente zelf.

Minder gemakkelijk was het werk, dat de mijnwerkers hadden te

verrichten. Zij werden, even gelijk elders de soldaten, uit de dorpen

en steden van het kroongoed gerecruteerd, in elk opzicht als soldaten

behandeld en eerst na vijf en twintigjarigen diensttijd vrij verklaard.

Men verdeelde hen in twee groepen; in de eigenlijke mijnwerkers, die in

de ontgonnen groeven afdaalden, en in bergwerkers, die telken jare eene

bepaalde, hun aangewezen dienstverrichting binnen een hunzelf

overgelaten tijd hadden te volbrengen. Dezen maakten de kolenbranders,

houthakkers, metselaars, voerlieden enz. uit, en ontvingen, eens

voorgoed, jaarlijks veertien roebel loon. Was de opgedragen taak af,

dan waren zij voor ’t overige gedeelte van het jaar vrij en mochten dan

doen wat zij wilden. De mijnwerkers daarentegen bleven jaar in, jaar

uit in dienst. Zij werkten eene week lang des daags, de volgende week

des nachts, hadden elken dag twaalf uren te werken en kregen de derde

week vrij. Al naar zijn bekwaamheid ontving ieder mijnwerker ter

bekostiging zijner, tegen geld te betalen uitgaven, jaarlijks van zes

tot twaalf roebel loon, daarenboven elke maand twee pud meel voor zijn

persoonlijke voeding, even zooveel voor zijne vrouw en één pud voor

ieder zijner kinderen. Land te bebouwen, vee te fokken, zoo veel hij

kon of wilde, dit alles was geoorloofd. Zijne zoons moesten van hun

zevende tot hun twaalfde jaar de school bezoeken; van dien tijd af

werden zij gedwongen tot hun achttiende jaar als bergknapen zekere

diensten te verrichten en ontvingen daarvoor eerst één, later twee

roebel belooning per jaar. Had de knaap zijn achttiende jaar bereikt,

dan begon zijn dienst in de mijnen.

Op den 1en Mei 1861, den dag der vrijmaking van alle lijfeigenen in het

Russische Rijk, telde men in het kroondomein Altaï 145639 mannelijke

zielen, van welke 25267 als mijnwerkers en huttenarbeiders in dienst

waren. Zij werden niet allen op denzelfden dag, maar in het

tijdsverloop van twee jaren van hun verplichtingen ontslagen. Niet

minder dan 12626 verlieten nu de mijnen, om in de vaderlijke dorpen

terug te keeren en hier het landbouwbedrijf uit te te oefenen; de

anderen bleven in de bergwerken als vrije arbeiders.

Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik beweer, dat de geregelde

toestanden, die men in het kroondomein veel meer aantreft dan elders,

waar ook in westelijk Siberië, toe te schrijven zijn aan dat verleden.

