Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan,
dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog
wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur
gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die
oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als
eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te
moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is
het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel
weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het
geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon
het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier
schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land
niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen
verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij
zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt
zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en
werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij
met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar
geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want
hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener,
meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat
wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde,
die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het
lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar
het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind.
Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug
zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en
hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des geluks hem
weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de
armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en
hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart
verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken,
gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij.
De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben
verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het
best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met
een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna
alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke
zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en
visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks
zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal,
gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel
gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze
zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde
gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met
een vast blokhuis verruilt.
Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans;
een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest.
In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het
aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins
toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men
rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend
schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den
65n graad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het
Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der
Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele
opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder
niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt,
schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes
even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen,
en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te
laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden
aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de
nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den
boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste,
zeer eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts
hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een
hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel
eens eene enkele tent van berkenbast aan, „Tschoem” geheeten, terwijl
deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den
mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt
maken deze Tschoems de eenige woningen der nomadisch levende Ostjaken
uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit,
dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe kerk,
althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in
Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog
minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe
volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw
gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en
overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste,
onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet,
veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene
veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed
opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit
nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan
hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en
beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den
Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en
gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij
van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij
ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden
kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals
misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze
goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag
men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de
zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is
vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te
leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen,
dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een
schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden
nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die
Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt,
die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen
zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze
begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er
niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid
daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de
heidensche Ostjaken bepaal.
Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog
moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht
zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht
in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare
raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes
verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten
zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij
Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke
en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere
individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik
alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb
kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende:
De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd,
met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen
zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des
aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche
volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn
wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst;
de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het
benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is
aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar
ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en
ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de
neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is.
Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of
donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun,
doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen,
zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar,
dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van
een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden
Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms
geheel ontbreken.
Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan
beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene
nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte
van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij
den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van
gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn
lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en
alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of
lederbruin gekleurd.
Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik
zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te
onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den
middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt
en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier
gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke
lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte
der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te
bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend.
Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de
kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die
der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar
kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens
vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester
gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden
linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend
rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van
andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De
kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen
alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant
gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels
met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en
aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie
reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is
bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante,
kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede
strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste
tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen.
De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten
zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid,
die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen
wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd.
Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan
het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte,
met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der
kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent
men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen.
Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame
zooveel eenvoudige koperen, soms zilveren ringen aan alle vingers, als
zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het
ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene
meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware,
uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde
kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar
wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker
einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook
de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op
elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los.
Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter
en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als
deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men
eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die
zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot
dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende,
vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het
geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander
vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit
kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors
gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des
kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde
afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal;
dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen
doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand
der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd;
hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn
vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te
hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks
genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke
men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier
hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten
matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of
gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot
dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie
kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde
kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend
brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een kook-, thee- en
drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het
hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de
kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl,
een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen,
sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien
het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der
Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een
afgodsbeeld.
Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door
er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen
te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van
berkenschors.
Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een
droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net
bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder
kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens
jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende
handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg
bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem
onmisbare boot.
Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of
vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten
beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom
te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de
vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan
nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de
nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele
maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel
zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het
rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen
verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk de Bedoeïn, de
trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn
stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend
neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder,
zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij
persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor
zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik
stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken
rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien
rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt,
maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja,
het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof,
zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de
ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de
bestuurder eener gemeente, Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij
ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert
wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs
tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder
hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten.
Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen
rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het
miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen
zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de
Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er
slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver
verschiet.
Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn
Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in
den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen,
want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des
natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de
overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig
dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren
kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den
kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op
het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder
de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan
dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om
te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den
hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge
uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen
melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan
genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle
toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in
den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen,
terwijl de Lap slechts in den winter van het rendier als trekdier
gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap,
alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch
dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij
verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren
gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden
eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte
slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning
der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner
vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats;
het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden
opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker,
hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven.
Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet
alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt
honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de
nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun
grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem
fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier
reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd,
nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen
met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot,
dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van
den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals
kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig
van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor
recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande,
de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest
regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de
ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit
gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht
uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met
een wilden hond nog meer verhoogd wordt.
De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een
zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig,
moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen
vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij
op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met dezen
spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen
vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van
de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch
ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt
zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt
rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra
onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en
moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk
en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles
heen te slaan.
