Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij
vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel
vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en
hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele,
meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en
gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van
den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven.
Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele
plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte
der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die
geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden.
Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats,
zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun
gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het
Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke
streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit
volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en
bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof,
zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke
stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft
de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de
rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan
afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en
gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en
trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi
eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de
wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of
oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van
het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover”
beteekent; de eigenlijke naam dier volken is Kaisak of Kasak, wij
zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken
tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners.
De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der
Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der
menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste
reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen,
en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn,
dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar
over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de
meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik
gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig
groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet
schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke,
Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene
lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur,
bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo
vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig
wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog
is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek
horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins
gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige
grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt
Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks
voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar,
evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb
aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen.
In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de
Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik
heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou
hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb
daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets
Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans
personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die
van lagere her- en afkomst herinneren min of meer, soms geheel aan
Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer
bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der
tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het
raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend.
Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch
niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In
den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen
alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min
of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de
onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde
broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal
kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het
benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd,
in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden,
maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker
uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren
zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel
versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit
met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een
sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks
prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen
andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken
gedenkpenning.
Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat
de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk
zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en
voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te
zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk
aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig
afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en
daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie
reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een
tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd,
den hals, de schouders en de borst afhangt.
De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de
sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp
bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig
lange, ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende
mouwen van het oppergewaad bij beide seksen.
Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden
moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene
behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden
afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die
bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des
klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan
eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij
beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De
ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is;
eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden
herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en
gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten
tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk,
behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en
uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke
eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate
men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te
nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk,
waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand
bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen
geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur,
luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer
zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de
buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten
tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte
deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring
gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks
maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen,
terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige
lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te
bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in
nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt
er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren
eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw,
aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens
uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd.
De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting
van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij
besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor
den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend
naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun
veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die
hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit-
en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar
meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig
genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige
van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den
vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch
zilver.
Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze
bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste
Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen
voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn
levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de
ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens
duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook
de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne
kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen
treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart
van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi
worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en
handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden
en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk
van zijn vee.
Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier
der Kirgiezen is bij hen het paard.
Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle
schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede
bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats
van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van
„huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de
zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet
draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter,
van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude moedertje; men
prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of
smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt,
geldt niet het paard, maar zijn eigenaar.
Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft
betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens
waardij, diens schoonheid bij het paard:
„Bruid, o Bruid, gij lief bruidje,
Gij veulen der donkere merrie”
zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des
bruidegoms wordt geleid:
„Zegt, waar is het spel der witte vlokken,
Het spel van het schaken der veulens?
Al is de schoonvader mij zeer genegen,
Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”
Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar”
het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel
van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend.
In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in
paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd
merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van
een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden
betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen
oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een
man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden
betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf
en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de
aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne
geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een
gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den
man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind,
of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van
de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de
eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij
ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de
armste onder de zon.
De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in
de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten
van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en
wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer
buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van
een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken.
Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de
Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de
Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch
zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte
rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden
en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der
hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een
groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting
laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan
paarden om daarop bijzonder te letten.
Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig
schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen
van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot,
slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot,
sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik.
De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten
zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote
dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en
langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig
ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed
gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat
te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms
zeer leelijke vlekken het oog beleedigen.
Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden
donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart
staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat
deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar
op de overige deelen des lichaams.
Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch
zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is,
en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een
oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust,
maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch
is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook
als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het
nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die
echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van
altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen,
zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van
steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van
steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan
eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken,
zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam
als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig.
Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de
rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en
voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij
van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend,
die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en,
wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep
bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t
laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even
zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf
tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of
„wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder,
aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den
wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en
velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij
duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar
wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de
heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen
dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste
waakzaamheid, vooral als de bronsttijd aanbreekt, en hij de verdreven,
naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen
zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het
vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende
voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter
wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt
haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte,
om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den
beroemden koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder
en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en
genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen.
Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het
schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den
achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op
hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens
rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de
hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld,
de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet
meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na
zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te
hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te
brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische
rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het
tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug,
terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met
vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt.
Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze
overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven,
de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij
overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens
ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in
dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de
steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer
geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar
gedenk.
De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed
geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met
evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken,
spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is
welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang
kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en
daar met zwarte spikkels.
Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze
behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme
Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken,
wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd
meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen
knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op
zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten,
dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een
jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende
deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in
gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn
vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de
schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij
gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het
gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier,
gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings.
Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in
hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den
herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt
steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig
groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes
worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn
weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten,
wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen
zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe
niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind
zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum”
genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven
palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de
dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds
naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd
af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm
en regen.
In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene
vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke
Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen
verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm
dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der
Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de
goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het
vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang en naar buiten gericht,
de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin.
Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder
toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt
door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de
ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul
terug.
Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen,
en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het
kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der
trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt
oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men
alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer
gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men
kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren
worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der
midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang
niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze
diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt
intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der
Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten
deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû,
zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met
vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en
bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te
verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus
niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft.
Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend;
evenals gene in den bronsttijd gevaarlijk, zelfs voor zijn meester,
wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel
onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van
den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die
jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke
eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war
gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben.
Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder
morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te
laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het
belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder klagen niet
te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende.
Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder
den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen;
met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde
passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het
graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle
soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor
een heilig dier.
