Aan den zoom der woestijn, onder de schaduw van een palmboschje, staat
eene kleine tent. Een aantal kisten en balen liggen in bonte
afwisseling rondom die tent op elkander gestapeld. Iets verder naar
buiten staan, zitten en liggen eenige Nubische knapen, feestelijk
uitgedost, d.w.z. versch met huidzalf ingesmeerd.
Binnen in de tent verwijlen ettelijke reizigers, die per Nijlbark tot
hier kwamen en van plan zijn een grooten boog af te snijden van den
Nijl, die van deze plaats af vol klippen en stroomversnellingen is,
m.a.w. zij willen door de woestijn trekken, die gedeeltelijk door
genoemden stroom wordt ingesloten.
Het is middag. De zon staat bijna loodrecht boven de tent aan een
wolkenloozen, donkerblauwen hemel; haar brandende stralen schieten
haast ongehinderd door het losse gebladerte der dadelpalmen. Een
zengende hitte drukt de vlakte tusschen den stroom en de woestijn; de
luchtlagen sidderen en golven over den verhitten grond, zoodat alle
voorwerpen eene verwrongen gedaante aannemen en zich hullen in een
dicht nevelwaas.
Aan den horizon wordt eene ruiterbende zichtbaar, die uit de woestijn
te voorschijn kwam en rechtstreeks den weg inslaat naar de tent, zonder
acht te geven op het meer landwaarts in gelegen dorp. Donkerbruine,
armoedig gekleede mannen, bij de palmen aangeland, stijgen van hun
magere, maar niettemin edele paarden. Een hunner nadert de tent en
treedt met de majesteit eens konings naar binnen. Het is het opperhoofd
der kameeldrijvers (Scheik el Djemali), tot wien wij—de straks bedoelde
reizigers—eene boodschap hadden gezonden, ten einde hem te verzoeken
ons van de benoodigde dragers, drijvers en kameelen te voorzien.
„Heil zij u!” zegt hij bij het binnenkomen en brengt bij dien groet de
hand naar mond, voorhoofd en hart.
„Heil, ook u o Scheik! met u, de genade Gods en Zijn zegen!” luidt
antwoord.
„Groot was mijn verlangen, u te zien, o vreemdelingen, en uwe wenschen
te vernemen,” aldus verzekert hij, middelerwijl zich neêrlatende op het
kussen naast ons, en wel ter rechterzijde, op de eereplaats.
„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen, o Scheik, en u
zegenen!” geven wij tot antwoord, terwijl wij aan onze bedienden
gelasten hem nog vóór ons zelf van versch aangestoken pijpen en koffie
te voorzien.
Met half dichtgeknepen oogen laaft hij zijn sterfelijk lichaam aan de
koffie, en zijn onsterfelijke ziel aan de pijp; in dikke wolken hult
hij zijn achtbaar hoofd. Een bijna ademlooze stilte heerscht in de
tent, die bewierookt wordt door den geur der kostelijke Djebeli-tabak,
terwijl een lichte, aangename rook de ruimte opvult; eindelijk, meenen
wij, kunnen, zonder ons aan onhoffelijkheid schuldig te maken, de
onderhandelingen, het doel van de komst des scheiks, een aanvang nemen.
„Hoe is het met u, o Scheik?”
„De Gever alles goeds zij geprezen!—zeer goed, om u te dienen. En hoe
gaat het met u?”
„Den Heer der wereld zij roem en eere; ik ben zeer wel. Groot was ons
verlangen, u te zien, o Scheik!”
„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen en u zegenen! Is uw
gezondheid geruststellend?”
„Allah en zijn profeet,—Gods genade over hem,—mogen geprezen zijn.”
„Amen, het zij zoo, gelijk gij gezegd hebt.”
Nieuwe pijpen verkwikken de onsterfelijke ziel; nieuwe, eindelooze
beleefdheidsbetuigingen worden gewisseld; daarna eindelijk veroorlooft
de étiquette, zaken te behandelen.
„O Scheik, ik wil met de hulp des Albarmhartigen de woestijn
doortrekken.”
„Moge Allah u geleiden!”
„Zijt gij in ’t bezit van rij- en lastkameelen?”
„Ik ben het! Bevindt gij u wel, mijn broeders?”
„De Verhevene zij geloofd; het is gelijk gij zegt. Hoeveel kameelen
kunt gij mij verschaffen?”
Inplaats van te antwoorden, blaast de Scheik dikke rookwolken uit en
eerst nadat ik mijne vraag herhaald heb, legt de man voor een paar
oogenblikken de pijp uit den mond en zegt zoo plechtig mogelijk: „Heer,
het aantal kameelen van Beni Said kent Allah alleen; een zoon Adams
heeft ze nog nimmer geteld!”
„Zeer goed, zend mij dan vijf en twintig dieren, waaronder zes
rijkameelen. Verder heb ik nog tien groote zakken noodig.”
De Scheik rookt op nieuw zonder te antwoorden.
„Zult gij ze mij zenden, de verlangde dieren?” herhaalde ik dringender.
„Ik zal het doen, om u te dienen; maar hun eigenaars vragen hooge
prijzen.”
„En welke?”
„Ten minste het viervoudige van de gewone loonen en huren wordt
gevraagd.”
„Maar Scheik, Allah, de Verhevene moge u gunstiger stemmen; dat zijn
eischen, die niemand zal inwilligen. Loof den profeet!”
„God, de Behoeder van al wat leeft, zij geprezen en zijn gezant zij
geprezen! Gij dwaalt, mijn vriend; de koopman, die ginds is gelegerd,
heeft mij het dubbele geboden van wat ik vraag. Alleen mijne
vriendschap voor u deed mij zulke geringe eischen stellen.”
Te vergeefs blijkt alle loven en bieden, nutteloos blijken alle verdere
onderhandelingen. Versche pijpen worden gebracht en gerookt, nieuwe
hoffelijkheden gewisseld, de naam van Allah en diens profeet wordt van
weêrszijden misbruikt, de gezondheidstoestand wederkeerig op het
nauwkeurigst vastgesteld, tot eindelijk de westerling het geduld
verliest en de aangeleerde zeden wijken voor de aangeboren gewoonten.