In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te
raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en
brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte
struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op
andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de
boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn
baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt
hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen
weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is
zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al
hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde
goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den
herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en
doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald
noodzakelijk schijnt.
De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als
bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl
hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij
voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas
tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds
na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn
uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel
een overgroot aantal honden.
Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest
geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen,
kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der
visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren
jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra zij
volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij
gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid
wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht.
De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den
mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het
rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen
het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen
en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van
grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden
zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde
richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der
laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den
winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog
veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te
smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het
beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar
den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van
welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert
hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de
nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen.
Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de
verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt.
Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór
het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek
nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de
ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu
vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost
genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de
diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw
wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen
tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de
breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot
het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer
kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene
nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook
deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog
verheugt hij zich in een tijd, dien hij den goeden mag noemen. De
kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede
onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden
verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich
niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep
des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de
omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige
wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra
verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den
laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den
wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen
van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte
dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne
weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de
verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar
het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en
hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren
eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer
herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor
hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer,
steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op
de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en
roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden
kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor
weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t
leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel
in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte.
Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen,
grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de
vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de
sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt
de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede
naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde,
drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden
reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts
zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij
samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer
of lasso in de rechterhand midden onder de kudde, werpt het daarvoor
bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei,
maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle
andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn
slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie
bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap
een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije
kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder
voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed
mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan
een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en
tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander
bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier
en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders
haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk
verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den
heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door
zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de
achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen
geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder;
een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt
het hart van den toeschouwer uit vreemde landen.
De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond
hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand,
in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde
kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn
geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan;
de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de
uitgespannen trekkers volgen hen.
De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen;
zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met
den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn
voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met
kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals
en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te
maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de
inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het
achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door
het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is het dier
reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut
later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in
repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de
letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt
om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van
rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket
waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden
almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder neus en wangen, en
bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling
maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel
te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een
mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het
wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij
zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed
rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun
toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan,
wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op
dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te
rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel
vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt
vuur aan om het avondeten te bereiden.
Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig,
ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het
vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan
uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot.
Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een
Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie
naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad
afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook
nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken.
Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait
hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t
midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later
zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten
openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond
bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der
familieleden.
Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen
roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder
voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend
geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde
bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren.
Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog
bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit
bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond,
waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond
zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene
hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de
muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens
kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt
ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in
veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten.
Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den
slaap des rechtvaardigen hebben gevonden.
Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort,
tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en
langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo
vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en
wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en
kudde naar de laagte terug.
Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de
rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in
vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der
vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na
den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der
Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven,
blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een
nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af
door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij
lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven
vischt men nog met treknetten en sleepnetten.
Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de
vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende
stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken
met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zien of er
ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen
vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen
buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen
gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen
der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de
visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst.
Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in
groepjes geschaard, hurken zij om de groote hoopen visch, ieder
voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te
ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op
lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging
worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van
den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele
handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de
kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere
glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten
en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan
wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld,
het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den
mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande
messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in
een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders
omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en
spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig
als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de
gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze
genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van
visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen
behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig,
ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel
t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig
woelen de zwarte snuiten in dit gras.
Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine
uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken
dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even
noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op
parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot
der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter
of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is
meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten,
dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden
verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen,
is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die in Darwins leerstellingen
meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme”
of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders.
De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen
zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans
verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met
gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den
zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs,
terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op
het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de
begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar
voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf
vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te
bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke
liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande
in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van
allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden
geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam
teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met
het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder
derzelver plooien verdwijnt.
De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den
winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met
den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der
Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten
gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of
leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de
wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote
watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook
ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun
vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den
Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel.
Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en
stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij
plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke
vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven,
vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw
gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan,
zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het
bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de
sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten eland en
het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar
niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een
berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer
tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug
genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de
Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de
algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en
den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen,
die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en
verzinnelijken.
Een rijken voorraad huiden bergt spoedig de hut des visschers, een nog
rijkeren de Tschoem des herders, daar deze bovendien nog alle pelzen
der door hem in den loop des jaars geslachte rendieren heeft verzameld.