De ouders en voorouders der hedendaagsche bevolking van het keizerlijk

domein hebben zich, in weêrwil hunner onvrijheid, nimmer onderdrukt of

gedrukt gevoeld. Zij waren lijfeigenen, maar die van den heer en

gebieder des lands, van dat groote land, in hetwelk de wieg hunner

vaderen had gestaan. Zij waren gedwongen voor hunnen heer en meester te

werken, en hunne zonen bijna een menschenleeftijd lang in den dienst

diens meesters te stellen; maar die heer was de keizer, een bijna

goddelijk wezen in hunne oogen. Daarvoor voedde hen de keizer,

bevrijdde hij hen van alle lasten van andere staatsburgers, en

veroorloofde hij hun zijn land te bebouwen, en daaruit te halen, wat er

uit te halen viel; hij verhinderde hen niet welvarend te worden, hij

beschermde hen zooveel mogelijk tegen verdrukking door onrechtvaardige

ambtenaren en hij werd nog bovendien de weldoener hunner kinderen, door

althans een gedeelte te dwingen de school te bezoeken. De beambten, die

over hen gesteld waren, hadden hoogere beschaving dan alle andere in

dienst der kroon staande lieden; de meesten hadden in Duitschland

gestudeerd, waren zelfs voor een goed deel van Duitsche afkomst en

voerden, zoo niet Duitsche zeden, toch verlichte denkwijzen in een land

in, dat zij in naam des keizers bestuurden. Nog heden is Barnaul, de

hoofdstad van het kroondomein, een brandpunt van beschaving, gelijk

Siberië geen tweede heeft aan te wijzen; in den tijd van den hoogsten

bloei des mijnwezens was Barnaul ontegenzeggelijk de geestelijke

hoofdstad van geheel Midden- en Noord-Azië en het van hier uitstralende

licht verspreidde des te helderder glans, omdat het in alle

bergplaatsen brandpunten vond, die dat licht steeds verder hielpen

verspreiden. Zoo nam reeds in vroeger tijd het kroondomein eene

bevoorrechte plaats in onder de landen van Siberië.

Het is wellicht nimmer een opzettelijk doel van het bestuur des

kroondomeins geweest, om den boerenstand vooruit te helpen; tot aan de

opheffing der lijfeigenschap zag men in het landbouwbedrijf slechts een

middel om den bergbouw te bevorderen. Deze tijden zijn veranderd.

Sedert den dag, dat de lijfeigenen tot vrije mannen werden verklaard,

is de bergbouw in gelijke mate achteruitgegaan als de landbouw is gaan

bloeien. Men heeft nog niet kunnen besluiten om den ouden sleur te

laten varen, maar moet die nalatigheid dan ook met zulke hooge sommen

betalen, dat de zuivere winst van het mijnwezen tot een minimum is

gedaald. Het eenig afdoende middel om verbetering te brengen in den

bestaanden toestand zou daarin gelegen zijn, dat men de mijnen liet

exploiteeren door energieke ondernemers; maar dit middel heeft men, wel

is waar, wel in overweging genomen, maar nog geenszins tot feit doen

worden. Vrije beschikking over den grond, zoover de ploeg er in

doordringt, was van oudsher gebruikelijk en zulks is eenigermate zelfs

recht van gewoonte geworden. Wel bezit niemand in het kroondomein, wij

merkten het reeds op, den grond, dien hij bebouwt en waarop zijn huis

staat; alles behoort den keizer, en wat des keizers is, is ook, volgens

de meening der boeren, het eigendom van „onzen lieven Heer” en deze

laatste staat gaarne aan iederen geloovige toe daarvan gebruik te

maken. In werkelijkheid heft het domeinbestuur jaarlijks van iedere in

bouwland omgezette hektare veertig kopeken pacht; al te streng gaat men

hierbij evenwel niet te werk en de boer zijnerzijds voelt evenmin

groote verplichting het daarmede heel nauw te nemen. Zoo bebouwt in

werkelijkheid elke boer zooveel land als hem lust en hij neemt dit waar

hij wil.

Men laat den tegenwoordigen boer van het kroondomein slechts recht

wedervaren, wanneer men hem afschildert als een goed gebouwden,

opgewekten, bekwamen, fatsoenlijken, leergragen, gastvrijen,

goedaardigen en barmhartigen man; men zegt ook niet te veel, wanneer

men hem welvaart en een hieruit voortspruitend gevoel van eigenwaarde,

zelfs zekeren vrijheidszin toekent. Zijn voorkomen getuigt van meer

vrijheid en is minder deemoedig dan dat van den Russischen boer. Hij is

beleefd en voorkomend, onderdanig en daardoor gemakkelijk te leiden,

maar toch niet slaafsch en kruipend, zoodat hij op den vreemdeling geen

ongunstigen indruk maakt. Maar ook hij bezit al die eigenschappen, die

wij gewoonlijk boerenluimen noemen en nog andere, die den eersten

gunstigen indruk aanmerkelijk verzwakken. Niettegenstaande hij meer

gelegenheid had om onderwijs te ontvangen dan alle andere Siberiërs van

zijn stand, staat de school bij hem in kwaden reuk. Hij is

strenggeloovig en zou voor de kerk alles weggeven, wat hij bezit, maar

ziet in de school eene inrichting, die den mensch slechter maakt in

plaats van hem te beschaven. In herinnering aan de vroegere toestanden,

die zeker veel te wenschen overlieten, nog gedachtig aan de tijden toen

oude, uitgediende soldaten den scepter in de school zwaaiden en zich

niet schaamden de hun toevertrouwde scholieren snaps te laten halen, en

hen in dronkenschap dikwijls te mishandelen, is hij ongemeen

wantrouwend omtrent alles, wat met de school in betrekking staat;