„Weet dan Scheik, dat ik in het bezit ben van een geleibrief van den
Khedive alsmede van Scheik Soliman; hier zijn beide: wat eischt gij
nog?”
„Maar heer, wanneer gij een geleibrief hebt van Zijne Hoogheerlijkheid,
waarom eischt gij niet het hoofd van uw slaaf? Dit is tot uwen dienst
en evenzeer tot den Zijnen. Uwe wenschen draag ik op mijn oogen en op
mijn hoofd. Gij beveelt—uw slaaf gehoorzaamt. De prijzen der regeering
kent gij. Allahs zegen vergezelle u; morgen zend ik u mannen, dieren en
zakken.”
De vreemdeling, die in de meening verkeert dat hiermede alle
toebereidselen tot de woestijnreis afgeloopen zijn, zou daarmede
toonen, geen begrip te hebben van de zeden en gewoonten des volks. Niet
den volgenden dag, gelijk beloofd werd, verschijnen de gehuurde
drijvers en dieren, maar eerst in den namiddag komen deze van
lieverlede opdagen, en niet op den volgenden morgen kan aan het
opbreken gedacht worden, maar ten hoogste eerst tegen den tijd van het
namiddaggebed van den volgenden dag. „Bukra inschallah”—„morgen zoo God
wil” is het wachtwoord en hiertegen valt niet te redeneeren. Inderdaad
is er nog veel te doen, veel te regelen, veel in orde te brengen,
alvorens de reis een aanvang kan nemen.
Een bont en levendig tooneel ontvouwt zich in den omtrek der tent.
Tusschen de bagage beweegt zich eene schare uitgedroogde zonen der
woestijn. Zij schreeuwen ontzaggelijk veel—maar voeren ondertusschen
bitter weinig uit. De op elkander gestapelde kisten en pakken worden
uit elkander gehaald, opgebeurd, gewogen, nauwkeurig in omvang en
gewicht onderzocht, onderling vergeleken, weder bijeengezet en nogmaals
uit elkander gehaald. De eene kameeldrijver poogt den ander te
bedotten, ten einde de lichtste waren voor zichzelf te behouden; het
wordt een algemeen krakeel, een schreeuwen en schelden, een zweren en
vloeken, een bidden en verwenschen. Ook de kameelen, denkende aan
hetgeen hun beidt, doen vlijtig meê; en wanneer zij werkelijk, in
plaats van te brullen, te steunen, te brommen en te klagen, een
oogenblik het stilzwijgen bewaren, dan beteekent dit slechts: onze tijd
is nog niet gekomen, maar zal toch eenmaal aanbreken! Maar de kameelen
mogen meedoen of niet, dit is zeker: de ooren van den westerling worden
gemarteld, ja verscheurd door de mengeling van stemmen en kreten, die
alle tegelijk door de lucht weêrklinken. Uren lang duurt dat gewemel,
dat geharrewar, dat geraas, en eerst wanneer men het eindelijk over de
lading eens is geworden, of wellicht het getwist moe werd, is het
voorspel ten eind.
Na het sluiten van den vrede begint men de meêgebrachte vezels van den
dadelpalm in een te draaien om er strikken en touwen van te maken; nu
worden de kisten en balen op vernuftige wijze met deze koorden
omwonden, en worden er lussen aan gemaakt, om twee pakstukken even snel
aan het kameelzadel te kunnen vasthechten als er weder van los te
maken, men herstelt nog ijlings de medegebrachte netten, wier
bestemming is de kleinere pakjes in zich op te nemen, en wendt zich
daarna tot de groote en kleinere lederen zakken om deze te onderzoeken,
en zoo noodig, ook nog in de haast wat op te kalfateren en met eene
stinkende, uit het zaad van kolokwinten bereide teer van buiten in te
smeren. Het in de zon gedroogde vleesch wordt ook nog eens aan een
zorgvuldig onderzoek onderworpen, men vult eenige uit boombast
vervaardigde zakken met kafferkoren of doerra, andere met houtskolen,
nog andere met kameelenmest, spoelt de lederen zakken van buiten af,
vult ze met frisch water en besluit den langdurigen arbeid met een
algemeen, op lagen toon uitgestooten „El hamdu lillahi”—God zij dank!
Al deze toebereidselen worden geleid door den Chabir of aanvoerder der
karavane. Al naar de belangrijkheid van den tocht neemt deze eene
lageren of hoogeren rang in, maar steeds moet hij zijn, wat zijn naam
uitdrukt: een kundig man, iemand, met den weg en alle voorkomende
omstandigheden vertrouwd. Van beproefde ervaring, rechtschapen,
verstandig, moedig, dapper, deze eigenschappen zijn de noodzakelijke
vereischten voor zijn moeilijk, soms gevaarlijk ambt. Hij kent de
woestijn even als de schipper den Oceaan, is vertrouwd met de sterren,
in elke oase, en aan elke bron tehuis, welkom in de tent van iederen
Bedoeïnen- of trekherdershoofdman, onuitputtelijk in middelen om de
gevaren en bezwaren van den tocht te boven te komen, weet slangenbeten
en schorpioensteken onschadelijk te maken of althans de smarten der
gewonden te verzachten, hanteert het oorlogswapen even vaardig als het
jachtgeweer, heeft het woord van den profeet op de lippen en in het
hart, spreekt de „Fatiha” telkenreize, als men weêr opbreekt, is
Moeeddin en Imam op de voorschreven tijden,—met één woord, hij is het
opperhoofd van het veelledig lichaam, dat de woestijn doortrekt. In die
woeste gedeelten, waar niets den weg aanduidt, dien andere karavanen
hebben gevolgd, waar achter de verzenen van den laatsten kameel de wind
elk spoor uitwischt van al de vorigen, ontdekt hij teekens, die niemand
anders ziet, en vindt hij den rechten weg. Wanneer de droge,
onheilbrengende woestijndamp het licht der sterren verduistert, gaat
voor hem eene geestelijke ster op; hij keurt het zand, meet deszelfs
golven, merkt de richting en ondervraagt den grashalm naar de
hemelstreek. Blindelings volgt hem de geheele karavaan, en vol
vertrouwen stelt de reiziger zijn lot in diens handen. Overoude,
gedeeltelijk zeer eigenaardige, nimmer beschreven en toch een ieder
bekende wetten stellen hem verantwoordelijk voor het welgelukken der
reis, voor het leven der afzonderlijke personen, wanneer althans geen
beschikkingen van het noodlot, waartegen niemand iets vermag, hier
hinderend in den weg treden.
