Egypte en Nubië, alhoewel onmiddellijk aan elkander grenzende en door
een gemeenschappelijke rivier onderling verbonden, wijken toch zeer van
elkander af. De goddelijke Nijl stroomt rustig en statig door Egypte,
maar bruist in koortsachtige haast door Nubië; over Egypte verspreidt
hij naar alle zijden zegen, in Nubië wordt hij in boeien geslagen door
hooge, rotsachtige oevers; in Egypte bereikt hij de woestijn, in Nubië
achterhaalt de woestijn hem. Egypte is een tuin, door hem in den loop
der eeuwen geschapen, Nubië is eene woestijn, die hij niet vermocht te
overwinnen. Het is waar, deze woestenij kent haar oasen even gelijk
iedere andere, maar zij zijn weinig in aantal en verdwijnen tegenover
de eindelooze woestenijen aan beide zijden des strooms. Bijna overal in
het lange, gewonden dal, dat Nubië heet, verheffen zich zwarte,
blinkende rotsmassa’s, hetzij uit het stroombed zelf, of op geringen
afstand der oevers; mijlen in ’t rond belemmeren zij elke vegetatie en
alleen door de woestijn weêrszijds erlangen zij eenigen tooi in de
vormen van goudgele zandgolven, die over hare kruinen rivierwaarts
rollen. Gloeiend ziet de zon van den donkerblauwen, bijna altijd
onbewolkten hemel naar beneden, en het komt voor, dat er jaren
voorbijgaan, zonder dat een enkele regendruppel het uitgedroogde land
verfrischt. In de diep ingesneden dalen strijden de levenaanbrengende
wateren van den bevruchtenden stroom te vergeefs tegen het onwillig
gesteente, tegen hetwelk zij brullend en donderend breken, evenals
wilden zij hun toorn uitspreken over de ondankbaarheid, waarmede hun
mildheid wordt beloond.
De kampplaats, alwaar die strijd gestreden wordt, is het gebied van de
stroomversnellingen des Nijls.
Slechts weinige reizigers, die het dal van den benedenloop dezer rivier
bezochten, leerden de stroomversnellingen van haren middenloop kennen.
Een zeer gering aantal overschrijdt den zoogenaamden eersten waterval,
nog kleiner aantal den tweeden. Wadihalfa, een onmiddellijk beneden de
tweede stroomversnelling gelegen dorp, is het gewone doel der
Nijlreizigers; verder naar het zuiden wordt slechts de
natuuronderzoeker gedreven, of de jager, of de handelaar. Van Wadihalfa
uit beginnen de moeielijkheden eener reis in de binnenlanden van
Afrika; geen wonder alzoo, dat de groote massa in genoemd palmendorp
den steven weder huiswaarts richt. Hij echter, die jong en krachtig is,
sterk van wil en niet verweekelijkt, zal er nimmer berouw over gevoelen
wanneer hij zuidelijker trekt. Is het Nijldal arm aan landschappelijke
bekoorlijkheden, het gebied der stroomversnellingen vormt eene
eigenaardige wereld op zichzelf. Verhevene en liefelijke, ernstige en
vroolijke, vreeselijk eenzame en frissche, levendige beelden wisselen
met elkander af; het zijn echter beelden der woestijn, die men te zien
krijgt, en om ze naar waarde te schatten moet men voor het gewone het
oog sluiten. Wie niet in staat is de woestijn te begrijpen, of zich te
verzadigen aan haren kleurenrijkdom, of haar hitte te doorstaan, en
zich aan haar nacht te verkwikken, doet wel ook de Nijlwoestijn niet te
betreden; wie met open oogen en ontvankelijk gemoed het gebied der
stroomversnellingen bereist, zoo mogelijk zelfs in eene ellendige boot
den strijd aanvaardt tegen de schuimende golven, zal zijn gansche leven
teren op de heerlijkste herinneringen, want nooit en nimmer zal het
aangrijpend tooneel, dat het lichamelijk oog aanschouwde, verbleeken
voor het geestelijk oog, nooit zal de ziel het goddelijk lied vergeten,
dat eens de stroom het oor heeft voorgezongen.