bovendien hangt hij, naar boerenaard, zeer aan het oude en is van

oordeel, dat meer kennis dan hijzelf bezit, voor zijn kinderen nadeelig

zou zijn, en van deze meening is hij niet af te brengen. Hij staat dus

nog op een vrij lagen trap van beschaving. Bij uitzondering verstaat

hij de schrijfkunst en onder alle omstandigheden beschouwt hij boeken

als geheel nuttelooze zaken. Des te sterker steunpilaar is hij van het

bijgeloof, dat zijne kerk steunt en doet bloeien. Hij kent meestentijds

de namen der maanden niet, die der heiligen en der feestdagen evenwel

des te beter. God en de heiligen, aartsengelen en duivels, dood, hemel

en hel houden hem bijna uitsluitend bezig. Men kan hem niet zoozeer

licht te bevredigen noemen, maar wel beweren, dat hij onverbeterlijk

tevreden is. Meer dan hij noodig heeft om te leven wenscht hij niet,

zoodat hij dan ook niet meer werkt dan hij bepaald moet. Maar noch zijn

pachthoeve, noch zijn akker, die hij het zijne noemt, kan hem groot

genoeg, zijn huisgezin, noch veestapel te talrijk zijn.

„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een

der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen.

„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord.

„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?”

„„Er zijn goeden en slechten.””

„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?”

„„Wij hebben niet over hen te klagen.””

„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten

op?”

„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij

reeds tevreden.””

„Groeit uw vee goed?”

„„Wij zijn tevreden.””

„Hoeveel paarden bezit gij?”

„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.””

„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?”

„„Acht à tien, nu en dan twaalf.””

„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?”

„„Somtijds verkoop ik er een.””

„En wat doet gij met de anderen?”

„„Nitschewo.””

„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?”

„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en

zwijnen.””

„Hebt gij veel belasting te betalen?”

„„Ik ben tevreden.””

„Hebt gij u over een of ander te beklagen?”

„„Ik ben tevreden.””

„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?”

„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.””

„Welke?”

„„Het wordt ongezellig in het land!””

„Ongezellig, wat beteekent dit?”

„„Nu ja, het wordt ons te klein.””

„Te klein, in hoeverre?”

„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men

kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te

leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.””

„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen

enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?”

„„Vijftien werst.””

Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote

land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van

de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem

zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo

vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt

een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als

gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem

vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg

zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn

zonden.

In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder

goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te

spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van

regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste

land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van

zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante

werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechts tweehonderd en vier

en dertig duizend bewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat

elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich

tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet

minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel

onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog

twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet

zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van

eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen,

dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te

gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad

onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet

meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud

ossenvleesch in den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een

gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer

dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate,

dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het

kroondomein voor 100 K.G. koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan

verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even

noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn

bekrompen begrippen tot een vloek.

Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de

meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid,

hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid

tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en

barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen

Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel

mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware

menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn

talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen

vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind

niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden,

vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen.

„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder,

„geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat

daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger

dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte

men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten

einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden

en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk

niet voor hun 18e jaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop

geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des

bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar

een huwbaar jongeling.

En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren

van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken

zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde

brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner

aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met

volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de

wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene

bruiloft, in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een

algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige

hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het

kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders,

weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit

wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en

een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning

gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de

vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt

hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de

ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien:

„En de Hemel, steeds genadig,

Hoort ook zulks met groot geduld.”

Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een

onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps”

wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands

grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de

schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen;

want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar

verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als

het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden

niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu

gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer

het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al

drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de

liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het

Altaïgebergte vindingrijk maakt.

Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet;

integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en

eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien.

Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v.

op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij

wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden,

gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa

bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel,

brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve

gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of

althans mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz.

De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen.

Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en

de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet

regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft

het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben,

als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en

dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil

zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een

redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds

theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote

twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek,

en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten

op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de

wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes

gehouden „mooie kamer.”

Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden

van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een

iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een

huiselijk leven begeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de

fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de

bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe

echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart

schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of

dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet

zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te

verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de

hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap

verzachten.

Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,”

gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden

levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de

gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier

niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de

zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs

voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige

bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld,

onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden

als de gemeenste misdadigers.

De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der

provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en

daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar

Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen

tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen

keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te

dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast

overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze

oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde

steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime

doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen

van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen,

minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht

doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden

dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van

spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming

getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van

Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De

gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede

samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen

voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee

verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen

vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele

bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is

voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte

voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een

ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken

voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen

rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer

van de gevaarlijkste misdadigers dienen.

Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen

mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het

misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is

vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig,

ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere

„ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand

vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien

kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo ruim

berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke

levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de

vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch

wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden

vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn

geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel

niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in

den vorm van woettki door zijn keelgat.

Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen

vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook

geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een

zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om

echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar

man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen

boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met

hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de

regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen,

werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens

ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en

onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd.

Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend

worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze

niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats

van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze

veroordeelden.

Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze

gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne

gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer

handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die

moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen

worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt

den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den

zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de

hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke

zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien

nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans

de mannelijke en vrouwelijke misdadigers onderweg gescheiden, maar de

familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters

der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel

mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door

middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog

niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde

bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken.

Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet

geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische

boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna

onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze

begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen

stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon

waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met

een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit

rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen,

maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan

de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene

uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit

alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden

stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het

natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn

recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar

de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen,

verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der

wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft,

deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van

krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen

langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag

met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook

de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op

de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij

het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan

zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn

wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van

den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij.

Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten

en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling, indien hij zulks

uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt

behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen

stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor

hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze

gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats

zijner verbanning te trekken.

Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene

ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend,

aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der

getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking

belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de

bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor,

dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere

wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren

tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der

omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle

andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard

niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer,

uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid,

te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun

krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij

nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen”

spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van

barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en

veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de

gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het

vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn

veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de

verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t

bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarwedde

uitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter

verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche

revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden

behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke

gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne

levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen,

geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering

verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige

barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig van den knoet te spreken,

die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t

algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos,

omdat zulks in alle opzichten een logen is.

Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de

regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en

zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl

iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later

verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met

onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt

streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt

voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te

verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de

menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is.

Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die

beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals

in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke,

walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen

de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt,

dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd

vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen

opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en

verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of

liever benijden moesten.

Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend

aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende

gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie

verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen

van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de

kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte

straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft,

verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van

nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel

zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort,

terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve

hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst.