Thans is het tijd ze kwijt te worden. Van verre en nabij rust men zich
uit om naar de jaarmarkt te gaan, die telken jare in de tweede helft
der maand Januari te Obdorsk, het laatste Russische dorp en de
belangrijkste handelsplaats aan de beneden-Ob wordt gehouden, en die
zoowel door inboorlingen als door vreemdelingen druk bezocht wordt,
terwijl ook bij deze gelegenheid de Russische regeeringskommissaris de
belastingen int van Ostjaken en Samojeden, bestaande geschillen uit den
weg ruimt en verder recht spreekt; de Russische kooplieden maken
intusschen jacht op koopers en verkoopers, de slechten onder hen,
geholpen door de spitsboefachtige Syrjenen op lichtzinnige dronkaards,
en de popen eindelijk op te bekeeren heidenen; er worden verder met de
Russen verdragen afgesloten, schulden betaald, nieuwe aangegaan, onder
Ostjaken en Samojeden allerlei afspraken gemaakt, bruiloften gevierd,
vijanden verzoend en nieuwe vriendschapsbanden gesloten. In lange rijen
verschijnen de met rendieren bespannen sleden; van alle kanten komen ze
aan en het marktvlek is eerlang omgeven van eene menigte Tschoems,
rondom welke de met te verhandelen waren zwaar bepakte sleden geschaard
staan. Elken morgen trekt de eigenaar van de Tschoem met zijn meest
geliefde vrouw in vol ornaat naar de kramen om huiden te verkoopen en
waren in te ruilen. Men handelt, biedt, dingt, tracht te bedriegen, en
de ook nu nog bedrijvige Merkurius oefent zijne heerschappij uit niet
enkel als god der kooplieden, maar ook als god der dieven. Brandewijn,
ofschoon van regeeringswege verboden, is bij elken koopman, en in bijna
elk huis van Obdorsk te verkrijgen; hij benevelt het verstand van
Ostjak en Samojeed en verarmt beiden nog meer dan het miltvuur. De
brandewijn doet alle hartstochten van den anders zoo kalmen,
goedaardigen en onnoozelen Ostjak in opstand komen, en verandert den
vredelievenden, jegens iedereen vriendelijken en eerlijken kerel in een
woedend, krankzinnig dier. Naar brandewijn hunkert de man, naar
brandewijn dorst de vrouw; de vader giet het begeerige kind den
brandewijn in de keel, de moeder hare verlangende dochter, wanneer
beiden genoeg hebben van het verderfelijk vergif.
Voor brandewijn verslingert de Ostjak zijn met moeite verworven
schatten, verkwanselt hij zijn geheele bezitting, voor brandewijn
verhuurt hij zich als knecht, verkoopt hij zich als slaaf, verkoopt hij
zelfs zijne ziel en verloochent hij het geloof zijner vaderen.
Brandewijn behoort bij het sluiten van elken koop en verkoop,—zelfs bij
de bekeering tot de rechtzinnige, orthodoxe kerk.
Met behulp van den brandewijn komt de oneerlijke koopman eindelijk in
’t bezit van alle huiden van den Ostjak, en bevrijd van deze, maar
tevens met ledige beurs en een verward hoofd keert de met trotsche
verwachtingen naar Obdorsk getogen, bedrogen, om niet te zeggen
uitgeplunderde man naar zijn Tschoem terug. Hij gevoelt berouw over
zijn dwaasheid, zijn zwakheid, koestert de beste voornemens, komt tot
kalmte en denkt spoedig alleen nog maar aan de heerlijke bijeenkomsten,
die hij met zijn stamgenooten gehouden heeft. Met dezen heeft hij eerst
gedronken, dan hebben de mannen en vrouwen elkander gekust, dan de
mannen hun vrouwen afgeranseld, dan tegen elkander hun krachten
gemeten, zelfs de scherpe messen met een fonkelend oog getrokken en
elkander met den dood bedreigd; maar er is geen bloed gevloeid, men
heeft zich weêr met elkander verzoend, de vrouwen, die vreeselijk door
de klappen waren toegetakeld en door den brandewijn hunne bezinning
hadden verloren, heeft men teêrhartig van den grond opgebeurd en door
andere medelijdende vrouwen doen reinigen; men heeft als bekroning der
verzoening eene plechtige overeenkomst getroffen, voor de dochter een
bruidegom, voor den zoon eene kleine bruid uitgekozen; men heeft zelfs
eene weduwe weêr uitgehuwelijkt en bij die gelegenheid nog eens
gedronken, kortom, men heeft zich kostelijk vermaakt. Dat de
Regeeringskommissaris alle door den drank bedwelmden eindelijk had
laten inpakken, dat alle, alle geld den weg van het vergankelijke was
gewandeld, ja dit was natuurlijk onaangenaam, zeer onaangenaam zelfs
geweest; maar de gevangenis was weêr geopend geworden, de smart over
het geldelijk verlies was geleden, en slechts de gouden herinnering,
waarop men een vol jaar kon teren, en de voor alle partijen eervolle
verloving waren als een niet te vervreemden winst van den heerlijken
feestdag gebleven.
