„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten
eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de
wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij
uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op
die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de
vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen
ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen
indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de
tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn
oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als
zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat
volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”.
Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den
oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat
met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde
voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit,
eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch
aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de
eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle
volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden
weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen
kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een
valsch daglicht te plaatsen.
Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere
vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid
zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit
te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als
plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde,
ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt,
zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar.
Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze
tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm
van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog
in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft
het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner
hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder
elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft
en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en
minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder
zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde
der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder
bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede,
zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel
verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen
aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen,
en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig
zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo
verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen,
verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij
machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar
eenigszins te wijzigen.
De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen
Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard
tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in
het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als
rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle
omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten
verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een
man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet
weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des
ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De
Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en
raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich
vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij
zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd
zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals van het paard
ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets
of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den
aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en
middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig
acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij
opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een
eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken
het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij
niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat
tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in
het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke,
springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door
moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen
hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen,
hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en
schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad,
door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door
huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen,
neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding
hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu
even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke
gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende
toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind
in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er
af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast,
steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het
zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te
beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij
zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste
vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd.
Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen
door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te
leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel
veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v.
een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen
van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en
besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid. Den
terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die
de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp
„goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het
rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart
tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel
sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer
verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden
uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke
familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor
prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen
bruidsschat te betalen.
Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun
lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed,
ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft
op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen
elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t
rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken
schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling
een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit
niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan
terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen
tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het
een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren
de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten,
gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in
vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een
der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en
deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde;
een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen
stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden
doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten
wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd,
zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en
nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist
eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt
het evenmin.
Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname
plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een vuur en
zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder
nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit,
en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij,
tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op
den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem
echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen
verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met
dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het
zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen, en een ver uitzicht
aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen
overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de
arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene
bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd
moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd
uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op
de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het
overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de
jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de
lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te
beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van
hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na,
stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte
pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos
zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de
scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos
verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels
leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en
eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos
zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in
het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van
den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en
enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield
op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn
koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt
de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op
den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich,
ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere
grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel
gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester
te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns
meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet,
kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt
met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem
verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel
dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo
jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen,
en dikwijls laat de vogel, zonder met geweld daartoe gedwongen te
worden, zijn slachtoffer niet los.
Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer
het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als
pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het
gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen
de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald.
Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon,
en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht.
Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun
paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen
de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen,
hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen
of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe
kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen
de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het
ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van
zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg
in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te
voet zouden bewogen hebben.
De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards,
maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van
eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor
vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met
het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer,
in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs
den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild,
totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet
nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan
bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte
plaats te doen treffen.
Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne
neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn
akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt
noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol,
evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven
in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft
een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en
waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen moet
aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor
zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen
bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog
minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te
bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet
dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om
messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk
gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn
genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en
lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame
hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn.
Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem
aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt
daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken,
misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij
eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en
wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins
lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die
nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van
geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor
van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt
ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan,
ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan
schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen
en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te
verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te
boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te
behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt
dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het
iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en
schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt de
leeuwerik als hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer
der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong,
zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.”
Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen.
Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een
geheelen dag; onafgebroken hebben zij met elkander te praten en
elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee
samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk
langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die
manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander
zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om
zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een
gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn
best dit woord alleen te hebben.
Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten
te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen,
voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke,
welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van
het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling,
die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke
lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan
opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig,
de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist
afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de
woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats
zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren
verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere
belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men
een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook
het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht.
Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder
Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen
uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij
geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te
zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene
bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt
elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke
gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en
nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn
bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven
aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden.
Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de
gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den bard
vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij
heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te
zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want
elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige,
Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door
tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd
behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe
vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En
wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het
voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in
de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan
verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der
wereld.
Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een
geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig
Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten
en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering
gestichte scholen, te Ustkamenogorsk en te Saisan worden ook Kirgiesche
knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de
werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der
steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval
wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen
als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs
beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen
lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige
leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen;
hij leest de Soeren zonder deze te verstaan.
Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit
was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift
boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den
Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in
het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed
en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is
waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle
Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen.
En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der
onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een
dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad
en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange
rijen achter den Imam of voorbidder knielden, om hun voorhoofden al
biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet
zulks voorschrijft.
Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in
paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van
geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid,
hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van
den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op
den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te
meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo
ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de
Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische
ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is
waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal
goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in
deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig,
zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot
helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is
hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men
te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen
beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn
meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn
minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte
vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en
duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn
antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in
alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst,
meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De
gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons
uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man
onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen,
onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks
alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den
Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te
kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen.
Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de
voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op zijn
voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat
hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en
geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere
ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen
aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid
zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij
onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent,
doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en
onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat
hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende
bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij
zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met
uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan
de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te
plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt
niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met
een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich
blanketten.
In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich
gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en
goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit
overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde
gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid
en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam
op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de
samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot
te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder
aangename wijze in het oog te loopen.
Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door
allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee
Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd
alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de
rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders
rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand
terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier
handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken
beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden
zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of
„alëikoem” (Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op
deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen
twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog
geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen,
snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in
zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de
handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat.
Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er
vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte
in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze
stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de
Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht,
die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd.
Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting
aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd
wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij
onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen
zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn,
of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten
eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone
begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich,
wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de
eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere
bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt
neder.
Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap
slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den
gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren
maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit
gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen
enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den
gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de
beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels
nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch
smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar
voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een
stuk van de valsche ribben af, roept den gastheer bij zich, en steekt
dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af,
legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der
joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft
evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het
vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie
stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze
drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene
beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet
dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn
uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo
erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman
den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men
elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan
drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt
hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger,
die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door
te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen
aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen
van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele
getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met
vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot
besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst
de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en
in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks
geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan
den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen
verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt
toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes;
want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren
melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min
bescheiden als matig.
Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken,
die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden,
zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts
de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den
rouw.
Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden
gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden.
Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon
aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den
Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een
bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand,
die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is
kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars
wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje
zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen
jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede
ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den
lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens
Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze
verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen
stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet,
begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de
feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een
bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang
aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des
zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner
voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt
zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft
het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne
voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te
goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet
zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig
onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over
allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht.
Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis.
Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het
bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet
en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des
jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw
en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt
de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de
gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des
schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze
voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten
de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen over het
bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt
eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt
gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben
de waarde van ééne merrie.
De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel
afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen
schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden
onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de
onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de
verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat
een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des
bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden
zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo
spoedig doenlijk af te betalen.
Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne
bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem
bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met
alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt
tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat
eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere
wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de
plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder
vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen,
halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen
omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge
dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De
gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de
reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet
gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht
voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar
gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete
bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het
aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat
men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge
dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer
geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen
der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast
naaien.
Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks
alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen
noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun
de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer
begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan
vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar
op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de
jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers
wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper
uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte
terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt
gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf
in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij
zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de
scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den
strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt
tot algemeen offerlam.
Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte,
voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge
lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de
zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen
zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen
de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op
een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de
joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar
reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover
de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der
vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en
verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe
sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt
afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid,
zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de
jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen
negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden,
maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met
geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit,
op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal
worden.
Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was
hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen
verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij
werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo
diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte;
daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het
scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had
opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap
gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar
niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet
vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de
joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt
de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de
joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een
ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed:
„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,
Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.
Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,
Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.
„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelen
Ter ruste men snoert aan de bindende lijn,
Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,
Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.
„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,
Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,
De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,
De vreugde des harten, vertrouwen en rust.
„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,
Als ware ik dorstig en droog mij de mond.
Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,
Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.
„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,
Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,
Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,
Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”
Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug.
Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid
te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich
des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd
bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel,
waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den
weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn,
want wie den gaffel heeft neêrgelegd moet dien ook weêr wegnemen. Een
nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden
verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw;
een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel
op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante,
die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen
zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een
nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt
eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht,
maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden
twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene
jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is
ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en
verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en
alleen.
Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de
bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen
aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn.
Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te
doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of
het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te
brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat
wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn
tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het
bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van
hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem
te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen
zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven,
aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het
opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den
koepelring omhoog brengen en houdt dien vast, totdat de sparren daarin
zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met
den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom
ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden
uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote
vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren?
Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt.
Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd
wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder
den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been
en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het
koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken;
de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk
voorspelt voor de bewoners der tent.
Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader
der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid
evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe
joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het
jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot
straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw
naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde
schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet
veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede
weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze
plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het
gerecht koud zal worden.
Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den
bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem
hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn
huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift
als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle
bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte
verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt
zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te
halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit.
Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen;
zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene
klacht.
Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en
alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de
bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige
echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn
speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de
joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht
werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De
bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te hebben
genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als
ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen
geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de
joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen.
De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft
bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst
in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij
met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij
even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en
gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan
blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang
voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den
oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden
evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man
sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of
voeden.
Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit
geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij
nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met
de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer
rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer
beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan
de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer
der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de
Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een
telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij
eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden
van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar
echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de
perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks
voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven,
wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in
veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam.
Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het
levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de
geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd
zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een
bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel in dit dons
gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten;
later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie
dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten
te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd
met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst
dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de
trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen,
steekt men het in de kleeren der volwassenen.
Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij
behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij
hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken,
allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de
onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid
opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander
dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of
een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste
maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met
een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders
beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen,
zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen
daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in
diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende
joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt
wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij
tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte
bekroont den in aller oogen gewichtigen dag.
Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al
datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een
bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het
meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de
zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake
kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van
den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen
gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven.
Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is
tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt
familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook de
armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij
kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode
in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de
Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de
Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die
der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen.
Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden
roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome
Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al
verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik
der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den
geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der
aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe,
tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.”
Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent
Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu
roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen.
Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft,
zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de
vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar
aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de
steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier
woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen
wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder
Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden
bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het
lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen
hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij
den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op
den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen
naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker.
Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De
naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of
minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van
elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn
gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot
eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de kameel
oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in
razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het
gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen
deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede
de klachten en houden de tranen op met vloeien.
Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het
graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve
manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf,
waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den
kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels
of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een
weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes
en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of
baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf
plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal
gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De
lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde.
Op hetzelfde oogenblik, dat de eigenaar der joerte is overleden, richt
men naast de tent een witte vlag op, die een vol jaar blijft staan.
Elken dag van dit treurjaar komen de vrouwen weder bijeen om hare
klachten opnieuw aan te heffen. Zoo mogelijk brengt men ook het
lievelingspaard van den doode hierbij en snijdt het den langen staart
half af. Van dit oogenblik af wordt het ros door niemand meer bereden;
het is „weduwe” geworden. Zeven dagen na den dood vergaderen alle
bloedverwanten en vrienden, ook de verst afwonenden in de joerte,
houden een gemeenschappelijk lijkmaal, verdeelen sommige kleederen van
den doode onder de armen, en beraadslagen over het toekomstig lot der
achtergeblevenen, alsmede over het bestuur der nalatenschap. Daarna
laat men de familie met haar leed alleen.
Sterft er eene vrouw, dan worden bijna dezelfde gebruiken gevolgd als
bij den dood eens mans, met dit verschil, dat nu de vrouwen het lijk
wasschen en kleeden. Maar ook in zoodanig geval blijven de vrouwen in
de Aul om er den lijkzang aan te heffen. Het rijpaard der vrouw wordt
eveneens van zijn staart beroofd; men richt evenwel geen treurvlag op.
Wanneer de Aul verplaatst wordt, haalt de jongeling, wien deze
eeredienst is opgedragen, het tot weduwe geworden paard, legt dit het
zadel zijns voormaligen meesters in omgekeerde richting op den rug,
belaadt het met de kleederen van den overledene en geleidt het aan den
teugel naar het oord der bestemming, terwijl de jonge man in zijne
rechterhand de lans met de vlag draagt. Zoodra de joerte weêr is
opgebouwd, wordt het paard ontzadeld en de lans weder opgericht.
Op den verjaardag van den dood verschijnen wederom alle genoodigde
bloedverwanten en vrienden in de joerte. Na de vrouwen begroet te
hebben, die nog altijd in rouwgewaad zijn gestoken, en die men opnieuw
tracht te troosten, haalt men het paard, zadelt dit, belaadt het als
vroeger en roept nu den Molla om het te zegenen. Zulks geschiedt; twee
mannen treden thans nader, grijpen het paard bij den teugel, ontzadelen
het, werpen het ter aarde en stooten het den dolk in ’t hart. Het
vleesch wordt onder de arme feestgenooten uitgedeeld, de Molla ontvangt
de huid. Onmiddellijk nadat het paard gedood is, stelt men de lans aan
den meest waardigen bloedverwant ter hand; deze neemt haar aan, spreekt
eenige woorden, breekt den stok in stukken en werpt deze op het vuur.
Nu komen de paarden aanstormen om hun snelheid in den wedren te toonen;
de jonge ruiters, die hen vergezellen en berijden, vliegen op een
gegeven teeken weg en verdwijnen in de steppe.
De Molla treedt van het tooneel, de zanger neemt zijn plaats in. Nog
eenmaal wordt de doode herdacht, maar ook de levenden krijgen thans
hunne beurt. Van het hoofd der vrouwen verdwijnt het eigenaardig
tooisel, dat den rouw aanduidde, en zij sieren zich in feestgewaad. Na
afloop van den overvloedigen maaltijd gaat de schaal met melkwijn rond;
met de tonen van den citer vermengen zich vreugdeklanken.
De rouw is afgeloopen, het leven herneemt zijn rechten.