Waarom hij verbannen werd, over zijn vroeger leven wordt niet

gesproken, althans niet met een kwalijk gemeend doel, want „in ’t huis

van den gehangene spreekt men niet over den strop.” De bevolking,

waaronder hij leeft, stamt ook van zulke „ongelukkigen” af, of bestaat

er nog gedeeltelijk uit; en de weinige vrije kolonisten voegen zich

naar de zeden en gewoonten der overige Siberiërs. Men helpt de

„ongelukkigen” op eene wettige, soms niet eens in alles te

rechtvaardigen wijze. Reeds in de algemeene gevangenissen richt men

werkplaatsen op, ten einde vlijtige, arbeidzame bannelingen gelegenheid

te geven iets uit te voeren; buitendien tracht men door schoolonderwijs

het opkomend geslacht in goede banen te leiden, of trekt zich het lot

der door de bannelingen achtergelaten weezen met zulk eene opoffering

van tijd en geld, met zulk eene waarlijk edele menschlievendheid aan,

dat slechts hij, die met blindheid geslagen is, zulke lichtpunten niet

ziet, slechts een moedwillig stomme daarvan niet spreken wil. In de

gevangenis van Tjoemen bezochten wij de school, alwaar een pope

onderricht gaf aan de kinderen van Christenen, Joden en Tataren; het

was een verkwikkelijk schouwspel dien langlokkigen, gebaarden, ofschoon

nog jeugdigen pope, met zijn Christus-voorkomen, te zien werken. De

kinderen der Joden en Tataren moesten, wel is waar, even zoo goed als

de Christenkinderen den katechismus der rechtzinnige kerk leeren en

opzeggen, en eene stille hoop, dezen of genen der eersten voor het

Christendom te winnen, zal wel het hart van den pope hebben vervuld,

maar wat beteekent de schade, welke katechismus of pope zou hebben

kunnen te weeg brengen, vergeleken bij het nuttige doel, dat men

nastreefde? De knapen leerden door den katechismus Russisch lezen, zij

leerden nog schrijven en rekenen bovendien, en dit was de hoofdzaak. In

datzelfde Tjoemen bezochten wij het door een rijke dame gestichte en

ook door haar bestuurde en grootendeels onderhouden weeshuis voor de

kinderen van onderweg of in de stadsgevangenis gestorven bannelingen;

eene modelinrichting in den uitgestrektsten zin des woords, met

vroolijke kindergezichtjes, fraaie leer- en slaapzalen, werk- en

speelplaatsen, een klein tooneel met toebehoor; hier zagen wij een werk

van barmhartige liefde, waaraan wel niemand den hoogsten eerbied kon

ontzeggen. Maar wij zouden nog meer leeren kennen.

Te Tjoemen, Omsk, Tobolsk en niet alleen in de steden, maar in de beide

betreffende gouvernementen verkeerden wij voortdurend met bannelingen,

meerendeels licht veroordeelden, dieven, bedriegers, gauwdieven,

landloopers en dergelijk volkje, tevens met oproerige Polen en andere

opstandelingen. De direkteur der Bank, die ons gastvrij ontving, was

een tot twaalfjarige verbanning veroordeelde Poolsche opstandeling; de

schrijnwerker, bij wien wij kisten bestelden, had de post bestolen, de

koetsier, die ons reed, had een zwaren diefstal op zijn geweten, de

kellner, die ons bediende, had een gast in het hotel bestolen, de

vriendelijke man uit Riga, die ons bij ’t overtrekken der Irtysch zoo

trouw had bijgestaan, had een officiëel stuk vervalscht, Goldmacher,

mijn oppasser te Obdorsk, had Russische meisjes aan Turksche harems

verkocht; het meisje, dat onze kamer schoonmaakte, had haar kind

vermoord, de apotheker te Omsk, had, naar men ons vertelde, zich met

kwade bedoelingen vergist en vergiften toegediend, enz. Wij zagen

eindelijk in alle menschen misdadigers, en wij behoefden ons slechts

naar een dienaar des gerechts te begeven om te hooren, dat al die

achtingswaardige lieden, waarmede wij in aanraking kwamen, kooplieden,

notarissen, photografen, tooneelspelers niet uitgezonderd, valsche

munters, oplichters, bedriegers enz. waren geweest. En toch, ieder

hunner verdiende hier zijn brood, soms meer dan dit, en menigeen, die

niet herkend wilde worden, had men niet ongestraft naar zijn verleden

kunnen vragen, omdat hij hiermede voor goed gebroken had. Dat een

banneling, een gewezen misdadiger zulks kan, dankt hij uitsluitend aan

zijne medeburgers en aan de regeering, die het goede voornemen om een

nieuw leven te beginnen, naar vermogen bevordert. Men geeft een ieder,

die werken wil, werk, zonder van wantrouwen blijk te geven, neemt hem

zonder vrees in zijn dienst, gebruikt den voormaligen dief als knecht,

koetsier of kok, de kindermoordenares als kindermeid, den veroordeelden

handwerksman, waar men hem noodig heeft. En men verzekert, dat het

slechts zelden voorkomt, dat men berouw over deze handelwijs moet

gevoelen. Zoo wordt menig misdadiger aan de menschelijke maatschappij

teruggegeven, tot een niet meer gevaarlijk staatsburger, en de vloek

der zonde reikt hier niet tot in het vierde, maar soms niet eens tot

het tweede lid. Wat bij ons zoo goed als niet mogelijk is, is in

Siberië mogelijk; daar maakt men van een misdadiger een mensch. Dat

zulks niet altijd gelukt, dat er ook in Rusland evengoed als bij ons

onverbeterlijken zijn, zal geen Siberiër ontkennen, maar het is een

opmerkelijk feit, dat in Siberië de door zijne gemeente uitgeworpen

landlooper veel gemakkelijker tot een misdadiger wordt, dan dat de

gestrafte misdadiger in vroegere zonden terugvalt.