Bruidegom en bruid waren mede op de jaarmarkt geweest, hadden dapper
medegedronken en bovendien elkander leeren kennen; de bruidegom was het
met zijn ouders eens, dat hij op het jonge meisje zijn keuze moest
laten vallen, beter gezegd dat hij haar als zijne vrouw moest
onderhouden. Want de wil der ouders, niet die der jonge lieden, sluit
bij de Ostjaken de huwelijken. Op den wensch en den wil des jongen mans
moge men nog eenige acht slaan, en een veelbelovenden knaap wordt het
wel eens veroorloofd zijn eigen oogen te richten naar eene dochter
zijns volks, maar men zendt ook den in zijne keus vrij gelaten
jongeling alleen dan naar den vader van het meisje, wanneer de
toestanden aan weêrszijden genoegzaam overeenkomen. De jonge dochter
wordt nooit naar haar wil gevraagd, en zulks reeds hierom, dewijl zij,
wanneer men haar verlooft, nog veel te jong is om eenigszins over hare
toekomst te kunnen oordeelen. Zelfs de toekomstige mannelijke
echtgenoot heeft zijn vijftiende jaar nog niet bereikt, wanneer hij
naar de hand der twaalfjarige dingt.
In ons geval heeft de jaarmarkt te Obdorsk de onderhandelingen
bespoedigd. De vrijer heeft reeds het jawoord; terstond hierop zijn de
dikwijls zeer langdurige onderhandelingen begonnen, maar dank zij den
invloed van den anders demonischen, in dit geval onmisbaren brandewijn,
zij werden nu zeer spoedig ten einde gebracht. Men is overeen gekomen,
dat Sandor, de jonge bruidegom, als bruidsschat voor Malla, het
verloofde kind, zestig rendieren, twintig vellen van den witten, tien
van den rooden vos, een stuk bont katoen en verschillende kleinigheden,
als ringen, knoopen, glasparels, hoofddoeken enz. zal betalen. Zulks
was weinig, veel minder dan de volstrekt niet rijkere bestuurder der
gemeente, Mamroe, eens voor zijne vrouw had betaald, want diens
bruidsgeld had bestaan in honderdvijftig rendieren, zestig vellen van
den poolvos en twintig van den gewonen vos, een groot stuk
kleedingstof, vele hoofddoeken en de gewone kleinigheden. Maar
toenmaals waren de tijden beter, en Mamroe mocht wel een bruidsschat
van meer dan duizend zilveren roebels betalen voor zijne deftige, rijke
en uit eene aanzienlijke familie voortspruitende vrouw!
Het bruidsgeld is betaald; de verloving der jonge lieden heeft plaats.
De nabestaanden komen in de Tschoem van den vader des bruidegoms bijeen
om aan de bruid geschenken te brengen en tevens uit de voor ieder ten
toon gestelde gave des bruidegoms voor zich zelf iets in ontvangst te
nemen. Men kleedt de bruid in feestgewaad en maakt zich gereed met haar
naar de Tschoem des bruidegoms of van diens vader te rijden. Vooraf
heeft men op gebruikelijke wijze lekker gesmuld van een geslacht
rendier. Gekookt heeft men heden slechts enkele onder het ijs gevangen
visschen; het vleesch der gedoode rendieren at men rauw, en toen het
eerste koud begon te worden, gaf men een tweede den doodsteek. De bruid
weent, gelijk met alle scheidende bruidjes gewoonte is; zij wil de
Tschoem niet verlaten, alwaar zij is groot gebracht, en eerst nadat men
haar allerlei troostwoorden heeft toegesproken is zij daartoe bereid.
Een gebed voor den huisgod vraagt om den zegen van Ohrt, den
hemelschen, wiens teeken Sornidoed, het godsvuur, in onze oogen slechts
het knetterende noorderlicht, in den verloopen nacht bloedrood aan den
hemel prijkte. De moeder vergezelt de scheidende dochter om haar bij te
staan en ook in den eersten nacht na het huwelijk in hare nabijheid te
blijven. Moeder en dochter beklimmen de slede, de gezamenlijke gasten
de hunnen, en voort snelt de feestelijk gekleede bruidsstoet onder het
geklingel der bellen, waarmede heden alle rendieren, die almede hun
beste tuig dragen, versierd zijn.
De bruigom wacht in de Tschoem zijns vaders zijne bruid op, die heden
en voortdurend door middel van den hoofddoek zedig het gelaat verbergt
voor haar schoonvader en de schoonbroeders van haar aanstaanden
echtgenoot. Een nieuw feest neemt een aanvang, en eerst laat in den
nacht scheiden de gasten, waartoe ook de bloedverwanten van den
bruidegom behooren.
Den volgenden dag brengt de moeder evenwel hare dochter in de Tschoem
des vaders terug. Maar reeds een dag later verschijnen hier alle
verwanten des bruidegoms om de jonge vrouw weder voor dezen op te
eischen. Opnieuw vervult feestgedruisch de nederige hut; straks scheidt
de bruid voor altijd, en deelt nu voorgoed de Tschoem, naar welke zij
voor de tweede maal in feestelijken optocht wordt heengeleid, alleen
met haar man of tevens met diens ouders, broeders en zusters.
De zoons van arme lieden brengen als bruidsschat niet meer dan
hoogstens tien rendieren mede, visscherszonen nog minder, ja zelfs geen
rendieren, maar enkel het benoodigde huisraad; ook deelen zij dikwijls
dezelfde Tschoem met meer huisgezinnen, maar ook de bruiloft dezer
lieden wordt tot een feest- en vreugdedag, waarop zooveel gegeten en
gesmuld wordt als het geringe vermogen maar toelaat.
Arme Ostjaken leven in monogamie, rijke lieden beschouwen het als een
zaak van fatsoen twee of meer vrouwen te nemen. In dit geval heeft de
eerst gevrijde vrouw meer voorrechten dan de anderen, die meer als de
dienstmaagden der eerste kunnen beschouwd worden dan als haars
gelijken. Alleen wanneer zij geen kinderen krijgt, kan het anders
worden; want kinderloos te zijn is eene schande voor den man, terwijl
eene kinderlooze vrouw als een beklagenswaardig voorwerp wordt
beschouwd.
De ouders zijn trotsch op hun kinderen en behandelen ze met veel
teederheid. Met oogen, die kennelijk van geluk getuigen, met gebaren,
die haar weelde uitdrukken, legt de jonge moeder haar eerstgeborene aan
de borst, of op het mollige watermos in de aardige, met fijn vermolmd
wilgenhout en geschaafde houtvezeltjes opgevulde wieg van beukenbast;
met zorg maakt zij het dek aan beide kanten der wieg vast en omhult
voorzichtig het hoofdeneind van het kleine bedje met het daar bevestigd
muggennetje; hare reinheid laat evenwel veel te wenschen over. Zoolang
het kindje nog klein is en onbeholpen, wascht en reinigt de moeder het
wanneer zij meent dat zulks volstrekt noodig is; maar is het grooter
geworden, dan wascht zij het maar eenmaal iederen dag gezicht en
handen; zulks geschiedt met behulp van een handvol geschaafde
wilgenhoutspaanders, die dienst doen als spons, terwijl een tweede
handvol droog toegepast, als droogdoek gebruikt wordt. Zonder zich
daarover in ’t minst bezorgd te maken, kan de moeder verder aanzien dat
het kleine wezen zich op eene wijze bevuilt en bemorst, dat wij er
verbluft van staan. Eerst dan wanneer de jonge Ostjak zich zelf weet te
helpen, neemt dit euvel een eind; niemand evenwel acht het noodzakelijk
zich na den maaltijd te wasschen, al is deze nog zoo bloedig geweest.
De kinderen van hun kant hangen met evenveel liefde aan hunne ouders
als deze aan hen; zij zijn voorbeeldig gehoorzaam; nooit verzetten zij
zich tegen den wil hunner opvoeders. Eerbied jegens hun ouders is het
eerste en voornaamste gebod der Ostjaken, eerbied jegens de godheid
komt eerst in de tweede plaats. Als wij Mamroe, den reeds genoemden
bestuurder der gemeente, den raad gaven, zijn kinderen in de Russische
taal te doen onderwijzen en het Russische schrift te doen leeren,
antwoordde hij ons, dat hij het nut van zoodanige kennis wel inzag,
maar dat hij vreesde, dat de kinderen dan zouden vergeten hun vader en
moeder te eeren en daarmede het voornaamste geloofsartikel te schenden,
zoodat hij op dezen grond niet besluiten kon onzen raad op te volgen.
Zulks mag ook de reden zijn waarom geen enkele Ostjak, die nog het
geloof zijner vaderen aanhangt, in dit opzicht iets meer leert dan zijn
teeken, een hem en anderen verbindend gekrabbel, dat op het papier
wordt gebracht of in hout of rendierhuid gesneden. En toch leert hij,
als een zeer knap en talentvol mensch, al wat men hem onderwijst zoo
spoedig en goed, dat hij op den vroegen leeftijd, waarop hij
uitgehuwelijkt wordt, alles kent en weet wat tot het voeren van eene
huishouding, en het onderhoud van een gezin noodig is. Alleen in
geloofszaken schijnt hij zijn eigen oordeel te wantrouwen en, weinigen
uitgezonderd, juist daarom den Schaman, die zich meerdere kennis van
zoodanige zaken aanmatigt, eene onverdiende eer te bewijzen.
Wij zien evenwel in zulke Schamans, die bij de Ostjaken, evenals bij
andere Mongoolsche volksstammen van Siberië zich de rechten van
priesters aanmatigen, niets anders dan bedriegers.
Het eenige lid der lieve broederschap, waarmede wij in aanraking
kwamen, een gedoopte Samojeed, droeg het teeken des Christendoms op
zijne borst, was zelfs, zooals het gerucht wilde, diaken in eene kerk
der rechtgeloovigen, en toch oefende hij onder de heidensche Ostjaken
het beroep van Schaman uit. Ik weet zeker, dat deze persoon geen
uitzondering vormde, maar dat zulks regel is; want alle Schamans, die
von Middendorf, mijn zegsman, op zijne vele en lange reizen door
Siberië leerde kennen, waren Christenen. Dat de Schaman, dien wij
leerden kennen, in de meening verkeerde, dat ook wij geloovigen waren,
heb ik reeds in mijn reisbericht vermeld, eveneens wat hij ons
voorspelde; het verhaal van de ons gegeven voorstelling zelf heb ik
echter tot heden bewaard; want in de lijst dezer mededeelingen past ook
meer eigenaardig dit beeld.
Aanvankelijk brandewijn als geestelijk loon eischende, daarna zich met
de belofte van een geschenk tevreden stellende, ging hij alleen de
Tschoem binnen, ons zeggende, dat hij ons zou laten roepen, wanneer hij
met de toebereidselen gereed zou zijn. Tot deze schenen ook doffe
slagen op de trom te behooren, die wij na geruimen tijd vernamen; van
andere bezigheden merkten wij niets. Op een door hem gegeven teeken
traden wij de Tschoem binnen.
De geheele ruimte der hut van berkenschors is met menschen opgevuld,
die zoo dicht mogelijk tegen de wanden aangedrukt, in een kring zijn
gezeten; behalve Ostjaken en Samojeden, die met vrouw en kind zijn
komen opdagen, zijn er ook Russen met hun vrouwen en spruiten aanwezig.
Op een hoogen zetel, links van den ingang, heeft Widli, de Schaman,
zich neêrgelaten; aan zijn rechterhand ligt een Ostjak, leerling van
den meester, gehurkt. Widli draagt een bruin opperkleed en daaroverheen
een oorspronkelijk witten, maar nu zeer morsigen, spaarzaam met gouden
tressen versierden tabbaard; in zijn linkerhand houdt hij de kleine
tamboerijnachtige trom zoodanig, dat haar schaduw op zijn gezicht valt,
in de rechter den trommelstok; het hoofd is onbedekt, het rond
geschoren haar zooeven gekamd. In ’t midden der Tschoem brandt een
vuur, dat nu en dan opflikkerende, een schellen gloed werpt op het
verzamelde gezelschap, in welks midden wij plaats nemen op de voor ons
opengehouden zetels. Een driemaal herhaald, langgerekt, als een
veelstemmig gezang klinkend geschreeuw, ingeleid door ettelijke
tromslagen, begroet ons bij het binnenkomen en kondigt het begin der
handeling aan.
„Opdat gij moogt zien, dat ik een man der waarheid ben,” zoo laat de
meester zich hooren, „zoo zal ik thans den mij vertrouwden bode van den
raad des hemels bezweren onder ons te verschijnen, om mij mede te
deelen, wat de goden over uwe toekomst besloten hebben. Gij zelf zult
dan later mogen ervaren of ik waarheid gesproken heb of niet.”
Na deze aanspraak, die ons door den mond van twee tolken werd
overgebracht, bewerkt de lieveling der goden het kalfs- of liever hier
het rendiervel zijner trom met snelle slagen, die elkander wel in eene
bepaalde maat, maar niet in een bepaald aantal opvolgen. Hij begeleidt
ze met een gezang, dat op Samojeedsche wijs half sprekend, beter
gezegd, half brommend, half zingend voorgedragen, door den discipel,
dien wij den koster zullen noemen, telkens getrouw herhaald wordt.
Daarbij houdt de meester zijn trom zoo, dat zijn gezicht steeds
beschaduwd blijft; hij sluit tevens de oogen om door niets van zijn
geestelijk gezicht afgeleid te worden; de koster daarentegen rookt ook
onder het gezang evenals straks steeds door en spuwt bij afwisseling op
den grond evenals straks. Drie langzame, bepaalde slagen kondigen het
einde van trommelen en zingen aan.
„Ik heb thans,” zoo spreekt de meester vol waardigheid, „Jamaul den
bode der hemelsche geesten, bezworen onder ons te verschijnen; ik kan
evenwel niet bepalen hoeveel tijd er nog verloopen moet alvorens hij,
die misschien verre wijlt, bij ons zal zijn.”
En wederom roert hij de trom, zingt hij bezwerend, en eindigen gezang
en begeleiding als te voren.
„Twee keizers zie ik voor mij; zij zullen u een geschrift zenden,” zoo
spreekt de bode der goden door zijnen mond. Jamaul was dus zoo
vriendelijk geweest in de Tschoem te verschijnen en zijn lieveling ter
wille te zijn. Thans volgen, steeds ingeleid door het betooverend
gezang en tromgeluid, de afzonderlijke volzinnen, waarin de boodschap
der goden is vervat:
„Nog eenmaal, in den volgenden zomer, zult gij denzelfden weg trekken
als nu.”
„Dan zult gij de toppen van den Oeral bezoeken, daar waar de Oessa,
Bodaratta en Schtschoetschja haar loop aanvangen.”
„Op deze reis zal u iets overkomen; of het goed zal zijn of kwaad kan
ik niet zeggen.”
„Aan de Bodaratta valt niets te behalen omdat het daar aan hout en
weiden ontbreekt; hier echter kan iets uitgevoerd worden.”
„Gij zult uwen meester verantwoording moeten doen; hij zal deze
onderzoeken en tevreden over u zijn.”
„Ook voor de drie oudsten van uwen stam zult gij u te verantwoorden
hebben; zij zullen uwe geschriften eveneens nagaan om daarna over de
nieuwe reis uitspraak te doen.”
„Uwe reis zal van nu af gelukkig zijn, zonder ongeval eindigen, en gij
zult te huis uwe geliefden in welstand terugzien.”
„Wanneer ook de thans aan de Bodaratta toevende Russen hetzelfde zeggen
als zij, zullen twee keizers u beloonen.”
„Ik zie geen gezicht meer voor mij.”
De handeling is ten einde. De schemering breidt zich uit over de bergen
van den Oeral. Allen verlaten de Tschoem; uit de gebaren der Russen
spreekt hetzelfde vertrouwen als uit de tronies der Ostjaken en
Samojeden. Wij evenwel bewegen den Schaman om ons naar de boot te
vergezellen, maken hem en zijnen discipel met brandewijn de tong los en
leggen hem allerlei strikvragen voor, daaronder zeer spitsvondige. Hij
beantwoordt ze alle, zonder uitzondering, en zonder een oogenblik in
verlegenheid te geraken, zonder te dralen, zonder zich te bedenken; hij
beantwoordt ze alle vol overtuiging en overtuigend, klaar en bepaald,
kort en bondig, zoodat wij nog meer dan vroeger tot het bewustzijn
kwamen, dat wij met een door en door slimmen bedrieger te doen hadden.
Hij schildert ons, hoe hij reeds als knaap den geest op zich voelde
nederdalen, hoe deze hem zoo lang bleef pijnigen, tot hij de discipel
van een Schaman werd; hoe hij meer en meer op vertrouwelijken voet is
geraakt met Jamaul, den bode der goden, die hem verschijnt in de
gedaante van een vriendelijk man, op een paard gezeten en met een staf
in de hand; hoe Jamaul hem steeds te hulp snelt en hemelschen bijstand
verleent, wanneer booze geesten hem aanvallen en hij dikwijls dagen
achtereen tegen hen heeft te strijden; hoe de bode der goden steeds de
ware, onvervalschte boodschap der hemelgeesten hem moet mededeelen,
dewijl anders elke tromslag als een geeselstriem diens rug zou
doorploegen; hoe Jamaul ook weder op dezen dag, voor hem alleen
zichtbaar, achter hem in de Tschoem heeft gezeten, en hem alle woorden
in het oor had gefluisterd; hoe hij, de Schaman door zijne kunst, of
liever door de hem verleende genade, welke ook door zijn overgang tot
het Christendom niet verzwakt kan worden, het verborgene ontdekt, het
gestolene kan terugvinden, ziekten leert onderscheiden, den dood of de
genezing der zieken vooruit ziet, de schimmen der afgestorvenen kan
waarnemen en bannen, veel kwaads kan doen en verhinderen, maar alleen
het goede bewerkt, uit vrees voor de hemelsche geesten; hij geeft ons
een uitvoerig en helder, ofschoon niet geheel en al juist beeld van het
geloof van Ostjaken en Samojeden; hij verzekert, dat een ieder van zijn
eigen volk zoowel als de Ostjaken hem bij allerlei onheil bezoeken, hem
om raad vragen, zich door hem de toekomst laten ontsluieren, en zonder
aarzeling hem vertrouwen, hem gelooven.
Het laatste is geenszins het geval. De groote hoop moge in den Schaman
een man van groote wetenschap, wellicht zelfs een middelaar tusschen
den mensch en de godheid, misschien ook een man, vol geheime macht
zien, maar velen gelooven even zoo weinig aan de woorden en werken van
een Schaman als andere volken aan die hunner priesters. Het werkelijke
geloof des volks is oneindig veel eenvoudiger en kinderlijker dan den
Schaman lief is. Het gaat ook hier gelijk wel eens elders: de priester,
of hij die zich daarvoor uitgeeft, bevolkt den hemel met goden en raden
en dienaren der godheid, het volk echter weet niets van zulk een
hemelschen hofstoet.
Volgens het geloof van den Ostjak troont in den hemel Ohrt, een naam,
die zooveel beteekent als „einde der wereld.” Hij is een almachtige
geest, die alleen tegenover den dood geen macht bezit; maar die den
menschen genegen is. Gever van alle goeds, uitdeeler der rendieren,
visschen en pelsdieren, die het booze verhindert, de logen wreekt, en
slechts dan zich streng betoont, wanneer men de belofte jegens hem niet
nakomt. Ter eere van Ohrt viert men feesten, hem offert men, en tot hem
bidt men; en aan hem alleen denkt de smeekeling, zelfs wanneer hij zich
voor een heiligenbeeld plaatst. Dit beeld, „longch” genoemd, kan uit
hout gesneden, maar ook een bundel katoen, een steen, een dierenhuid of
elk ander voorwerp zijn; kracht gaat er niet van uit, bescherming
verleent het niet, dus een fetisch is het niet. Verzamelt men zich voor
een longch, brengt men het voor de Tschoem, plaatst men er een schotel
met visch of rendiervleesch voor, of eenig ander offer, legt men
kostbaarheden voor den longch neêr, bergt men deze zelfs binnen in dit
voorwerp,—men richt bij al die handelingen het oog ten hemel en denkt
zoowel in het gebed als bij het offer aan de godheid zelf. Booze
geesten wonen zoowel in den hemel als op de aarde, maar Ohrt is
machtiger dan zij; alleen de dood is sterker dan Ohrt. Een eeuwig leven
na den dood bestaat niet, van eene opstanding weten de Ostjaken
evenmin; maar de doode wandelt als schaduw op de aarde rond, en die
schim of schaduw heeft nog altijd de macht om zoowel goed als kwaad te
doen. Wanneer een Ostjak sterft dan vangt onmiddellijk dat schaduwleven
aan; daarom gaat men ook terstond tot de begrafenis over. Reeds vóórdat
hij den laatsten adem uitblies waren de vrienden bijeengekomen; zoodra
de dood is ingetreden ontsteekt men een vuur in de Tschoem en houdt dit
brandende, totdat men grafwaarts gaat. Een Schaman wordt geroepen om
den doode te vragen, op welk kerkhof hij wil rusten. Zulks geschiedt op
deze wijze, dat men de plaats noemt en daarbij het hoofd van het lijk
poogt op te beuren. Is de plaats naar den zin dan laat de afgestorvene
toe, dat men zijn hoofd opbeurt, zoo niet dan zouden drie mannen zulks
niet vermogen. In dit geval wordt de vraag herhaald, en wel zoolang
totdat de doode toestemt. Nu zendt men der zake kundige personen naar
die plaats om het graf gereed te maken, want zoodanig werk eischt
dikwijls vele dagen.
De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen,
gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of
meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond
worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een
boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven
een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden.
Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar
wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige
kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met
de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men
zelfs met tranen in de oogen het aangezicht.
Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten
en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een
rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den
doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in
’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het
lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het
aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de
rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden
uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke
deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende
boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die
gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter
heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of
gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens
waren.
Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur
ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de
begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal
steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen,
omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de
belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu
gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat
eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en
daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering
aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven
eischt wederom zijn dagelijksche rechten.
In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den
afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar
geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de
levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt
deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt
zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net,
doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van
gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem
binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode
bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst,
zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt.
Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat
door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en
veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een
kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och
mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn!