Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in
de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens
van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met
een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide
hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen
roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen
geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de
Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten,
en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de
uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten
zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en
Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting
mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge
staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die
voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een
der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste
aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen,
vergezelden ons.
Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den
nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk
reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of
wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts
zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen
zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm
zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede
zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte,
om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en
sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van
tingelende klokjes, stond voor ons.
Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de
wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij
hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi
had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze
bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde
gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden,
doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden
doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen,
die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij
werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met
bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan
verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet
alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs
welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië
trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks
mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een
meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes,
overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen;
op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden
zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de
sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij
bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water.
Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij
met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren
lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat
steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine,
het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer,
kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal
moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen.
De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te
worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige
opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het
vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling
op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De
winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk
aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen
gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte
sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en meisjes met
behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude,
wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een
schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij,
om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige
kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne
vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld
weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten
hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen
tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot
negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging
geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen
verrichten.
Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden,
zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield
de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar
was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors,
liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden
wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste
verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der
blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van
bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door
eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke
de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken.
Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal
door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene
werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle
leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga
te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren,
welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk
hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn
verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende,
met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom
in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van
zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband
omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig
bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den
weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige
schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes
langs de huizen; in de drukte van den bazar woelt jong en oud
dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige
kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door
menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en
bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen,
ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig
samenwonen.
Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij
verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche
en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen.
De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want
niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens
vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen
beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de
Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig
ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en
afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van
bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken.
Twee groote rivieren, de Wietka en Kama kruisen dezen weg. De eerste
ligt nog gekneld in den winterboei, ofschoon de lentewind reeds
aanvangt het ijsdek te verbreken. Het water overstroomt de oevers,
zoodat de paarden der vrachtvaarders,—welke lieden geen gebruik van de
op zulke plaatsen aangebrachte noodbruggen willen maken—genoodzaakt
zijn al zwemmende de achter hen drijvende slede, evenals een bootje
door het water te trekken.
Reeds vóór wij Perm bereikten moesten wij de slede met een reiswagen
verwisselen, en in dezen rollen wij het Oeralgebergte, de grens van
Europa en Azië tegen. De weg loopt over langgerekte, zacht glooiende,
doch steeds hooger wordende heuvelrijen. Het beeld des landschaps
verandert. Een fraai, ofschoon nog geenszins grootsch bergland strekt
zich voor onzen blik uit. Kleine boschjes, omgeven van akkers en
weiden, herinneren aan de voorgebergten der Stiermarksche Alpen. De
meeste bosschen zijn arm en nietig, eenigszins te vergelijken bij die
der Mark, enkele rijker en levendiger, zelfs over groote
uitgestrektheden dicht. Ginds waren zij uit lage dennen en berken
gevormd, hier bestaan zij uit beide boomsoorten met daartusschen
groeiende linden, esschen en populieren, boven wier ronde kronen de
cypresvormige toppen der heerlijke Pichta’s of Siberische dennen als
kandelabers uitsteken. De dorpen zijn gemeenlijk grooter, de huizen
deftiger dan die, welke wij achter den rug hebben, maar de wegen zijn
boven alle beschrijving slecht. Loodzwaar slepen duizenden vrachtwagens
zich op of liever in het modderige spoor voort, en zoo ook wij, tot
eindelijk na eene reis van drie dagen de waterscheiding van de beide
groote stroomgebieden, van dat der Wolga en Ob is bereikt, en wij door
een gedenksteen, op welks westkant het woord Europa, op welks oostkant
het woord Azië is gebeiteld, er aan herinnerd worden dat wij de grenzen
van het werelddeel onzer geboorte zijn overgetrokken. Onder het klinken
der glazen gedenken wij onze verre geliefden.
Het vriendelijke Jekaterinenburg met zijn goudsmelterijen en
steenslijperijen mag ons, in weêrwil van de gastvrijheid zijner
bewoners, niet lang ophouden, want steeds breeder slaat de lente haar
wieken uit, en met elken dag wordt het ijsdek, dat nog tot het ver
afgelegen Omsk ons voor brug moet dienen, losser en weeker. Rusteloos
snellen wij door de velden van het Aziatisch gedeelte van het
gouvernement Perm, totdat wij zijn grenzen en daarmede ook West-Siberië
hebben bereikt.