Terwijl de tot nog toe besproken bannelingen vrij zijn in hun bedrijf,

worden de zware misdadigers tot den arbeid in de mijnen gedwongen.

Omtrent Nertschinsk, alwaar 4000 dier ongelukkigen werkzaam zijn, welk

aantal nagenoeg stationair blijft, heeft de tegenwoordige

hoofdingenieur van het domein, Generaal von Eichwald, ons uitvoerig

ingelicht. Wat de misdadigers zelf aangaat, komt datgene, wat ik

vernam, kortelijk op het volgende neêr:

Alle, tot den mijnarbeid veroordeelde bannelingen worden, aan de voeten

geboeid, ingeleverd en met deze ketenen beladen verrichten zij

hetzelfde werk als de vrije mijnwerkers. De verstandige mijnopzichter

onder wiens bevelen en opzicht zij werken, behandelt hen reeds ter

wille van zijn eigen leven en dat der zijnen menschelijk; want hij

heeft geen dienstpersoneel, talrijk genoeg om een eventueel oproer te

bedwingen. De misdaad van den veroordeelde is hem bekend; hij vraagt

dus niet naar het verleden. Na eenigen tijd storten de meeste

misdadigers uit eigen beweging hun hart voor hem uit, en smeeken hem om

verzachting van straf. Ook deze misdadigers mochten hun gezin

medenemen, of, indien zij ongehuwd zijn, staat het hun vrij eene vrouw

te kiezen. Staat hij op deze wijze nog met de maatschappij in

betrekking, dan ontwaakt dikwijls, zeer dikwijls zelfs, het geweten;

hij krijgt berouw en met dit berouw vat de hoop post in zijn boezem, en

op de hoop volgt het voornemen het gebeurde in de vergetelheid te

begraven. Hij werkt een of een paar jaren in boeien, gedraagt zich goed

en wekt vertrouwen. Zijn opzichter bevrijdt hem van de boeien. Hij

blijft zijn voornemen getrouw, arbeidt vlijtig door en begint voor zijn

gezin te zorgen. Dat gezin bindt hem aan het aanvankelijk zoo

onuitsprekelijk gevreesde vreemde land; dit blijkt beter te zijn dan

het gerucht meldt; hij begint tevreden te worden. Nu is het rechte

oogenblik gekomen om hem aan de menschheid terug te geven. De ambtenaar

schrijft hem op als kolonist. Jaren zijn verloopen sedert hij de

misdaad beging; deze staat voor zijn geest als een booze droom. Voor

zich ziet hij een wordende boerenhoeve, achter zich de boeien. De

geboorteplaats is hem vreemd geworden, met het vreemde land is hij

verzoend. Hij wordt boer, arbeidt, komt vooruit, en sterft als een

verbeterd mensch. Met dit oogenblik herkrijgen ook zijn kinderen hunne

vrijheid, en vrije Siberische burgers bebouwen voortaan het hun door de

regeering geschonken stuk gronds. Dit is geen verdichting, maar

werkelijkheid.