In het heilig uur, omstreeks het namiddaggebed, stelt zich de
aanvoerder voor het aangezicht der reizigers en drijvers, om hen aan te
kondigen, dat alles gereed is, zoodat men op kan breken. De bruine
mannen verspreiden zich ijlings in alle richtingen om de kameelen op te
vangen, deze te zadelen en te beladen. Vol tegenzin gehoorzamen deze
dieren, die er een voorgevoel van schijnen te hebben wat hun wacht. Een
aantal moeilijke dagen teekenen zich met schrille kleuren voor hun
geest af. Thans is hun tijd gekomen. Brullend, schreeuwend, knorrend,
laten zij zich op de saamgebogen voorste ledematen neder, hiertoe door
hun gebieders aangemaand met ettelijke onverstaanbare keelgeluiden en
zachte zweepslagen; brullend onderwerpen zij zich, wanneer de last op
den bultigen rug wordt gelegd; brullend staan zij op, wanneer de hun
toegedachte last is ontvangen. Velen verzetten zich door te slaan en te
bijten tegen het beladen, en er behoort inderdaad een onuitputtelijk
geduld toe, zulke weêrbarstige schepsels tot rede en plicht te brengen.
Maar geduld en takt behalen zelfs de overwinning op kameelen. Op
hetzelfde oogenblik dat het dier zal gaan knielen, treedt een der
drijvers op de saamgebogen voorpooten en grijpt snel het bovendeel van
den getanden bek om door een druk op den neus elk oogenblik de
ademhaling te kunnen beletten; twee anderen beuren den aan beide kanten
gelijk verdeelden last op het draagzadel, terwijl een vierde de
hechtpennen door de lissen schuift. Het dier is bevracht nog voor het
recht tot bezinning is gekomen. Zijn alle kameelen beladen, dan vangt
de reis aan.
Maar nu worden ook de uitstekend gezadelde rijdieren voorgebracht.
Iedere reiziger bevestigt de voor hem onontbeerlijkste
reisbenoodigdheden en wapenen op en aan het hooge, komvormige, voor den
bult aangebrachte zadel, en maakt zich gereed zijn rijdier te
beklimmen. Voor den nieuweling is zulks gewoonlijk noodlottig. Men moet
met een forschen sprong in het zadel springen en de kameel staat op
zoodra de ruiter het zadel aanraakt. Ruksgewijze staat het dier op,
eerst steunende op het handgewricht, dan op de lange achterpooten en
daarna op de voorpooten. Bij den tweeden ruk wordt de
leerlingkameelrijder gewoonlijk uit het zadel geworpen, om zijne
moeder, de aarde te kussen, of hij valt op den hals des diers, waaraan
hij zich nu tracht vast te klemmen. Maar de kameel is veel te slecht
van humeur dan dat hij zoo iets als eene grap of een ongeluk zou
opvatten. Een boosaardige kreet ontsnapt aan zijne leelijke lippen; hij
loopt met het aan zijn hals hangend, niet zeer benijdenswaard
menschenkind snel weg, en schudt dien zoolang en zoo hevig, totdat
ruiter en last beide zijn afgeworpen. Het duurt geruimen tijd voor de
westerling heeft geleerd hoe het aan te leggen om vast in het zadel te
blijven zitten terwijl het dier opspringt. Het middel evenwel is
eenvoudig; men moet op het juiste oogenblik het bovenlichaam naar voren
en naar achteren buigen.
Wat ons betreft, wij werpen ons met de behendigheid van inboorlingen in
het zadel, klappen met de zweep om het dier tot loopen aan te zetten,
houden het door middel van een dunnen neustoom in bedwang, en snellen,
den aanvoerder volgende, vooruit. Onze rijkameel, een slank, licht
gebouwd, hoogbeenig dier, vervalt oogenblikkelijk in dien
gelijkmatigen, aanhoudenden, wijdgestrekten en daardoor ongemeen
vorderenden draf, waaraan men het van zijn jeugd af aan gewend
heeft—waardoor het dan ook zich gunstig onderscheidt van alle andere
lastdieren—en kleeft als het ware aan de voetzolen van zijn voorganger.
De dieren strekken allen hun kleine koppen recht vooruit; vaardig en
licht bewegen zich de pooten onder het lijf; een wolk van stof en
steentjes wordt in de lucht geworpen. De boernoe’s fladderen in den
wind; wapens en gereedschappen kletteren tegen elkander; een aansporend
geroep weêrklinkt door de lucht—de reislust ontplooit de vleugels der
ziel. Weldra is de vooruitgegane goederenkaravane ingehaald, weldra
zijn de laatste sporen van menschelijke woonplaatsen uit het gezicht
verdwenen, en naar alle zijden strekt zich de eindeloos schijnende
woestijn uit.
Van alle zijden scherp begrensd, bedekt dit uitgestrekte, eigenaardige
rijk het grootste deel van Noord-Afrika, van de Roode zee tot den
Atlantischen oceaan, van de Middellandsche zee tot de steppe, geheele
landen in zich sluitende, vruchtbare landstreken omgevende,
duizendvoudig afwisselende en in hoofdtrekken toch zichzelf gelijk
blijvende. Dit wonderrijk gaat in vlakte-inhoud Duitschland negen- à
tienmaal, de Middellandsche zee drie- à viermalen te boven. Geen
sterveling heeft het voor goed doorvorscht, niemand heeft het nog in
zijn geheel doorreisd; maar ieder inboorling, die het betrad en er een
gedeelte van doortrok, werd tot het binnenste van zijn gemoed getroffen
door deszelfs grootte en majesteit, door de bekoring en den schrik, die
er van uitgaan; een ieder, tot den meest prozaïschen westerling, die er
vertoefde, heeft zich den zengenden zonnegloed zijner dagen, den
hemelschen vrede en de fantastische droombeelden zijner nachten, de
tooverijen zijner verhitte, sidderende lucht, de vreeselijkheid zijner
bergenbewegende stormen, onuitwischbaar, onuitdelgbaar in de ziel
geprent, en velen verging het wellicht als de geboren zoon der
woestijn—hij verlangde met smart naar haar terug te keeren; hij
wenschte nog slechts eenmaal een enkelen dag, een enkel uur in haar te
ademen, nog eenmaal in werkelijkheid de beelden te aanschouwen, de
„onuitgesproken akkoorden” in de ziel doen sidderen, die de woestijn in
de harten van dichterlijk gestemde menschen opwekt en te voorschijn
roept; een innig heimwee beving zijn ziel.
Werkelijk en waarachtig, zij is „El Bahhr bela maa”—de zee zonder
water, een pendant van den Oceaan. Geenszins afhankelijk van dezen,
gelijk de andere deelen der aardoppervlakte, want in haar gaat de macht
van het levenwekkend en onderhoudend element te niet. „Het water
omsluit rustig het al”—de woestijn alleen omsluit het niet. Over de
geheele wereld dragen de winden de boden der zee, de wolken—maar deze
verdwijnen voor de gloeihitte der woestijn. Zelden ziet men in haar een
lichten, nauw waarneembaren nevel, zelden aanschouwt men er in den
vroegen morgen op de bladeren den vochtigen adem van den nacht. Morgen-
en avondrood zelfs zijn hier slechts een waas, dat terstond na zijn
geboorte weder wordt opgelost. Overal, waar het water de heerschappij
erlangt, herschept het de woestenij in een vruchtbaar landschap, al zij
het nog zoo gering, maar op dezelfde plaats, waar dit eindigt, treedt
wederom de andere scherp begrensd in ’t leven. Waar de laatste, door
het menschelijk vernuft boven den stroomspiegel omhoog geheven golf van
den goddelijken Nijl in het zand verdwijnt, verschijnt de woestijn; de
eene voet des reizigers, die de richting naar de Nijlbergen inslaat,
staat in het groene korenveld, de andere in de woestijn. Want het is
niet zoo zeer het zand, dat den plantengroei belemmert, maar veeleer de
verzengende, schroeiende hitte, die in dat zand heerscht. Op plaatsen,
waar het vochtig wordt gehouden, waar nu en dan het water er overheen
vloeit, vlijt zich zelfs midden in de woestijn een vriendelijk, groen
tapijt over de anders dorre aarde, en ontspruiten ook daar struiken en
boomen.
Arm, onbegrijpelijk arm is de woestijn, maar dood daarom niet,
allerminst voor hen, die er leven zoeken en dit weten op te sporen.
Hij, die met een stompzinnig oog door de woestijn trekt, ziet voorzeker
niets dan zandige vlakten en rotskegels, kale laagten en naakte
gebergten, ziet wellicht zelfs de spaarzaam verspreide rietachtige
grassen en struikachtige boomen der diepere kommen over ’t hoofd, en
eveneens de weinige levende wezens, die ook hier nog verblijf houden;
maar hij, die de kunst van zien verstaat, ziet oneindig meer. Voor
stompzinnige menschen is de woestijn niets anders dan een gebied van
verschrikking; zij laten zich door de hitte, die hier des daags
heerscht, zoo zeer ter neêr drukken, dat zelfs de heerlijke nacht hun
geen troost, geen vernieuwde kracht meer schenken kan; zij rijden
moedeloos de woestijn in en verlaten haar huiverend; zij hebben enkel
gevoel voor het ontzettende, enkel gevoel voor de bezwaren der
woestijnreis—voor het oneindig verhevene der woestijn is hun hart te
klein. Wie haar werkelijk leerde kennen zooals zij is, oordeelt anders.
Arm is de woestijn, maar dood is zij niet. Reeds de gesteldheid des
bodems, al moge deze ook in ’t algemeen zijn karakter getrouw blijven,
is aan velerlei afwisseling onderhevig. Ver in het rond is hier de
woestijn eene rotszee met kegels van uiteenloopenden vorm, steil
afdalende wanden, diep ingesneden ravijnen, scherp gekante graten en
vreemdsoortig op elkander gestapelde toppen, die nu eens door den
voortdurend waaienden wind met zand worden bedekt, dan hiermede worden
opgevuld, straks daarvan bevrijd. Maar onophoudelijk worden zij
bewerkt, gepolijst, uitgehold, gescherpt en toegespitst. Zwarte, in de
zon gloeiende zandsteen-, graniet- en syenietmassa’s, zeldzamer kalk-
en leigesteenten, hier en daar ook nog vulkanische vormingen, bouwen
zich op tot ketens van sterk sprekenden vorm; de wind, die altijd uit
denzelfden hoek waait, berooft ze van elke bedekking, drijft het fijne
zand zonder verpoozing over de kruinen, om deze wanneer de wind tot een
storm is aangegroeid, als in een dichten sluier te hullen, die dan
eerst verdwijnt wanneer het zand over de hoogste toppen is
heengestoven, om aan de luwzijde van het gebergte goudgele uit het
fijnste rolzand bestaande lagen te vormen, die ettelijke meters hoog
boven elkander gelegerd, eeuwig in beweging zijn, voortdurend naar
beneden schuiven, bestendig weêr van de andere zijde aangevuld worden
en uit de verte er uitzien als breede, scherp tegen de donkere
hellingen afstekende, bij gunstige verlichting zelfs schitterende
linten. Zulke gebergten kan men gerust de kleinoodiën der woestijn
noemen. Hij, die het gloeiende zuiden niet kent, is niet bij machte,
zich den ongemeenen kleurenrijkdom, den glans, de oneindige
bekoorlijkheid voor te stellen, die het weelderige zonnelicht op de
eenzaamste, wildste en dorste gebergten in ’t leven roept. Het gebergte
der woestijn draagt nimmer een vriendelijk, groen woud; ten hoogste
veroorloven de hoogste toppen een kwijnend bestaan aan eenig laag
struikgewas, dat in het daar neêrgeslagen vocht in staat wordt gesteld
een schraal voedsel te vinden; deze bergen derven het gelispel der
beuken, het ruischen der dennen en pijnboomen, het zoet gemurmel, of
lustig geklater en luid gebruisch van stroomende wateren, die zilveren
linten slingeren om onze hooggebergten, deze omlijsten met groene
planten, en elders de kleuren van den regenboog tooveren in het schuim
van watervallen en stortbeken; de bergen der woestijn derven het
sneeuw- en ijskleed, waarover het avond- en morgenrood een purperen
weêrschijn spreidt, en dat de middagszon omkleedt met een schitterend
gewaad; zij derven het sappige, frissche groen der weiden, in ’t kort
alle bekoorlijkheid en liefelijkheid van de hooggebergten der
noordelijke streken des aardbols, en toch zijn zij schier even rijk als
deze in kleurenpracht, ja winnen het misschien in verhevenheid en
grootschheid van gene. Elke afzonderlijke gordel, elke kleur komt tot
gelding. En toch zijn het minder deze, dikwijls zoo levendig gekleurde,
soms schril van elkander afstekende lagen, maar nog in veel hoogere
mate de spitsen, tanden, rillen, reten en ravijnen der woestijnbergen,
die door het voortdurend schuren van het zand de sierlijkste en
wonderlijkste vormen erlangden, en waarop het hemelsche licht een
heerlijk kleurenspel te voorschijn toovert. Onafgebroken wisselen licht
en schaduw met elkander af; voortdurend ontstaan en verdwijnen de
kleuren en tinten, en dit schouwspel is zoo aangrijpend, dat wij schier
onze bezinning er bij verliezen. Ook de bergen der woestijn bedekken
zich met purper in de omarming der eerste en laatste zonnestralen; ook
over hen trekt de verte een blauw, aetherisch waas; ook zij leven, want
zij erlangen leven door het licht.
Op andere plaatsen is de woestijn mijlen in ’t rond zoo effen als een
spiegel of ten hoogste eenigszins golvend van oppervlak. Een fijn,
goudgeel zand ligt er over uitgestrooid, waarin menschen en dieren
eenige centimeters diep inzakken. Hier ziet men dikwijls geen enkelen
grashalm, geen eenig levend wezen. De blauwe, meestal effen hemel rust
als een koepeldak op deze goudgele vlakte en brengt er het zijne toe
bij om zulke plaatsen op eene zee te doen gelijken. De voetsporen van
het schip der woestijn worden even schielijk uitgewischt als zij er in
afgedrukt werden, geen pad is zichtbaar, zelfs niet de geringste
aanduiding van een pad; het kompas werd ook voor zulke plaatsen
uitgevonden. Afwisselender, ofschoon niet aangenamer zijn andere
gedeelten, welker bodem gevormd wordt door een los, aardachtig, of
stoffig zand, en waarin vergiftige kolokwinten of geneeskrachtige
sennah ontspruiten. Hier wisselen langgestrekte, lage heuvelrijen af
met vlak-komvormige, smalle dalen, waarover een uit de verte beschouwd
er frisch uitziend tapijt van de zoo even genoemde planten ligt
uitgestrekt. Menschen en dieren mijden zulke streken, omdat zoowel de
te voet gaande kameeldrijvers als de kameelen zelf dikwijls een voet
diep in den lossen grond zinken. Weer andere gedeelten zijn met grof
grint en vuursteenen, hier en daar ook wel eens met sterk ijzerhoudende
en met zand gevulde holle kogels bedekt, welke laatste er uitzien,
alsof zij door ’s menschen hand waren gevormd, ofschoon men hunne
ontstaanswijze nog niet met juistheid heeft kunnen verklaren. Eene
enkele maal vindt men op deze plaatsen, alwaar de voetstappen der
kameelen blijvende sporen achterlaten, zoodat men hier van
woestijnwegen kan spreken, duizenden van kwartskristallen, of
afzonderlijk, of groepsgewijs,—in z.g. kristalklieren,—die doen denken
aan door eene kunstenaarshand geslepen brillanten. De zon toovert met
deze kristallen; die plaatsen schitteren, fonkelen en tintelen op eene
wijze, dat het oog zich verblind af moet wenden. In de diepste laagten
vormt een stoffige aarde den bodem en hier vindt men onfeilbaar de
carexachtige, maar zeer harde, droge, scherpkantige, zwartgroene halfa,
schermvormige mimosa’s, misschien zelfs tompalmen, die getuigen van
meer vriendelijk leven.
Maar ook de dierenwereld heeft zijn aandeel in het overal optredende
leven. Wie de woestijn een doode wildernis noemt, dwaalt evenzeer als
hij, die meent, dat zij de woonplaats is van den leeuw. De woestijn is
te arm om leeuwen te voeden, maar rijk genoeg om duizenden andere
wezens te onderhouden. En alle in haar levende dieren zijn te
merkwaardiger, omdat zij zich in alle opzichten zoo zeer kenmerken als
echte kinderen der woestijn.
Deze woestijnkinderen hebben een kleed, dat zich steeds op het innigste
aanpast aan de kleur van den grond, zoodat het veelal zandkleurig is.
Maar meer nog dan door dit kleed onderscheiden zij zich door een
lichten en sierlijken lichaamsbouw, door opmerkelijk groote, ongemeen
scherpziende oogen en fijnhoorende ooren, terwijl hun geheele voorkomen
zelfbewustzijn en bescheidenheid uitdrukt. Alle in de woestijn geboren
schepselen zijn veroordeeld tot een zwervend leven, want nergens levert
een enkele plek genoeg voedsel te alle tijde op om hen te voeden; maar
de woestijn schonk aan haar kinderen eene door niets geëvenaarde
vlugheid, grenzenlooze onvermoeidheid en eene zich nimmer
verloochenende volharding; zij scherpte de zintuigen, zoodat zelfs het
weinige, dat zij aanbiedt, kan opgespeurd worden, en verleende
eindelijk een kleed, dat zoowel beschermt als verbergt, dat voor den
aanval en bij de vlucht meer dan doeltreffend moet genoemd worden; zij
maakte alzoo haar kinderen geschikt om een, weliswaar sober, maar
daarom geenszins vreugdeloos bestaan te voeren.
Tengevolge van het allen woestijndieren eigen, met de omgeving
ineensmeltend kleed, ontwaart de reiziger, zoo hij niet een geoefend
waarnemer is, althans aanvankelijk weinig van de hem omringende
dierenwereld. Dientengevolge schijnt de woestijn veel armer dan zij
werkelijk is, en zulks nog te meer, dewijl de meeste harer bewoners
eerst tegen de schemering of nog later hun rust- en schuilplaatsen
verlaten om het leven aan te vangen; enkele woestijndieren vallen
evenwel gemakkelijk ook minder geoefende oogen in ’t gezicht. Men moge
de woestijnleeuweriken voorbijzien, alhoewel juist deze vogels op zeer
merkwaardige wijze de overeenstemming tusschen gevederte en grond,
alsmede hunne onevenredig ontwikkelde bewegingswerktuigen in ’t oog
doen vallen, onmogelijk kan men de woestijnhoenders niet opmerken, en
wie achteloos de onderaardsche woningen der springmuizen voorbijrijdt,
diens aandacht zal toch door eene in de nabijheid grazende gazelle
moeten getrokken worden.
Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over
’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te
groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop
omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer
ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen;
daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen
krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en
onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan
in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet
voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene
bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid
ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den
oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld
van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad,
alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij
schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t
gelaat. Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort,
niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt
zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt
zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft
den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden
vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten
tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo
bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die snelle beweging slechts spel
en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige
vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart
overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied
der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar
onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn
voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant
zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs
vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele
oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als
straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die
aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en
voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen,
totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt.
Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds
flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte
en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een
nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op
tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming
onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het
hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in
het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed
ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog
stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der
gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde
zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de
woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is,
eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het
schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der
liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het
zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook
op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de
lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen.
Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden
andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels
loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend
heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij
naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd
schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat
iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t
gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en
horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei
zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge
uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met
uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in
het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich
half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te
koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen
en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou
er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan
bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker
in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af.
Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of
vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde
zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de
overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond,
zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond
uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes
geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien,
en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid
geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem
evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over
de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun
vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in
’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en
sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen,
moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen,
dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die
mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het
zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere
zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat
de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm
uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die
vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels.
En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de
bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog en
hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het
hart van den aan den grond geketenden mensch.
Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide
voorgaande.
Er leeft in de woestijn een soort van losch, karakal geheeten; deze is
veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan
alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de
zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar
gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en
minder rood van tint; er leeft een vossensoort, de fennek, de dwerg der
geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote
ooren.
De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje
van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten,
zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart,
die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere
knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in
snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen
en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel
afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel
ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar,
vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin,
rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad
dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn,
die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van
terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn
een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder
in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës
hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt
de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere
vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de
zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte
rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich
de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder
harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien
zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel
krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn
betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts
grooter wordt.
Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn
ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die
zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de
moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie
hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van
haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een
koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een
moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn
heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote,
de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken
horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten
verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij
verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt
te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra
is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet
zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen.
De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche,
maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de
ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen
van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te
weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen.
Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke
hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug.
Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en
dier daar tegenover.
De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt
stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen
tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de
rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap
vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het
gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze
beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te
breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de
kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte
bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat,
van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de
armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft
aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat
oprijst bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te
verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren
kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen
heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en
is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur,
daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en
dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk
water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs
smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog
sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren,
evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten
met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd
met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen
wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der
reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft
bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter
wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan
de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne
ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren
van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In
het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij
weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de
moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen.
Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende
klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de
goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en
tabak, beklimt dan zijn dromedaris en jaagt met zijn kameraads zoo
schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt
er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische
voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der
kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane
ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle
graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst
welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde
woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met
wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het
dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen;
de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het voorbijrijden,
houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit
het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet
onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de
aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild
meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn
zadel, en verder trekt de schare.
Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de
nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon
een weinig schaduw biedt; strekt zich eene onafzienbare zandvlakte
rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en
het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar
gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend
is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den
inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust,
maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind
door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen;
gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst,
wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de
uren voort.
De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een
nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te
zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men
onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest,
maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde
kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag
geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de
schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt;
wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend
loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de
anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met
hetzelfde slotrijm in.
Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een
kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort
zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na
alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met
zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij
achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste
zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen zakken; de
zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de
heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er
geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog
omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij
thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze
stemming uitlokt.
Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde
kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in
alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op
den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter
kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is
gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de
palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op
zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den
heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die
der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn
oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar
de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat
zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem
evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens
zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens
bevredigt.”
Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij
hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de
laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim
weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn
uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en
alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit
geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en
terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het
zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en
dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig
verlangde rust.
Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte.
Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om
heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht
tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en
gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de kameelen,
die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in
spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot
vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De
eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn
armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat
liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op,
verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in
het leger.
Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter
zijn bij de gratie Gods.
Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd,
doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den
dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de
vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te
gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd
verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den
Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk, Leïla
noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit
hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het
slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier
in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de
zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid
fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der
meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht
gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere,
verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog
dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht
der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die
hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden.
Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan
stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en
verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in
zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij
hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo
buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf
aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed
en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en
onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan
nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en
de oogen zich sluiten.
Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die
schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe
veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur
slechter wordt, te drinken.
Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen,
wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek
aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos
jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken,
die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even
als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op
den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de
avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust.
Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige
verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder
een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de
woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de
diepste dalen.
Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den
Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die
der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende
vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt
zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de
hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts
weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De
meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm,
en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins
drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem.
Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de
oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de
spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet,
althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt,
loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de
mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet
het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel
welkom leven ontkiemen.
Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene
plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze
ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide,
welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en
wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal
verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad,
want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen,
ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een
enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje
vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien,
bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In
de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen
schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te
midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het
blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de
ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den
palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede
verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom
is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene
kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn
voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems
der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den
palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron
zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene
schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem,
die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun
handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns
gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen,
huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der
woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen,
zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van
het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze
ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft
hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook
eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen.
Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar
ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat
men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het
ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar
dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het
inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer
water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls
tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika
aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het
donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de
banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de
groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien
zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der
vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop
althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd
worden.
In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen,
terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min
geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase
verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare
landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de
menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en
stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van
verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten
aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte,
scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde,
fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog
sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij
zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open,
eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot
roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met de Bedoeïnen
overeenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid
zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden,
is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij,
tolplichtig.
Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich
slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De
Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts
enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en
hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn,
wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een
diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende
aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen
de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der
bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde.
Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten
hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel
vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken
aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek
van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met
de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene
opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die
den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de
tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste
tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd;
het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een
granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren
te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het roosten der koeken, en
verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en
ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds
voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm,
even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even
edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van
zeden als geloovig.
Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des
westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de
Bijbelsche personen ziet hij hier levend voor zich, hij hoort hen
spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren
zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit
oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de
aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit
Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde
woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij
toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put
van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine
vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór
duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere
dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde.
Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking
dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar
voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen
welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren,
het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met
verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend.
Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht;
ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij
ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide
gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene
ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat
echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men
hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna
worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken,
ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog
houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk
vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en
dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder
ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien
belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om
hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te
vullen.
Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware
feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk
en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de
inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt
in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de
naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der
woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en
begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze
klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en
meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en
hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die
oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner
dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de
verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze
dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren!
Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den
citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot
den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van
het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans.
Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig
afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig
zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten
geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en
verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en
treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden.
Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare
reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed,
dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron
en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan
gene zijde der woestijn.
Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de
zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en
verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang
waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of
wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de
reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen
opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte
heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van
vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn
angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze,
scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene
in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luide
bewoordingen zijn verwondering te kennen geven, maar de angstige
blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die
door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer
het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden
des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen,
het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige
stormwind, volgt den eersten op den voet.
Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind,
die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door
de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins
altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet
hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden;
dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen
hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte
geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven,
uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt.
Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische
spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren,
welke de woestijn doortrekken.
Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling
en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm.
Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar,
drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt
den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden
zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de
menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden
onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen.
Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het
nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht brengt geen afkoeling of
verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en
onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het
oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men
niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids
nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen
nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik
onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste
geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en
onduidelijk.
Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den
middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel
is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en
een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat
reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is.
Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen
werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend
heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been,
veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt
een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele
korte, huilende stooten mengen zich daaronder.
Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen
te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol
angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den
grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit
de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op
elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen,
bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere
reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het
gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een
schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander
volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten
wachten.
Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en
weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en
dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand,
het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten
verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk
onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle
vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit
vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag
versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende
storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe
kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling
steunt en klaagt.
Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een,
twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem
zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen
en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het
noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt
de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers
gaan gelijk een mijner kennissen, den Franschman Thibaut, die op zijn
tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en
met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen
afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en
zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend
noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los.
Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van
den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een
van Thibauts bedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen
den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn
meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede
lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn
legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder
opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen,
voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de
helft bezweken. Thibaut bereikte met de overige menschen en dieren den
Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit
geworden.
Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de
karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en
dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht,
zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies
worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de
andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of
zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers voldoet aan
het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem
en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des
Allerhoogsten, slaap in vrede!”
Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de
droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle
bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij
de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel,
maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde
ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in
den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”.
Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende
vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot
is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee
golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen
zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op
en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende
kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen,
geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan
onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit
nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog
toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds
dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is
dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele
wonder berust op de bekende wet, dat een lichtstraal, die van de eene
middenstof in eene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit
verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen
door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand
ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener
luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun
goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere
beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst,
ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de
geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich
vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht
schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het
oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb
zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij
eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een
onlijdelijken dorst van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor
mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den
heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en
landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne
zieke zinnen een palmenwoud zagen groeien, zag mijn eveneens
versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te
aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze
fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons
daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand.
De „zee des duivels” heeft ongetwijfeld ieder reiziger aanschouwd, die
de eene of andere woestijnstreek der Nijlboorden is doorgetrokken; maar
niet een ieder is het gegund een der levendigste tooneelen onder de
oogen te krijgen, welke de woestijn opluisteren. Aan den uitersten zoom
van den horizon, misschien wel door de luchtspiegeling omhoog geheven
en in een nevelwaas gehuld, duiken eenige ruiters op, die op
rankpootige paarden zijn gezeten, wier snelheid die des winds evenaart;
deze ruiterbende nadert ras en stuift eindelijk, terwijl men de tot nu
toe gespaarde dieren in vollen draf aandrijft, op de karavane los. Ik
heb hen altijd gaarne ontmoet, die magere, typisch gekleede mannen,
want ook in hen en hunne paarden zag ik de harmonie der woestijn met
hare kinderen. Als een getrouwe zoon der woestijn verscheen hij mij, de
Bedoeïnen, als haar en zijn spiegelbeeld het ros, dat hij berijdt. Want
ook hij is ernstig en vreeselijk als de dag, vriendelijk en zacht als
de nacht der woestijn. Trouw aan ’t eens gegeven woord, onbepaald
gehoorzaam aan de zeden en gebruiken van zijn stam, waardig in zijn
optreden, verheven in zijn uitdrukkingen, onovertroffen in onthouding
en ontbering, ontvankelijk meer dan iemand voor mannelijke daden, voor
roem en eer, en niet het minst voor het gouden weefsel der poëzie, welk
laatste bewezen wordt door zijne vertellingen en sprookjes, doorweven
van de rijkste beelden, omlijst door de heerlijkste en geurigste
bloemen. Aan den anderen kant is hij listig en geslepen tegenover zijn
vijand, een slaaf zijner gewoonten, laag en gemeen, zonder eenige
waardigheid in zijn begeerten en eischen, gulzig in het genieten,
onbegrensd wreed, vreeselijk in zijn wraak; heden is hij een
ridderlijke gastheer, morgen een onbeschaamde bedelaar, den eenen keer
een trotsche roover, een ander maal een ellendige dief; kortom, even
veranderlijk als de woestijn. Zijn ros bezit hetzelfde verstandige,
vurige sprekende oog, dezelfde kracht en lenigheid der magere,
schijnbaar zwakke ledematen, dezelfde taaiheid, dezelfde tevredenheid,
hetzelfde wezen als hij; want beide groeiden op in dezelfde tent, beide
rusten onder hetzelfde dak. Het dier is niet de slaaf, maar de metgezel
en vriend van den Bedoeïnen, de speelgenoot zijner kinderen.
In de vrije woestijn trotsch, moedig, zelfs wild, is het in de tent
gedwee als een lam; en zoo is het als het ware een integreerend
bestanddeel van zijn heer en gebieder.
In alle woestijnen, die althans nog in naam onder de heerschappij van
den Khedive van Egypte staan, spelen de Bedoeïnen heden ten dage
geenszins nog dezelfde rol als in vroegere tijden, of als tegenwoordig
nog in Arabië en de landen van Noord-Westelijk Afrika. De Egyptische
regeering heeft met hen verdragen gesloten, die hun den plicht opleggen
de karavanen ongehinderd door hun gebied te laten trekken. Rooverijen
in de woestijn behooren dan ook tot de zeldzame uitzonderingen, en eene
ontmoeting met Bedoeïnen verwekt ook daarom geen groote bezorgdheid,
omdat deze zonen der woestijn doorgaans de eigenaars der gehuurde
kameelen zijn; evenwel nemen de aan hun oude gewoonten verkleefde, ware
heeren der woestijn gaarne het voorkomen aan van eene zekere
soevereiniteit; men handelt dan ook verstandig, alvorens de
woestijnreis aan te vangen, vrijgeleide te vragen van den een of
anderen aanzienlijken hoofdman. Heeft men dit verkregen, dan loopt eene
ontmoeting gewoonlijk op de volgende wijze af.
Een der door de zon verbrande mannen springt uit de ruiterschaar naar
voren en wendt zich tot den aanvoerder of uitruster der karavane.
„Heil zij U, o vreemdeling!”
„Gods zegen, genade en barmhartigheid mogen met U zijn, o hoofdman!”
„Waarheen trekt gij, o mannen?”
„Naar Belled-Aali, o scheik.”
„Trekt gij onder vrijgeleide?”
„Wij trekken onder het vrijgeleide van Zijne Hoogheid, den Khedive.”
„Onder geen ander?”
„Ook Scheik Soliman, Mahammed Cheir Allah, Ibn Sidi Ibrahim Aulad Aali
heeft ons vrijgeleide en vrede gegeven.”
„Dan zijt gij welkom en gezegend.”
„De Zegenuitdeeler begenadige U en Uwen vader, o hoofdman!”
„Hebt gij iets van noode? Mijne mannen zullen het u geven. In de Wadi
Ghiteri staan onze tenten, wanneer gij rust wilt zoeken, zult gij daar
welkom zijn. Zoo niet, dan moge Allah U een gelukkige reis geven.”
„Hij zal met ons zijn; want Hij is genadig.”
„En de leidsman op alle goede wegen.”
„Amen, o hoofdman!”
Weg vliegt de bende; ruiters en paarden smelten wederom ineen; de
lichte hoeven der dieren schijnen den grond niet te raken, de witte
boernoe’s fladderen in den wind, en de woorden des dichters worden
levend in de ziel:
„Bedoeïnen, gij zelf op uw ros
Zijt een fantastisch lied.”
Zulke beelden toovert ons de woestijn voor oogen. Naarmate men meer met
deze vertrouwd wordt, nemen zij scherper omschreven trekken aan, en
doen zij de moeiten en bezwaren verminderen. Maar het zijn vooral de
laatste uren der woestijnreis, die het hoogste genot aanbrengen.
Wanneer het eerste palmendorp van het bebouwde land, wanneer het
zilveren lint van den heiligen stroom wederom zichtbaar wordt, dan is
dat uur gekomen. Menschen en dieren ijlen en haasten, alsof de vurig
gewenschte werkelijkheid een droombeeld kon zijn, dat wederom in een
nevel zal worden opgelost. Duidelijker en scherper omgrensd treedt het
doel der reis voor oogen; het is alsof men nooit frisscher kleuren
gezien heeft, men meent dat nergens zulke groene boomen groeien en
nergens koeler water wordt gevonden. Hun laatste krachten
bijeenverzamelende schrijden de kameelen voort, maar hun pas schijnt
voor hun ongeduldige meesters nog veel te langzaam. Daar klinkt ons
eene vriendelijke begroeting in de ooren. Het Nijldorp is bereikt. Uit
alle hutten komen mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen te
voorschijn om de reizigers te verwelkomen. Ieder beijvert zich de
helpende hand te bieden en lafenis te reiken. Allereerst biedt men
water aan, flink water, zoo uit de rivier geschept; dan brengt men
alles aan, wat lichaam en ziel kan verkwikken. Om het nu opgeslagen
leger bewegen zich nieuwsgierige menschen, vraaggrage mannen en
vrouwen, danslustige meisjes en jongelingen. Tamboera en taraboeka,
cither en trom noodigen ten dans; de dansende meisjes verblijden het
hart van den vreemdeling en inboorling. Zelfs het knarsen der
schepraderen aan den stroom, vroeger duizendmalen verwenscht, wordt
heden tot eene schoone muziek.
De avond brengt nieuwe genietingen. Op het veêrende, koele rustbed
gemakkelijk uitgestrekt, drinkt de westerling met den inboorling om
strijd den nektar des lands, den palmwijn of meriesa, terwijl
cithertonen en trommelslag, onder het maatgeklap van de handen en
voeten der dansende jongelingen en meisjes het heerlijk drinkgelag
begeleiden. Eindelijk herneemt de vergevorderde nacht zijn rechten,
tamboera en taraboeka zwijgen, de dans is geëindigd. Elk der verkwikte,
verzadigde of meer dan verzadigde reizigers zoekt achtereenvolgens de
rust. Slechts een enkele hunner, een zone Khahira’s, de moeder der
wereld, kan den slaap niet vinden. In de nabijheid van het uitdoovende
legervuur rijzen de sidderende tonen van zijn eenvoudig lied:
Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,
Steeds langer wordt gij, immer langer;
Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,
’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.
Ach schoone nacht, hoe lange reeds
Mocht niet mijn oog haar schouwen,
Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,
Mijn hope en vertrouwen.
O schoone nacht, verhoor mijn klacht,
Breng haar mij nader weder.
Dek haar met liefdevleuglen zacht,
Stort vrede op mij neder.
Maar ook deze klanken sterven weg—alleen de golven van den stroom
murmelen en fluisteren voort.