Hier, in het eerste posthuis, wacht de distriktscommissaris van Tjumen
ons op, om ons in naam van den stadhouder te begroeten en door zijn
distrikt te geleiden; in de hoofdstad vinden wij het huis van een
vermogend man voor onze komst in gereedheid gebracht. Wij zullen van nu
af aan ervaren, wat Russische gastvrijheid beteekent. Nog altijd had
men ons overal gastvrij ontvangen en onthaald; van nu af aan beijveren
zich de hoogst geplaatste ambtenaren van distrikten en provinciën om
ons eer te bewijzen en van dienst te zijn, terwijl de aanzienlijkste
huizen tot onze beschikking staan. Als vorsten worden wij behandeld,
enkel en alleen omdat wij een wetenschappelijk doel voor oogen hebben.
Hoe dankbaar wij zulks ook erkennen, het ontbreekt ons aan woorden om
ons dankgevoel te uiten.
Aan gene zijde van dat Tjumen, alwaar wij drie dagen vertoefden, om de
gevangenissen der ballingen, de lederfabrieken en andere
bezienswaardigheden der eerste Siberische stad in oogenschouw te nemen,
zagen wij ook hoe de boeren zich zelfs tot heer en meester weten te
maken van de rivieren. De naderende lente had ook het ijs der Pyschma
losgemaakt en de ijsschollen begonnen zich in beweging te zetten; wij
moesten evenwel nog eerst den stroom oversteken. De bevolking van het
dorp Romanoffskoy stond blootshoofds voor de Pyschma op ons te wachten;
en op ons wachtende moest ook deze rivier geduld oefenen met het
verbreken harer kristallen ketenen. Met niet minder bekwaamheid als
onverschrokkenheid had men eene noodbrug over den reeds gedeeltelijk
van ijs bevrijden stroom geslagen; eene groote boot diende daarbij als
middelste grondbalk en de ijsschollen, die dreigden te gaan kruien,
werden boven en naast deze brug met sterke touwen vastgebonden.
Gedienstige handen onttuigden het vijfspan, dat wij heden voor onze
reis noodig zouden hebben, sloegen de handen aan de assen en spaken, en
brachten den eenen wagen na den anderen over de waggelende, op en neêr
golvende, krakende brug. Deze had haar plicht gedaan; aan den anderen
kant ging het lustig verder door water en sneeuw, slijk en modder, over
paaldammen en ijs.
Minder gewillig betoonde zich de Tobol, die wij op Goeden Vrijdag den
14 April, den eersten eigenlijken voorjaarsdag, over wilden trekken.
Ook hier had men alle mogelijke voorzorgen voor den overtocht
getroffen, zelfs een onzer wagens reeds afgespannen en op het ijsdek
gerold, toen dit krakend spleet, zoodat men hem ijlings terug moest
trekken. Vroolijk hadden de belletjes geklonken toen wij Jalutoroffsk
verlieten, met hun treurig gelui vergezelden zij ons toen wij naar deze
stad terugkeerden, en eerst op Paschen vermochten wij de rivier met
behulp eener pont over te gaan.
Zoo ging het verder; voor en achter ons wierpen de stroomen het
ijskleed af; alleen de gevreesde Irtysch lag nog bevroren voor ons en
zoo bereikten wij, na eene reis van ruim vier weken, zonder verdere
ongevallen, Omsk, de hoofdstad van West-Siberië.
Nadat wij in Omsk hadden gezien wat er te zien valt, de straten en
huizen, de kadettenschool, het museum, het hospitaal, de gevangenis
voor soldaten en zoo meer, reden wij over den weg, die zich langs den
rechteroever der Irtysch uitstrekt en die de dorpen der zoogenaamde
Kozakkenlinie verbindt, verder tot naar Semipalatinsk.