Zeer zeker, niet ieder misdadiger schikt zich in zijn lot. Vol wrok

tegen dit lot en de menschheid, ontevreden met alles en allen, onwillig

tot den arbeid, misschien ook door heimweê gekweld, althans zuchtende

naar vrijheid, vindt de een den ander en beiden zijn op de vlucht

bedacht. Weken, maanden, jaren achtereen loeren zij op het gunstige

oogenblik; de een maakt den ander nauwkeurig en bij herhaling bekend

met zijn geheelen levensloop, schildert hem tot in de kleinste

bijzonderheden het dorp, waar hij heeft gewoond, de streek, het huis

zijner kindsche jaren, noemt hem al de namen zijner bloedverwanten, van

alle dorpsbewoners, die der naburige dorpen, de naaste steden, vergeet

niets en prent alles diep in het geheugen zijns kameraads; want hij wil

dien naam en die afkomst zich toeëigenen, om in geval hij gevat mocht

worden, daarmede de herkenning te bemoeilijken. De ander doet

hetzelfde. Een smid wordt voor het plan gewonnen, mede tot de vlucht

overgehaald, of anders een of ander werktuig opgespoord, waarmede men

de boeien kan verbreken. De lente is tot waarheid geworden, de dag der

ontvluchting breekt aan; bij de bestaande inrichting der bergwerken

valt het gemakkelijk, ja zeer gemakkelijk, ongezien te ontkomen en

eenige uren onopgemerkt te blijven. Is het bosch bereikt, dan zijn de

vluchtelingen voor het weder opvangen genoegzaam beveiligd, maar daarom

nog niet vrij van alle gevaar. Want de inboorling van dit land, de

Toengoes of Jakoet, die stroopend door de bosschen trekt, wordt

dikwijls verleid door de pels, die beter is dan de zijne, en een zeker

treffende kogel maakt zonder gewetenswroeging, ter wille van dien pels,

een eind aan een menschenleven. Zulke omstandigheden niet medegerekend,

ontmoet de vluchteling zelden hinderpalen.

Ieder Siberiër zal uit een hem ingeschapen gevoel van goedhartigheid,

of uit een verkeerd toegepast medelijden, wellicht ook uit vrees of

traagheid, den vluchteling eerder helpen dan hem tegenhouden. In alle,

ten minste in vele aan den weg gelegen dorpen, plaatsen de boeren om de

beurt een grooten pot met melk en leggen ze een goed stuk brood, soms

ook een stuk vleesch achter een geopend venster, opdat de in den nacht

door het dorp trekkende vluchteling voedsel vinde en hij niet zal

genoodzaakt worden zijn toevlucht tot stelen te nemen. Zoolang hij zich

tevreden stelt met het hem vrijwillig gegevene, zoolang hij smeekend of

bedelend vraagt, zich echter onthoudt van alle ongerechtigheid, niet

steelt of rooft, knijpt zelfs de burgemeester de oogen dicht, wanneer

er ’s nachts onbekende lieden door het dorp reizen en het voor de

„ongelukkigen” bestemde voedsel tot zich nemen, of in de steeds warme,

eenzaam gelegen badkamer nachtrust zoeken en vinden. En wanneer een

„ongelukkige” op den klaar lichten dag mocht bedelen, verraden doet men

hem niet; en wanneer dezelfde „ongelukkige” om een paardetuig

vraagt—weigeren zal men hem ook dit niet, zoo men er nog een te veel

heeft. Wat hij met dat tuig wil, men weet het. Daar buiten het dorp

weiden de paarden, in weêrwil van wolven en beren, zonder eenig

toezicht. De vluchteling gaat naar de kudde, werpt een fermen hengst

het tuig over den kop, springt op den breeden rug en draaft lustig weg.

„Nikolai Alexandrowitsch,” meldt iemand den eigenaar des paards,

„zooeven is een ongelukkige met uw beste ros doorgegaan; hij rijdt den

weg op naar Romanowskaja; zullen wij hem nazetten?”

„„Nitschewo”” antwoordt Nikolai, „„paardje zal wel weêr terugkomen. Het

zal een ongelukkige geweest zijn. Laat hem rijden.””

Paardje komt ook zeker weêr terug, want op de weide achter Romanowskaja

heeft hij het tegen een ander verruild en rijdt hierop verder, terwijl

het eerste paard op welbekende wegen huiswaarts draaft.