Zoo althans vergaat het mij, die te land en te water Nubië’s rotsland
door ben getrokken, in de boot, stroomopwaarts en stroomafwaarts, die
met gebrek en gevaren heb te worstelen gehad, en nu eens van de toppen
der steile rotsen, dan weder van den rug des kameels de
stroomversnellingen heb gadegeslagen.
Het is gewoonte geworden van drie watervallen van den Nijl te spreken.
Ieder dezer bestaat uit eene reeks van stroomversnellingen, die over de
uitgestrektheid eener mijl de scheepvaart ten hoogste bezwaren en
gevaarlijk maken. In den eersten waterval is er maar ééne
stroomversnelling van beteekenis, in den tweeden en derden echter zijn
er samen over de dertig, ieder van welke eenen haar door de Nubische
schippers gegeven naam draagt. Watervallen, die de scheepvaart ten
eenenmale onmogelijk maken, zijn er evenwel niet, althans niet in het
vaarwater, waarin zich, behalve de gewone vaartuigen, die booten
bewegen, welke uitsluitend met het oog op de stroomversnellingen zijn
gebouwd en uitgerust.
Wanneer men, in de richting van den heiligen stroom voortreizende, de
noordoostelijkste vernauwing der oevers tusschen de „bergen der keten”
achter zich heeft gelaten, verandert plotseling het landschap. Egypte,
of het breede, zeewaarts zich tot eene onafzienbare vlakte verwijdende
stroomdal ligt achter den rug der reizigers en de rotsdrempel van Nubië
bouwt zich voor zijnen blik op. De tegenstelling is verrassend. De
eentonigheid maakt plaats voor afwisseling. Wel biedt ook Egypte menig
hartverfrisschend, het oog aangenaam aandoend beeld; wel tooit ook het
landschap in Egypte zich, vooral ’s avonds en ’s morgens, met den
wonderbaren glans van het zuidelijk licht; maar over ’t algemeen is dat
landschap eentonig, omdat men overal hetzelfde ziet, onverschillig of
men het oog vestigt op de zandsteenen en kalkrotsen der dalbegrenzing,
of het laat weiden over den stroom en de landerijen. Een en hetzelfde
beeld keert schier onveranderd honderden malen weder: gebergten en
vruchtbare vlakten, oeverwanden en eilanden, mimosenboschjes,
palmengroepen, sykomoren, steden en dorpen, alles draagt in hoofdzaak
hetzelfde karakter. In ’t gezicht van de rotspartijen van den eersten
katarakt, van den laatsten grendel, dien de zeewaarts spoedende stroom
verbrak, eindigt dit Egypte en begint Nubië. De boot glijdt niet meer
over den in majestueuse rust daarheen vlietenden stroom, maar zij moet
zich gewelddadig zelf een weg banen tusschen de rotsmassa’s en de uit
de golven zich verheffende rotskegels.
Boven op een steil afvallend, vooruitstekend gedeelte van den
linkeroever ziet men een ellendig, maar niettemin schilderachtig
uitkomend bouwwerk, het graf van Scheik Musas, den patroon der eerste
stroomversnelling, vervolgens het aan palmboomen rijke eiland
Elephantine, en spoedig hierna Assoean. Rotsmassa’s uit wier schors
eene eeuwen achtereen voortgezette werking der tegen haar schuimende
golven de inscripties uit den tijd der Pharao’s niet vermocht uit te
delgen, versperren het vaarwater en noodzaken de boot tot allerlei
wendingen, tot zij eindelijk in eene stille bocht, waar men nog het
woeden der stroomversnelling hoort weêrklinken, eene veilige
landingsplaats vindt.
Het is een door de oudheid gewijde grond, dien wij betreden. Lang
vervlogen eeuwen spreken, door middel van het zoo even vermelde heilige
schrift, tot ons in verstaanbare taal. „Ab” of ivoorstad, Elephantine,
zoo heette de stad op het eiland van denzelfden naam; het eiland is
gebleven, maar zelfs de puinhoopen der stad zijn verdwenen. „Soen”,
Syene, heette de plaats aan den rechteroever, waar nu Assoean is
gelegen. Elephantine, de zuidelijkste haven van het oude Egypte, alwaar
de uit het binnenland van Afrika gehaalde waren, inzonderheid het
destijds reeds als kostbaar geachte ivoor, werden opgestapeld, was de
hoofdstad van het zuidelijk Nijldistrikt; Soen was wellicht een
arbeidersdorp, ofschoon als zoodanig toch niet van geringer beteekenis
dan Elephantine. Want hier werd van de oudste tijden van het Egyptische
rijk af de „Mat” of „Ethiopische steen van Herodotus”, dien men in de
nabijheid brak, aan den Nijloever gebracht en in de schepen geladen,
die hem naar de plaats van bestemming voerden; naar dit „Soen” ontving
de kostbare steen den naam van „syeniet”, dien hij nu nog draagt.
Opschriften op de gedenkteekenen, die dagteekenen van de oudste
Egyptische koningsgeslachten, op zulke, die tot in het tweede en derde
duizendtal jaren vóór onze tijdrekening opklimmen, gewagen meermalen
van de plaats Soen, en tallooze andere hiëroglyphen, in de nabijgelegen
steengroeven zelf, doen ons de beteekenis van dit arbeidersdorp kennen.
Over nagenoeg twee vierkante geographische mijlen der ten oosten van
den waterval gelegen woestijn strekken zich de steengroeven uit,
waaruit men de groote blokken haalde, die als reusachtige ronde en
spitse zuilen, als lijsten en draagbalken van tempels ons met stomme
verbazing vervullen; ook werden er de grafkamers der pyramiden mede
bekleed, daar men van hen vertrouwde, dat zij in staat zouden zijn den
op hen drukkenden last te dragen.
„Overal,” zegt mijn geleerde vriend Dümichen, „zien wij hier, hoe de
menschelijke hand bezig was, deels om het kostbare gesteente uit den
rotswand los te maken, deels om in beeld en schrift sommige
gebeurtenissen te vereeuwigen; overal is de steen hier in een
gedenkteeken veranderd, en talrijke opschriften, dikwijls op de hoogste
toppen der bergen aangebracht, wij-spreuken ter eere der goddelijke
drieëenheid van het voornaamste Opper-Egyptische landschap,—van den god
des watervals Chnoem-Ra en zijne beide gezellinnen Sati en
Anoeke,—andere ter verheerlijking van sommige heldendaden der
Egyptische koningen en hooge staatsbeambten bedekken wijd en zijd de
rotswanden. Ook deze opschriften gaan gedeeltelijk tot in de oudste
tijden der geschiedenis terug; en toch, hoe jong zijn ze niet,
vergeleken bij den strijd, die hier gedurende niet te berekenen
duizendtallen van eeuwen de Egyptische zonnegod Ra tegen het gesteente
voerde. Overal n.l. zijn de rotsen ter plaatse, waar zij nog niet door
menschenhanden werden bewerkt en voor onze oogen bloot liggen,
oppervlakkig met eene donkergrijze korst, als ware deze
aaneengesmolten, bedekt, terwijl de breukvlakten van het syeniet, aan
welke wij met zekerheid soms een ouderdom van vier duizend jaren mogen
toekennen, evenals de overal in de groeven verstrooid liggende blokken
nog op den huidigen dag de aan granietgesteenten eigendommelijke roode
kleur in volle frischheid behouden hebben; die eeuwen zelfs waren niet
bij machte om dat schorskleed des tijds aan te leggen.”
Van elken hoogen oeverberg kan men een gedeelte van den katarakt
overzien. Twee woestijnen naderen den Nijl en reiken elkander in dien
stroom over eene menigte kleine rotseilandjes de hand. Elk dier
eilanden deelt den stroom en noodzaakt hem zijn wateren op te stuwen;
maar met des te meer geweld vervolgt hij tusschen deze versperringen
schuimend zijn loop. Zonder ophouden klotst en brandt het water tegen
de overblijfselen van een reeds vóór duizenden eeuwen door hem zelf
verbroken rotsdam; hij schijnt ze op te willen ruimen, ze te
vernietigen, en te toornen over den nog altijd niet bedwongen
tegenstand, zoo woest klinkt het klotsen der golven naar den beschouwer
omhoog. Het is de muziek, die het tooneel voor en onder hem begeleidt.
Rusteloos, gelijk de eeuwig stroomende wateren, dwaalt het oog over
dien chaos van rotsen; honderd afzonderlijke beelden vallen tegelijk in
het oog, en niettemin formeert zich uit die veelheid een majestueus
geheel, waarin de starre, blinkende rotsmassa’s scherp tegen het witte
schuim der haar omspoelende wateren, tegen de beide aangrenzende,
goudgele woestijnen en tegen den wolkenloozen, donkerblauwen hemel daar
boven afsteken.
Aantrekkelijk vooral is het bovengedeelte der stroomversnelling. Een
keten van zwarte rotsen, de natuurlijke grensmuur tusschen Egypte en
Nubië, trekt dwars door den Nijl en breidt zich aan beide oevers uit
tot een langen boog, die voor ’t oog des waarnemers een overal
gesloten, door rotsdammen omgeven keteldal vormt. Zijn wallen bestaan
ten deele uit samenhangende massa’s, ten deele uit los op elkaar
gestapelde, als door reuzenhanden opgeworpen, ronde, eivormige en
hoekige rotsblokken. Hier en ginds steken enkele gedeelten der
omwalling voor de anderen uit, elders wijken zij meer terug; hier en
daar verheffen zij zich als eilanden uit het oude meerbekken, dat zij
insloten, alvorens de geweldige stroom zich daar een vrijen doortocht
baande.
Te midden dezer puinhoopen van den voortijd ligt het frissche met
palmboomen begroeide eiland Phile met zijn goddelijken tempel. Nog
nimmer zag ik schooner landschap. Overal omgeven door de harde, zwarte
rots, eeuwig omspoeld door de golven, die tegen zijn grondslagen
klotsen, vriendelijk omlijst door vruchtdragende palmboomen en geurige
mimosa’s, staat die tempel daar als het zinnebeeld van ongestoorden
vrede te midden van den strijd. Een grootsch krijgslied zingt hem de
stroom, en vredeteekenen bieden hem de palmen. Geene plaats was
geschikter ter vereering der godheid, aan wie deze tempel gewijd was.
In deze eenzaamheid, in zulk eene omgeving moesten wel de harten der
jonge priesters, die hier door de wijsten der kaste werden onderwezen,
voedsel en leven ontvangen, om zich naar het heilige en verhevene te
richten, en de beteekenis leeren verstaan van de in mysteriën gehulde
leerstellingen, het gesluierde beeld van Saïs aanschouwen.
Onder de goddelijke drieëenheid, aan welke de tempel van Phile gewijd
was, Isis, Osiris en Horus, stond Isis bovenaan. „Isis, de groote
godin, de koningin des hemels, de gebiedster aller goden en godinnen,
die met haar zoon Horus en haar broeder Osiris in elke stad vereerd
werd, de hoog verhevene, goddelijke moeder, de gemalin van Osiris, zij
is de gebiedster van Phile,” zoo luiden de opschriften in den tempel
zelf. Inscripties in de velerlei karakters, welke in de verschillende
tijdvakken der Egyptische geschiedenis in gebruik waren, verhalen ons
echter ook van veranderingen, die de tempel in den loop der tijden
onderging, tot eindelijk de christen-priesters, die de dienaren van
Isis waren opgevolgd, door de Arabieren uit het heiligdom verdreven
werden.
Heden ten dage ligt Phile grootendeels in puin. In plaats van de
feestliederen der priesters hoort men er nu slechts het eenvoudig
gezang van den woestijn-leeuwerik; maar de stroom zingt nog hetzelfde
lied als voorheen, en even majestueus als voor duizenden jaren. Het
eiland is eene woestenij geworden, maar de vrede des tempels is
gebleven. En in weêrwil van alle veranderingen is nog steeds het eiland
een sieraad van den eersten katarakt.
Van hier af naar boven wordt de Nijl langs eene groote uitgestrektheid
weêr vrij van rotsen, maar is toch niet bij machte zijn zegen buiten de
oevers te verspreiden. Met inspanning tracht de mensch de hem elders
vrijwillig verleende gaven den stroom af te dwingen. Het eene scheprad
na het andere beurt krijschend het levenwekkende vocht op den smallen
oeverzoom. Op de meeste plaatsen echter dringt de woestijn met haar
rotsmuren zoo dicht tegen den oever, dat er geen ruimte meer overblijft
voor een enkelen akker of een klein palmenwoud. Langs groote
uitgestrektheden ziet men hier niets dan dwergachtige onkruidplanten,
tusschen welke het gele drijfzand gestadig naar de diepte rolt, als
wilde het de woestijn bijstaan in het behalen der zege over den
goddelijken weldoener van het bebouwde veld.
In het zuiden van Wadihalfa, het zuidelijkste grensdorp der bedoelde
landstreek, woedt weder het door rotseilanden omsloten Nijlwater.
Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich
uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders
aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het
gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het
geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en bruist,
spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken
aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de
hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers;
dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is
echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door
tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el
Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende
stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië
en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets
dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit
steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en
tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo
samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van
twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten
stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst;
zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend
heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de
ingewanden der aarde opgeweld.
De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want
slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege
gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den
sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert
hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en
bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker
rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet
bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des
levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond
de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde
zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van
lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe
twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren
eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de
golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds
vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na,
die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de
golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen
levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen.
Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht hetzelfde
dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal.
In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en
schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een
sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied
eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s
fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet,
een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel
sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere
soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den
trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van
andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika,
volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen
echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat
is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook
bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood
vinden.
En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn
menschen, die deze hun vaderland noemen.
Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige
stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt.
Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige
oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de
arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een
rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een
slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van
de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib
afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien;
eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt
hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water
blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich
steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei;
tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman
tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden
veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het
plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en
in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo
iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo
arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting
van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in
deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet
elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het
doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank
jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart
in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden,
ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad
voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden.
Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der
verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden;
stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder
bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als
vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op
en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de
schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of
bebouwde akkers ontmoet.
Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare
landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal
waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door
deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd,
neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen
rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig
leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen,
die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der
woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met
een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s,
die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den
keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger
bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste
doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een
even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels
verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn,
die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen
zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat
alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en
scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie
verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om
de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de
zandbanken der rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten;
nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de
schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der
golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in
de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen.
Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de
bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en
onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend
land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t
oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm
als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet;
goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide
zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven
een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn
minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde
steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van
rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten,
wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan
beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever
begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan
honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk
kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te
waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering
aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen
zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof
de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en
wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had
gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom,
schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een
bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende
oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich
gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten,
gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn
vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der
stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om
lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te
verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met
Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het benedengedeelte
der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen
muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen
vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch
voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom
b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top
zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet,
maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar
toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts
gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de
levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het
kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen
afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch
maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers
aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van
veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de
omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op
het gemoed werkt.
Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen
en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu
voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere
bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen
doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar,
bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige
stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst
der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het
land van de katarakten van den Nijl.
Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats
gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn
naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van
laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in
lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden
en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande
beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er
is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.”
De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude
Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en
Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls
ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde Blemyers,”
tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede
de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met
gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal,
waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in
vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten
gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer
schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben
nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der
woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle
Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het
„hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en
gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der
Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den
anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag
ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den
invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate
het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en
weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een
onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich
boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en
zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze
over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder
even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner
onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër
erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman,
inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende
Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist,
maar is op zijne beurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren
bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij
zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt
zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs
gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te
blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren,
terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen
en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den
onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten
te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een
slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te schudden,
niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk
verleden spreekt.
En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote
daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de
Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en
de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en
beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat
zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van
vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden
bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik
een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten
einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk,
dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb,
vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening.
Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede
grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de
door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had
overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den
beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam,
wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel
onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun
midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om
zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw
te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar
en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger
volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een
strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en
stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen
werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken
hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den
strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti
tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar
ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover
geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon
waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne
kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan
te vuren, aan de strijdende vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen
en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met
een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die
dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne
lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op
de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid,
maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der
vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling
greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke
slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij
honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom.
De vluchtelingen werden door de woestijn aan weêrszijden der rivier
belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen
andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen
nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars.
Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der
opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr,
d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in
zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar
onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon
en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor
Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle
booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr
onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te
noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te
treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden
zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken
van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige
beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met
doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken;
om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het
voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde
kameelvoeder te leveren.
Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik
zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle
officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk
verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren
vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal.
Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en
dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht,
feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De
lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid
opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de
lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen
bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild
gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine
jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de
koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer
zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de
feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen
de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan;
honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens
in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in
de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht;
vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde
haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren
den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende
stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de
vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht
weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van
hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een
enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood.
Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de
wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar
geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en
knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter
bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen
nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in
afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en
brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de
ontzettende tijding.
Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den
beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi,
verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan de helft
van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke
wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te
ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling
buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns
zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die
ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers
gebleven.
De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig
groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine,
goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename
gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen,
alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de
vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het
gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd,
maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot
in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding,
loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en
bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van
de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De
mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de
kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het
hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de
wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes
tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken
en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad
vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op
reis de lans, zijn de wapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich,
naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen
zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar
in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met
schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een
ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en
aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen
blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas,
kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen
met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met
zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen
afhangend schort om de lendenen, terwijl zij zich den omslagdoek in
schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens
loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar
vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld,
soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen.
Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of
min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde
tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf
uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld.
Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent
toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve
huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met
ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats
„Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs
waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier
of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des
graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken,
uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz.
ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens,
vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten
schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn,
maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat
voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter
en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg
verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt
gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk,
dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd
vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs
is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge
van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een
begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker.
De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls
vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen
gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in
het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen
vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den
Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als
onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren
leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de
geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren
en Turken.
Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn
vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de
voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als
hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke
gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het
vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den
koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die
hem nieuwe plichten zouden opleggen.
Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig,
onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In
Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke
en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot
een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen,
die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel
oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t
algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem
heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom
nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en
goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder
vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of
gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land,
waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met
eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt,
ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn
mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een
voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en
geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet
minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en
onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die
stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar.
Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw
dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan,
een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend,
onverschrokken schipper.
De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op te
leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen
zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de
kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor
allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten
geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t
een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij
moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind
nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het
vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen
tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat
men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de
halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat
de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen
vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen
geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij
met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander
behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en
ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld
bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en
meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den
vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld,
waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij
leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij
eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten,
den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen
spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes
dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap
voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte
rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de
vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die
eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der
jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij
over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende
windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems
klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de
vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort
hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen,
maar ook de vurige medespelers schuwen een bad niet, en knapen en
meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en
schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden
gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald
der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte
overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner
kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit
schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den
moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten
bekennen, dat wij nergens levenslustiger, opgewekter wezens gezien
hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der
Nubische woestijn.
Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de
stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de
kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze
op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot
behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden
vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen
ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers
het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en
sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en
watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne
beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp
en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het
kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de
stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en
draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van
den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog
meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden
voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den
schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op
te nemen.
De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren,
naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den
laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot
verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste
zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te
brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden
om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te
trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet
door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te
weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te
zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts
te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart
stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens
een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden.
Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de
stroomversnellingen, onderscheiden zich zoowel door hare geringe
grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van
alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal
ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met
elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van
driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp
van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind
blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn;
de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle
wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam
veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het
dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte
van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men
den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend
overwinnen.
Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij
zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen
rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op
alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan
twintig tusschen de donkere rotsen blinken. Aanvankelijk blijven de
vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen
stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene
scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat
het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur
ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste
boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen
wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot
gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot
verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware
kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk
krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch
maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil
noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen
hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de
eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t
gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde
zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als
een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de
draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is.
Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende
touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de
boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en
in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman
dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere
zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden;
verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste
matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal
poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt
zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel
staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water
maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt
een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de
golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen
draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het
komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven.
Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden
van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl
hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven
uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en
bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij
inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een
teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog
eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het
bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit
laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een
angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik
zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en
in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren.
Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een
ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen,
aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen
met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek
te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig
voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het
donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden
uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren en
stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om
een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de
boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een
zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr
wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen
in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er
het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks
geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van
den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder
ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks
ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp.
Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en
bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze
boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle
dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde
scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten
einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert,
bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen,
waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland
boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun
krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden,
bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht
van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden
evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar.
Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een
dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan
het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen,
zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden.
Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte
rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en
neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men
zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust,
schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en
ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft
elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door
zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke
windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het heldere
legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de
donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren,
geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog
spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij
honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze
heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De
geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men
rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede
doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen
de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere
verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen,
rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van
het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt
vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een
ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten
van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel
omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren
zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte
rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het
onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en
nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen;
en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en
eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke
muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt
men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den
voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met
dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid
en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de
eene stroomversnelling na de andere achter den schipper.
De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis
stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door
vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en
rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven.
Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle
stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en
voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt
op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal
schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de
ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet
altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd
worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om
eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken.
Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen
van zulk eene vaart stroomafwaarts.
Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout
getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt,
liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen,
aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen
rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht
hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het
leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid
hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt
naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor
het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde”
van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning
aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een
of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene
mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering
van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een
afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de
booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch
gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom.
Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post
in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des
Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen,
n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over
en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen
begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o
Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!”
Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en
altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds
den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de
stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of
schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller
dompelen de roeiriemen in het zwarte water, en het zweet druipt van de
bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen
naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking.
Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en
bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van
den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer
of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht
aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd,
verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en
verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan;
de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem
ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren.
„Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht
naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen;
geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij
geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de
vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u,
honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij
christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders!
Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt
gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm?
Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden!
Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige
jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en
uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij
krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn
rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het
onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den
meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog
daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de
voeten en de handen.
De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De
rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende
water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de
bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de
eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op
aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den
spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden hebben
ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als
broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar
dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij
drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt
ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën
aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden
zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak volgt, terwijl de
ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan
water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn
voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij
dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen
naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen
leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd.
Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke
stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de
roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een
hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in
den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond
begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven
beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven,
terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en
wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand,
voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen
en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot
rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede
boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord.
Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen
zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen,
wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de
slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings
onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling
jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien,
anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom
anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft
met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt
uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is
verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende
vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard
uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die
reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een
geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar
geheele geslacht!
De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan
drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling,
doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het
vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers
gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine
mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den
palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door
het gelukkige land.
Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der
Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de
bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling
bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de
eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug;
men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste
stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp
Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met
rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal.
Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen
Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen
liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den
arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op
veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder.
De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal
donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham
weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen
omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen
geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn
schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd
opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der
vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken,
„gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te
wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn
hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud
man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u
waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen.
Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals
ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht
versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven
toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij over de rotsen
stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en
alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig
scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het
hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de
barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan
moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!”
Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit
verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom
bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den
oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en
de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna
het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des
strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van
de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den
Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen,
tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den
weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg
derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen,
mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en
slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water.
Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste
versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen
gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over
elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en
maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven
omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over
de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede
versnelling.
Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met
betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor
den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door
schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven
de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig,
hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam
des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere,
koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord,
bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet
zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt
door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde
der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken
aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de
roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten
einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te
worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts
wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder
goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven
den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis.
Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos
verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar
dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende
wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der
heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en
geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte;
Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat
naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der
dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere
verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het
gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl
draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de
vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in
duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap
bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der
wereld!”
Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde
booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in
schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken,
gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde
soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras
toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen
vrouwen en meisjes.
De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den
aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een
onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester; hun
zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na
den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De
taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand,
en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen.
In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt
nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen,
met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar
omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de
golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het
geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het
heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van
gouden droomen.