De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is
gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald
gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke
keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop
is lang maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond
dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk
behaard, de kleur zeer uiteenloopend.
Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf
bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling
wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een
ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad,
vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt
om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul.
Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het
meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige
oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de
mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos
worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren,
evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar
mogelijk is.
De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo
goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en
vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige
zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den
eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de
kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen,
worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste
alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen
alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat
afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd
wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls
werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe
uitbreekt.
Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van
die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten
van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de
voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren,
terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen.
Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt
en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen
verschillende gerechten, die zonder of met bijvoeging van meel worden
gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine,
zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk
smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die
evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den
vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men
hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en
kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door
vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen
melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van
alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken.
In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met
melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke
gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het
begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en
runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste
beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht
is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in,
kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den
geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet,
een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het
kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het
buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij;
daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen
opgedischt nevens koemys.
Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog
daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der
schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar
wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het
donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange
geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten
en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de
Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk
vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen
breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes
pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel
voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder
wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde schapen- en
rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de
Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het
verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt
zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten,
kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte
tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de
eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat
hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in
vergelijking met zijne kudde, niets.
Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden
bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen
heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te
verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der
Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe,
maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het
jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos
omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in
den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter
aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen
versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen,
maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is.
Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt
langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan
weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben
echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde,
geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen
het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen
de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een
mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde
planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel.
Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij
verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk
trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde
van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op
elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en
verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen;
elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere
Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders in gebruik genomen
weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en
strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen
indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het
begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw
omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij
zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van
anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied
gedwongen.
Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft
hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij
bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in
engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij
steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo
niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar
gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt
hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns
levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en
onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen.
De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan
bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal
opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en
de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan
de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen
bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de
nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een
door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de
zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te
gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder
overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en
populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van
brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom
kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog
andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene
zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu
den grond bedekt, het water vervangen kan.
Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een
werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht is
gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren
en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen.
Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde
boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog
vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels.
Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een
eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt
zich de omheining voor de oude dieren.
Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij
niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel
aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen
voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in
’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de
mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze
in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek
is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het
huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op
afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed”
d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel
genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen
van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom
heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut,
terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet
vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke
Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf
treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars.
Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van
Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het
winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders
hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De
jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes
geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge
hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. De
laatstgenoemden springen in dartelen overmoed om de gansche kudde,
ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen
naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden
daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde
opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit
oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en
heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge
merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken
dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds
een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten
kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter
werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling
na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In
zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan
bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en
nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt
zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de
lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder
en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in
slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden,
langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel
voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den
paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het
kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt
men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in
staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door
den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en
jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der
kudden is dus gebiedend noodzakelijk.
De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een
kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is,
zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os
gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De
schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer
loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van
eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste
altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend
rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden,
maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren.
De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden
aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan
breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede, alsook met het weinig
huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard,
rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in,
melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk
verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het
dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst
eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook
hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk
maakt.
Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne
pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen
muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men
zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden,
dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel
het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het
gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en
kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp
van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad
bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg
zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten
voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich
onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor
dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg
vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in
plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water
ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden,
dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige
element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei
omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen
angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene
schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden
stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de
onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de
schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten,
totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de
noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende
oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het
dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed
geslingerd. Nu moet het met alle kracht arbeiden. Met rukken zwemmende,
meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar
het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende
water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt
opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en
bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door
de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert
het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de
natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint
thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen
voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der
kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de
wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft
bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet.
Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven
koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden
winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel
doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is
bereikt en men in de nabijheid van het winterkwartier is gekomen.
Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de
verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de
plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar
malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die
zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij
vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als
lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan
de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van
de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het
moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden
mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en
haar bezigheden regelen.
Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden
gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie
personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In
den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes,
onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders
gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag
brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook des avonds, om
ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men
de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den
arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen
van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een
schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een
uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren
in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten
gericht te blijven staan. In weinig minuten heeft men dertig tot
veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op
hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan,
zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft;
rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander
gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den
arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der
dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger
en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt
de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een
klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en
eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede
beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en
vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten
onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna
ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne
„roode tong.”
Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap
zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de
schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door
zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen
als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of
over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in
het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar
niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen,
en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar
niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is
eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur
tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder
losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle
strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij.
De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren
schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte
slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte
in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte
schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei.
Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen.
Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten het bij
ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de
schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere
geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare
reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het
geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul
verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende
ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend,
steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de
trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk
halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu
eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder
ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij
weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat
verandert in een gebrul.
Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan
het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig
voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht
van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen
baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af
de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders
verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de
voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij
kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar,
in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt.
Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en
jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t
voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw
zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk
elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als
dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk
vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier
toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van
lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou,
hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend
onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den
uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt,
dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit.
Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde
uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit
de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de
geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich
naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier
na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte
bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in
eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig
tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld
van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog
van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel.
Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op
den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke
verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden
zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de
moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen
op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten
deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze
uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid.
Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder
bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes
vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij
de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij
zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden,
opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en
schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het
schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot
verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de
reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten
in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van
spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden
spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven
nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt
reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich
aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene
na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij
het hare heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug,
na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar
kind neder te leggen.
De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het
nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten.
Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden
beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun
rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer
daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of
een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige
zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit
rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de
herinnering weg aan den boozen winter.