Op deze wijze geholpen, bereiken negentig van de honderd bannelingen

Tjoemen, Perm en zelfs Kasan. Waren zij beter bereisd, hadden zij

eenige aardrijkskundige kennis, reisden zij niet altijd langs dezelfde

wegen, waarop zij uit Rusland naar Siberië trokken, weder naar hun

woonplaats terug, zij zouden, zoo niet altijd, toch in de meeste

gevallen hun doel bereiken. Te Tjoemen, Perm en Kasan echter vangt men

meest alle vluchtelingen weêr op. En al mocht ook hij, die zijn naam

tegen dien van een ander verwisselde, niet uit zijn rol vallen, en al

mocht ook een ander op de hem voorgelegde vraag slechts dit ééne

antwoord geven: „Ik weet het niet,” noch het een, noch het ander

onttrekt hem aan het eindvonnis: terug naar Siberië! terwijl hij nog

stokslagen meteen ontvangt, als straf elken achterhaalden vluchteling

opgelegd. Hij reist langs denzelfden weg, dien hij als gevonnisde reeds

eenmaal bereisde, naar Siberië terug, om wellicht reeds spoedig na

zijne aankomst op nieuwe vluchtplannen te zinnen en deze te volvoeren.

Er zijn bannelingen, die tot zesmalen toe op deze wijze door Siberië

zijn getrokken.

Spoediger dan zulke onverbeterlijke vluchtelingen eindigen dezoodanigen

hun loopbaan, die zich onderweg laten verleiden om te stelen of andere

misdaden te plegen. In zulke gevallen verkeert de goedmoedigheid van

den gezeten boer in wraakzucht. Alle eigenaren vereenigen zich om den

misdadiger te vervolgen, en deze is verloren, tenzij een toeval hem

redt. Wordt hij gegrepen, niets redt hem van een smartelijken dood. Dan

wordt er een lijk gevonden, aan ’t welk geen uitwendige kenteekenen van

een gewelddadigen dood zijn te vinden. Men begraaft het lijk, geeft aan

de overheid kennis van een en ander en deze meldt zulks verder aan den

Gouverneur, de laatste weder aan den Gouverneur-Generaal. Het overschot

van den misdadiger, die der volkswoede ten offer viel, is echter reeds

in ontbinding overgegaan nog vóór de distriktsarts zou kunnen

verschijnen, gesteld dat hij verschijnen wil. Wien de wraak trof blijft

onbekend. Op deze wijze, maar niet op last der regeering, verdwijnt

thans nog menig banneling, omtrent wiens uiteinde niemand iets weet

mede te deelen, de overheid zelfs geen licht kan verschaffen. Ieder

banneling echter weet welk lot hem wacht, zoo hij in Siberië als

vluchteling steelt of andere misdaden bedrijft. En daarom leeft men

hier, te midden van duizenden misdadigers, even veilig als ergens ter

wereld, en in elk geval veiliger dan in onze door het uitvaagsel der

menschheid verpeste groote steden.

Ik heb getracht een getrouw beeld te ontwerpen van de tegenwoordige

toestanden, of liever gelijk deze in 1876 waren. Ik heb noch willen

verzachten, noch willen verbloemen. Verbanning naar Siberië is en

blijft eene straf, eene zware straf. En die straf drukt te zwaarder,

naarmate men meer ontwikkeld en beschaafd is, en zij zal in de oogen

van den ontwikkelde steeds en immer eene vreeselijke straf blijven.

Maar verbanning naar Siberië mag ook niets anders zijn dan straf en

moet den ontwikkelde harder treffen dan den niet ontwikkelde. Over de

rechtmatigheid van dezen grondregel kan men het oneens zijn, maar hij

valt toch niet geheel en al te loochenen. Men kan echter over het lot

der Siberische bannelingen eerst dan een rechtvaardig oordeel vellen,

wanneer men het vergelijkt met dat van onze misdadigers.

Wat wordt er van de ongelukkigen, die onze gevangenissen bevolken? Wat

wordt er van hun gezin, hunne vrouw en kinderen? Wat is de toekomst van

den misdadiger, wanneer hij de gevangenis verlaten heeft; en welke

vooruitzichten heeft hij dan?

Het antwoord op deze vragen moge hij geven, die met de toestanden

elders in Europa vertrouwd is.

Vergelijkt men het lot, dat onze misdadigers staat te wachten, met dat

der Siberische bannelingen, dan kan de slotsom niet twijfelachtig zijn.

Ieder ware menschenvriend zal moeten instemmen met den wensch, die bij

mij in het verre Oosten is opgekomen en die mij sedert niet weder

verlaten heeft: „Hadden ook wij een Siberië; het zou beter zijn voor

onze misdadigers en ons zelf!”

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 36 / 88 题