Reeds tusschen Jalutoroffsk en Omsk waren wij door eene steppe gereden,
n.l. door die van Ischim; thans waren wij van alle zijden door de
steppe omringd en elken nacht werd de hemel rood gekleurd door het in
den brand gestoken oude steppengras en steppenkruid. Met het
noordwaarts trekkend ijs van de Irtysch trokken scharen van trekvogels
in gelijke richting mede; de steppenmeren waren opgevuld met
watervogels; verschillende soorten van leeuweriken vlogen in dichte
troepen heen en weder; de sierlijke steppenvalken hadden reeds hun
zomerverblijven weder betrokken, de lente had werkelijk haar intocht
gehouden.
Te Semipalatinsk hadden wij het geluk in den Gouverneur-Generaal von
Poltoratski, een warm vriend en bewonderaar van onze plannen, in zijne
echtgenoote de vriendelijkste gastvrouw ter wereld te vinden. Niet
tevreden met in Semipalatinsk ons zoo goed ontvangen te hebben, besloot
de generaal ons op de meest geschikte wijze met de voornaamste
bevolking zijns gebieds, de Kirgiezen, bekend te maken; hij had te dien
einde maatregelen getroffen voor eene groote jacht op archaren, een
soort van wilde schapen, die in grootte onze tamme schapen om het
dubbele te boven gaan.
Den 3 Mei braken wij voor dit doel op, trokken over de Irtysch en reden
over den postweg naar Taschkent de steppe der Kirgiezen in. Na een
tocht van zestien uren hadden wij het jachtgebied, een klippig
steppengebergte bereikt; al spoedig stonden wij voor het te onzer eere
opgerichte Joertenleger of „Aul”, vriendelijk begroet door de ons
gisteren vooruitgereisde gemalin des generaals, en eveneens hartelijk
verwelkomd door een twintigtal Kirgiezische sultanen, door de hoofden
der gemeente en derzelver talrijk gevolg.
Het ging de drie volgende dagen lustig toe in de Arkatsche bergen. Voor
de steeds naar feesten hakende Kirgiezen waren schoone dagen
aangebroken, maar voor ons niet minder. Het dal en de bergen
weêrklonken onder den hoefslag der tachtig en meer ruiters, die op de
beide volgende dagen ter jacht uittrokken; de zon, zoo vaak zij zich
vertoonde, schitterde op de bonte, vreemdsoortige gewaden, die tot op
dat oogenblik onder de pelzen waren verborgen gebleven; een levendig
gewemel vulde berg en dalkloof. Met hun beste renpaarden en
uitstekendste telgangers, afgerichte steenarenden, windhonden en
kameelen, met citherspelers en improvisatoren, kamprijders en
soortgelijke helden waren zij verschenen, de eens zoo gevreesde
Kirgiezen, wier naam niets anders dan roover beteekent, heden echter de
gewilligste, getrouwste en meest tevreden onderdanen des Russischen
Rijks. In groepjes zaten zij bijeen, afzonderlijk en in troepen
draafden zij heen en weêr, en galoppeerden lustig met de vlugge
paarden; met de levendigste belangstelling volgden zij de wedrennen,
aanschouwden vol geestdrift het paardrijden der jeugdige knapen en
bestuurden met overleg de jacht; vol verrukking luisterden zij naar het
lied van den improvisator, die de jacht bezong. Reeds vóór onze komst
had een der Kirgiezen een archar gedood; het geluk bracht mij een
tweede dier voor mijn zeker schot. Dit laatste voorval deed de
geestdrift des dichters ontvonken. Zijn verzen waren wel is waar niet
bijzonder rijk van inhoud of diep gedacht, maar toch zoo eigenaardig,
dat ik ze opschreef, om eene eerste proeve van Kirgiezische dichtkunst
te verzamelen. Terwijl de man zong, vertaalde de tolk zijn lied in het
Russisch, de Generaal deed zulks in het Duitsch, en toen de zanger
ophield, had ook ik zijn woorden haastig op het papier gebracht.
„Spreek, spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood
zult gij stom zijn.
Spreek, spreek, roode tong, mij door God gegeven; na den dood zult gij
zwijgen. Woorden, gelijk thans aan u ontvloeien, zullen na den dood u
niet verlaten. Lieden, groot als de bergen, zie ik voor mij; hun wil ik
waarheid verkondigen. Bergen, rotsen meen ik voor mij te zien; met het
renpaard mag ik hen vergelijken. Zij zijn grooter dan schepen, grooter
dan de stoombooten, die de Irtysch bevaren.
In U o Gebieder in den naam des Keizers, zie ik den hoogsten; met een
berg mag ik u vergelijken en met het prachtig renpaard, dat statig
daarhenen draaft. Een moeder was het die mij ter wereld bracht; mijne
tong evenwel is mij van God gegeven.
Wanneer ik thans niet mijne stem tot U verhief, tot wien zou ik dan
spreken? Volle vrijheid heb ik tot spreken, even alsof ik tot mijn volk
sprak.
Het geluk zij met U, o Heer, en heil en zegen met Uwe gasten, waaronder
hooggeplaatsten, ofschoon zij thans onder U gesteld zijn.
Elke gast van den Generaal is ook de onze, en hij is zeker van onze
vriendschap.
God gaf mij de tong; deze moge nog meer spreken.
In de bergen zagen wij jagers, schutters en drijvers, maar slechts met
één hunner was het geluk.
Evenals de hoogste berg zijn top boven de andere verheft, zoo steekt
ook deze boven alle anderen uit; want hij schoot den archar twee kogels
door het lichaam en bracht het dier naar de Joerte.
Aller wensch was buit te behalen, maar slechts één der jagers zag dien
wensch vervuld; dies verheugen wij ons, dies verheugt ook Gij U
genadige vrouw, tot wie ik thans spreek.
Het geheele volk is ten hoogste verblijd U hier te zien en te
begroeten; het geheele volk, vrouwen en mannen wenscht U slechts
vreugde, duizend jaren leven en gezondheid.
Neem met welgevallen onze hulde aan! Hebt gij rijker menschen gezien,
trouwer heeft niemand U begroet en gastvrijheid geschonken.
Moge God U zegenen, U, Uw huis en Uwe kinderen! Te weinig woorden heb
ik om U te prijzen, maar mijne tong werd mij door God gegeven: En zij
sprak, de roode tong, wat er in het hart omging.”
Wij verlieten de bergen van Arkat en spoedig daarna ook het
regeeringsgebied van onzen gastheer, van wien wij op het jachtveld
reeds afscheid hadden genomen; wij werden in Sergiopol, de eerste stad
in Turkestan, door den overste Friedrichs ontvangen, die ons in naam
van den Gouverneur-Generaal dezer groote provincie begroette; onder
diens geleide trokken wij verder. Kirgiezen-hoofden vormden eene
eerewacht en zorgden voor trekpaarden; deze hadden als zoodanig stellig
nog nimmer hunne diensten bewezen, daar zij aanvankelijk doldriftig met
de wagens voortholden; Kirgiezen-sultanen bewezen ons gastvrijheid,
zorgden steeds voor huisvesting en voedsel en sloegen Joerten op aan
alle plaatsen, waar wij wilden rusten; Kirgiezen vingen voor onze
collecties slangen en andere kruipende dieren, wierpen de netten uit in
de steppenmeren en volgden ons op de jacht als trouwe honden.
Zoo bereisden wij de nu in vollen lentetooi staande steppe, vertoefden
jagend en verzamelend aan het Alakoelmeer „bonte zee”, trokken door
bloeiende dalen en over lachende bergen naar de in den Alatan, een der
verhevenste steppengebergten, gelegen kozakken-stanitza, Lepsa,
zwierven door de omstreken dezer kolonie, een klein paradijs, dat
overvloeit van melk en honig, beklommen de hooggebergten, verkwikten
ons hier aan ruischende bergstroomen, groene Alpenmeren en heerlijke
vergezichten; en terwijl wij in noordoostelijke richting verder
reisden, wendden wij ons naar de Chineesche grens, om door een gedeelte
van het Hemelsche Rijk langs den kortsten en gemakkelijksten weg het
Altaï-gebergte te bereiken.
In Bakti, de laatste Russische grenspost gewerd ons de tijding, dat
Zijne Onuitsprekelijkheid, de Dschandsoen Djoen, Opper-Stadhouder der
provincie Tarabagatai, ons ook vanwege China wilde begroeten, en ons
ten maaltijd had genoodigd. Om dien wensch van den hoogen mandarijn te
vervullen, reden wij den 21 Mei naar de hoofdstad van gezegde
provincie, Tschoekoetschak of Tschautschak.
De ruiterstoet, die zich over de in het zonnelicht stralende steppe
bewoog, was talrijker en prachtiger dan ooit te voren. Deels om in dit
door oproeren geteisterde land veilig te reizen, deels om voor Zijne
Heerlijkheid waardig, om niet te zeggen met staatsie en pracht te
kunnen verschijnen, hadden de ons vergezellende heeren, behalve de
onder aanvoering van onzen nieuwen geleider, Majoor Tischanoff, uit
Sachan gezonden dertig Kozakken en onze oude vrienden, de Kirgiezen,
nog een halve sotnie Kozakken uit Batki opontboden, en zoo dreunde de
tot nog toe eenzame steppe onder de hoefslagen van een klein leger.
Onze Kirgiezen waren allen in feestkleederen gedoscht; hunne zwarte,
blauwe, gele en roode, met zilveren en gouden tressen versierde kaftans
wedijverden in glans en pracht met de uniformen der ons vergezellende
Russische officieren. Aan de onlangs vastgestelde grens wachtte een
Chineesch militair van hoogen rang ons op, om ons te verwelkomen;
daarna keerde hij ons den rug toe en joeg, zoo snel zijn ros hem dragen
kon naar zijn meester terug, ten einde dezen onze aankomst te melden.
Onze paarden baanden zich, toen wij de stad bereikt hadden, met moeite
een weg over puinhoopen, half ingevallen en half opgebouwde huizen;
elders reden wij langs bloeiende tuinen, terwijl potsierlijke
Mongolentronies ons tegengrijnsden en afschuwelijk leelijke vrouwen
mijn schoonheidsgevoel in niet geringe mate beleedigden. De stoet
verzamelde zich voor de woning des stadhouders; wij hielden voor de
groote poort stil en vroegen verlof om binnen te treden.
Tegenover de poort verhief zich een kunstig gebouwde muur, die in het
midden een wonderlijk dierenbeeld droeg; rechts en links hiervan lagen
Chineesche martelwerktuigen op den grond verstrooid. Een huisbeambte
verzocht ons naar binnen te gaan, maar gaf meteen aan de Kozakken en
Kirgiezen bevel daar buiten te blijven. De stadhouder ontving ons in
zijn woon-, werk- en gerichtskamer met groote deftigheid. Zijn
waardigheid als hoog Mandarijn niet uit het oog verliezende, karig met
woorden en slechts enkele afgebroken geluiden stamelende, die telkens
van een vroolijk grinnikend gelach vergezeld gingen, reikte hij ons de
hand en noodigde ons uit om aan de theetafel te gaan zitten, die met
allerlei kleine schoteltjes, waarin de vreemdsoortigste
ontbijtgerechten, beladen was,—„en wij strekken de handen uit naar den
lekker toebereiden maaltijd.” Rijst, verschillende in olie ingelegde en
gedroogde vruchten, schijfjes zwijnenvleesch, zoo dun als pergament,
gedroogde garnalenstaarten, alsmede eene onnoemelijke menigte
onkenbare, ten minste niet nader te bepalen lekkernijen en zoetigheden,
maakten de spijzen uit, eene voortreffelijke thee en eene afschuwelijke
foeselhoudende rijstebrandewijn van ongemeene sterkte, de dranken. Na
den maaltijd, die, tengevolge van een voorzichtigheidshalve reeds
vooraf ingenomen ontbijt van minder raadselachtig allooi, voor mij
althans zonder nadeelige gevolgen afliep, werden waterpijpen
rondgedeeld, en daarna bezichtigden wij eene menigte denkbare en
ondenkbare voorwerpen zoo in dit vertrek als in eene kamer daarnaast:
landschappen en afbeeldingen van dieren, door de Regeering verzonden
getuigschriften, het groote, met bijzondere zorgvuldigheid in bonte
zijden stoffen kunstig ingewikkelde Rijkszegel, vreemdsoortige pijlen
met eene bestemming, zooals slechts een Chineesch brein daaraan kan
toekennen, voorwerpen van Europeesche kunst, enz.
Verschrikkelijk afgemeten en ijselijk deftig werd het onderhoud
gevoerd.
Onze woorden werden uit het Fransch in het Russisch, uit het Russisch
in het Kirgiesch en uit het Kirgiesch in het Chineesch overgebracht,
terwijl de antwoorden langs den omgekeerden weg tot ons kwamen; geen
wonder dus, dat ons gesprek den toon der hoogste deftigheid aannam. Na
het ontbijt verschenen er Chineesche boogschutters, om ons proeven
hunner schietkunst te geven; daarna bracht ons de Dschandsoen
allergenadigst, persoonlijk in zijn moestuin, om ons daaruit een en
ander te laten proeven; eindelijk nam hij afscheid van ons, en nu reden
wij door de straten en markten der stad, vonden in het huis van een
Tartaar gastvrijheid en een heerlijken, door de tegenwoordigheid der
beeldschoone, jonge, te onzer eer in het mannenvertrek geroepen vrouw,
gekruiden maaltijd, om tegen zonsondergang deze, ook in de geschiedenis
bekende plaats te verlaten.
Tschoekoetschak is dezelfde stad, die in 1867 na eene langdurige
belegering, den Doenganen, eenen Mongoolschen, maar tot den Islam
bekeerden volksstam, die bestendig strijd voerde tegen de Chineesche
opperheerschappij, in handen viel, en toen met man en muis werd
verdelgd en tot den grond geslecht.
Van de 30,000 inwoners, die Tschoekoetschak kort te voren telde, was
een derde deel gevlucht; de rest evenwel, die zich veilig waande, omdat
verschillende bestormingen waren afgeslagen, bleef—maar tot haar
verderf. Toen de laatste bestorming gelukte, en de stad in handen der
Doenganen was gevallen, hielden dezen er met dezelfde wreedheid huis,
als waarmede de Chineezen tegenover hen gewoed hadden. En wat aan het
zwaard ontkwam verging door het vuur. Toen onze tegenwoordige
begeleider, de overste Friedrichs, veertien dagen later de plaats
bezocht, alwaar Tschoekoetschak gestaan had, steeg er zelfs geen
rookwolk meer uit de verkoolde balken op. Wolven en honden, die zich
vet hadden gemest aan de menschenlijken, slopen langzaam van daar of
lieten zich zelfs in hun walgverwekkend maal niet storen, maar bleven
voortknagen aan het gebeente hunner voormalige meesters; arenden,
wouwen, raven en kraaien deelden met eerstgenoemden het maal. Waar men
ruimte had moeten maken waren de lijken bij dozijnen en honderden op
een hoop geworpen; in de overige gedeelten der stad, in de straten,
tuinen en huizen lagen zij of afzonderlijk, of bij tweeën, vieren en
dozijnen bij elkaar, man en vrouw, grootvaders en grootmoeders, moeder
en kind, geheele huisgezinnen en gevluchte buren, het hoofd verpletterd
door sabelhouwen, de aangezichten in flarden gehakt, verbrand, de
ledematen door de tanden van honden en wolven afgeknaagd, lichamen
zonder hoofd, andere zonder handen. Wat de krankzinnigste verbeelding
aan gruwelen kan uitdrukken vond hier zijn ontzettende werkelijkheid.
Tegenwoordig telt Tschoekoetschak ten hoogste duizend zielen; feitelijk
staat de nieuwe, met torens gekroonde vesting onder de bescherming van
het kleine Russische piket te Bakti; want dat de Doenganen nog altijd
niet de wapenen hebben neêrgelegd, nog altijd niet voorgoed ten onder
zijn gebracht, bleek ons uit den weinige dagen te voren begonnen tocht
van een Chineesch legertje naar het dal der Emil, alwaar een inval
scheen te dreigen. Onder geleide van Majoor Tichanoff en zijn dertig
Kozakken trokken wij dit dal door, zonder echter een enkelen Doengaan
in ’t gezicht te krijgen, en zonder dagen achtereen zelfs een mensch te
ontmoeten. De Emil, van het Saurgebergte komende, stroomt tusschen de
Tarabagatai en Semistau, twee, onder een scherpen hoek saamkomende
ketens, verder, van beide zijden versterkt door een aantal beekjes. De
Chineezen, alle wateraders benuttende, hadden door bevloeiingen het
geheele dal in een vruchtbaren tuin herschapen, toen de Doenganen
kwamen en dezen tuin verwoestten, om hem terug te geven aan de steppe,
zijn moeder. Wel reden wij, in de nabijheid der stad, nog door kleine
dorpen en stieten op een Aul der Kalmukken, daarna echter alleenlijk
nog langs de puinhoopen van vroegere welvaart en vroegere menschelijke
bedrijvigheid. De natuur had reeds met zachte hand een sluier over de
velden gespreid, maar de nog niet door storm en weder vernietigde
puinhoopen der dorpen bleven ten hemel schreien. Bezoekt men deze
dorpen, dan treden de begane wreedheden met ijzingwekkende
duidelijkheid weder voor oogen. Tusschen de eenzame muren, welker daken
verbrand en welker gevels geheel of gedeeltelijk zijn ingestort, op het
vermolmende hout, waar vergiftige zwammen weelderig omhoog schieten, en
te midden der scherven van Chineesch porselein, te midden van
halfverkoold en daarom bewaard gebleven huisraad, stoot men overal op
menschelijke overblijfsels, verslagen schedels, afgeknaagde beenderen,
en geraamten van huisdieren, inzonderheid van den hond. Op de schedels
ziet men nog de houwen der scherpe sabels. De menschen vielen als een
offer hunner woedende vijanden en de honden deelden in het lot hunner
meesters, die zij misschien nog trachtten te verdedigen; de andere
huisdieren werden weggedreven en buit gemaakt, evenals alle bezittingen
der overwonnenen, terwijl alleen die voorwerpen, welke voor ’t
oogenblik geen waarde hadden, werden stuk geslagen en verbrand. Twee
halfwilde huisdieren zijn de puinhoopen blijven bewonen, t.w. de zwaluw
en de musch; de plaats der anderen werd ingenomen door de vogels der
ruïnen.
Wij togen ongehinderd door het verwoeste dal. Geen Doengaan liet zich
zien; want achter onze dertig Kozakken stond het machtige Rusland. Toen
wij weder menschen ontmoetten, bevonden wij, dat het Russische
Kirgiezen waren, die hier, in China, hun kudden weidden, hun velden
bebouwden en voor een hunner dooden een grafteeken oprichtten.
Van uit het dal der Emil beklommen wij den Tarabagatai op een der
laagste plaatsen van den kam van het gebergte, daalden toen naar de
bijna effene hoogvlakte Tschilikti af, die door eerstgenoemden keten
alsmede door den Saur, Manrak, Terserik, Moestau en Oerkaschar wordt
ingesloten en ongeveer 1600 meter boven den zeespiegel is gelegen. Wij
staken deze vlakte dwars over, ontmoetten op dien tocht een aantal zeer
groote koerganen of grafheuvels der inboorlingen, om daarna door de
kronkelende dalen van het veelvuldig gespleten Manrakgebergte, het dal
van Saisan en den eerst sedert vier jaren bestaanden grenspost van
gelijken naam—een vriendelijk stadje,—te bereiken. Hier, dicht bij de
Chineesch-Russische grens waren wij voor ’t eerst, sedert Lepsa, weêr
omringd door Europeesche behagelijkheid en comfort.
In de gezelschappen, die wij bezochten, verkeerden wij als in St.
Petersburg of Berlijn; men praatte, speelde, zong en danste in den
beperkten familiekring of in een publieken tuin. Het heerlijk gezang
der nachtegalen begeleidde dans en lied; men vergat waar men zich
bevond.
Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op
„oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm
van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij
niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het
herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik
hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde.
In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en
rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous,
ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door
een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge
hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier
hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer
brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van
Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet;
heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en
Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een
frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een
opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het
fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de
diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon
is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke,
troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone
meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door
het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden
gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der
steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en
het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een
veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond
hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten
wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder
hun geleide verder.
Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen,
waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare
behagelijkheid verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze
paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op
paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door
ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk
gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken
trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen
staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de
voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep
Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden
en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval
was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden
met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige
vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht
worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele
schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze
wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten,
bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen
hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in
de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan
te treffen.
Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest
Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk
de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden,
in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst
te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen
verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde
ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In
den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en
vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen,
langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des
Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen
het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden
voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig
met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats
aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over
het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche,
groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge,
steile, grootendeels nog met sneeuw bedekte bergen schonken de
schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken
steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het
Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede
het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij
onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs
den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over
moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens
en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de
nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de
Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te
rusten.
Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken,
voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort.
Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en
keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde
landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil
opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste
kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden,
bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven
alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht
herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen
van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen,
Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en
Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare
akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en
specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen
gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van
het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel
Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk
met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders,
vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij
wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen
hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij
Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder
per wagen door het veelbelovend domein des Keizers.
Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het
voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af.
Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde
aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste
mannen, schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk
nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke,
krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede
kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen
erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de
vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke
dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te
zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken
wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo
genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts
veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het verder
naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad
Tomsk.
Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren
wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om
haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd
geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn,
dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen
van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden.
Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene,
bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks
stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden
wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en
de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in
Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de
beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den
stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom,
hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot
dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen
verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt
hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm
heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat.
Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog
geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers
uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort,
bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm
opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler
de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts
komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker
schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden
Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer;
nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare
scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de
oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat
gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer,
de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de
Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en
eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare, kegelvormige hutten uit
berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide,
vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische
visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch.
Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te
reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de
Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit
nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden
boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige,
voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten
behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts
verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en
vingen den 15 Juli onzen tocht aan.
Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen
van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende,
ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de
Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja,
die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen
wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben,
of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten
afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen.
Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone
wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende,
om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen
lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op,
ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk
eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral
naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht
dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op
sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden
moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje,
milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den
zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons
zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene
bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige
inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen
dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan,
die even moeilijk als gevaarlijk zou worden.
Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den
Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op
dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te
voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door
een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste
voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend
gebied, verbonden.
Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen,
maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last,
die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het
hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende
herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te
onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande
wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de
ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t
algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen:
maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden
vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden
wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker
gedaan hebben.
In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte
schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over
den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de
hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den
zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen,
liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk
na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet
kunnende vinden.
Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een
bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden
meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij
doortrekken.
Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte
ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij
ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder
een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen.
Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en
nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts. Een vroolijk bericht versterkt
meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door
middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen
gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds
in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig,
de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de
Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder
de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den
mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder
genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de
mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen
en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt
als onder de dieren.
Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving
van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken,
gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere
komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed
staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun
lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen
en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen
heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm
vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer
ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de
kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren
aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of
gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld
brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de
liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit,
ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene
volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd,
blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door
een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te
redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de
oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste
herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van
beiderlei kunne.
Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de
menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en
knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is.
Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij
loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van
het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam
vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn
geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle
kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den
bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot
aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog
weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de
bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed,
dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden.
Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in
aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken
beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar,
maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij
steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en
van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes.
De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder
opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit
het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen
was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had
gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen
morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid
der rustplaats.
Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur
lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn
geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde
rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze
goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder.
Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend
hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst
speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een
moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen
geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de
geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om
het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed
mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk
verzadigen ging niet meer.
Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars
waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het
onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal
rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de
zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te
hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien
een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op
den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe
kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen.
Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog
meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht
gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had
gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den
dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen
leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder
Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken
der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna
stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag
overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen
wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren
gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk
opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn.
Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk,
ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder
steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds
sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede
gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij
vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd
verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het
vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om
dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde
voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen
verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij
echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten
evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de
zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil,
zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood.
Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks.
Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op
heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders
weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten
daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig
werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer.
Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af,
want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons
geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg.
Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker
gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der
Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons
jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op
zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien
nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu
toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk
te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten.
De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot,
terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de
eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch
onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid.
Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig
vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst
en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner trom
JAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als
eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar
het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden
keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de
Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee
keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze
geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis
evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der
goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken.
Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is
waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig
dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten gelukkig
bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder
ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het
Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de
Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. In
Nischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk
ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd.
Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar
de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug.