Scheik Kemal el Din Demiri een geleerd Arabier, die omstreeks het jaar
1405 te Damaskus stierf, verhaalt, hierbij steunende op eene uitspraak
van den profeet, in een door hem vervaardigd boek, „Heiat el Heiwan” of
„Leven der dieren” de volgende wonderlijke geschiedenis:
„Langen tijd voordat Mohammed, de profeet en afgezant des
albarmhartigen Gods, het licht des geloofs had ontstoken, zelfs vroeger
nog dan Issa of Jezus van Nazareth heeft geleefd en geleerd, bewoonde
eene talrijke joodsche bevolking de stad Aila aan de Roode Zee. Zij
bestond echter uit zondaren en onrechtvaardigen voor het aangezicht des
Heeren; want zij ontheiligden voortdurend den dag des Heeren, den
heiligen sabbath. Tevergeefs waarschuwden vrome en wijze mannen de
zondige bewoners der goddelooze stad; deze bleven spotten met de
geboden des Allerhoogsten. Toen verlieten de boetpredikers de stad des
onheils, schudden het stof van hunne voeten en besloten elders Ellohim
te dienen. Het heimwee en ’t verlangen naar hunne verwanten dreef hen
echter na drie dagen reeds weder naar Aila terug. De stad bood hun nu
evenwel een vreemden aanblik. De poorten waren gesloten, de tinnen der
muren nochtans onbezet, zoodat de mannen ongehinderd de muren konden
beklimmen. Maar ook de straten en pleinen der ongelukzalige stad waren
ledig. Daar, waar anders een levendige menschenmassa zich bewoog, waar
koopers en verkoopers, priesters en beambten, handwerkslieden en
visschers in een bont gewemel elkander gewoonlijk verdrongen, daar
zaten, liepen en klommen reusachtige bavianen, en uit de balkons en
vensters, van de zolders en daken, waar anders zwartoogige vrouwen
toefden, keken bavianenwijfjes op de straten neder. En al die
reusachtige apen, alsmede de schoone apinnen hadden een somber en
ontsteld voorkomen; zij zagen droefgeestig op de teruggekeerde pelgrims
neêr, drukten zich smeekend tegen hen aan en kermden jammerlijk.
Ontzet en huiverend aanschouwden de vrome pelgrims het akelig wonder,
totdat een hunner op de pijnlijke gedachte kwam, dat deze bavianen
wellicht hunne voormalige, nu tot dieren vernederde verwanten waren.
Ten einde hieromtrent zekerheid te erlangen, ging de vrome man naar
zijn eigen huis. Hier zat in de deur almede een baviaan; deze sloeg
echter, toen hij den rechtvaardige zag naderen, treurig en vol schaamte
de oogen neder. „Zeg mij, bij Allah den Albarmhartige, o baviaan,” zoo
vroeg de wijze aan den aap, „zijt gij mijns broeders zoon Ibrahim?” En
treurig antwoordde de baviaan: „Ewa, ewa”—„ja, ik ben het.” Toen viel
elke twijfel bij den vromen man weg, en hij erkende nu met een beklemd
hart, dat hier een zwaar Godsgericht was voltrokken, en dat de
goddelooze sabbathschenders in apen waren veranderd geworden.”
Scheik Kemal el Din twijfelt, wel is waar, geen oogenblik aan dit
wonder, maar kan toch, als denkend mensch, niet nalaten de meening uit
te spreken, dat er wellicht bavianen hebben geleefd voordat er joden
bestonden.
Wat ons betreft, hoe aardig bedacht en verteld deze geschiedenis ook
zijn moge, wij sluiten ons te gereeder aan deze opvatting aan, daar de
apen, met welke de vrome ijveraars van Aila te doen hadden, oude en
goede bekenden van ons zijn. Want in Arabië huizen eenig en alleen de
hamadryas- of mantelbavianen. Wij vinden deze soort echter op de oudste
Egyptische gedenkteekens reeds nauwkeurig afgebeeld, terwijl het de
haartooi dezer dieren was, welke den ouden Egyptenaren zoo opvallend
voorkwam, dat zij dien als voorbeeld kozen en er hun sphinxen mede
sierden, even gelijk hij nog heden ten dage als voorbeeld dient voor
den haartooi der donkere schoonen van Oost-Soedan. De mantelbaviaan
namelijk speelt in de oud-Egyptische godenleer eene voorname rol,
zooals wij o.a. leeren uit het werk van den hieroglyphenverklaarder
Horapollon. Volgens dezen werden die apen in de tempels gehuisvest en
na hun dood gebalsemd. De mantelbaviaan gold voor den uitvinder der
schrijfkunst en dus voor een, niet alleen den vader der wetenschappen,
Thot of Merkurius geheiligd, maar ook den Egyptischen priester
aanverwant wezen; hij werd dan ook bij zijn plechtigen intocht in het
heiligdom aan eene proef onderworpen, doordien de opperpriester hem een
schrijftafel, inkt en pen in de hand drukte en hem beval te schrijven,
opdat men erkennen mocht of hij waardig was te worden opgenomen; men
beweerde, dat hij in eene geheimzinnige betrekking stond tot de maan,
dat deze alzoo een ongewonen invloed op hem uitoefende; men schreef hem
eindelijk het talent toe, den tijd op zulk eene zichtbare wijze in te
deelen, dat Trismegistus naar zijn voorbeeld en aanwijzing
wateruurwerken vervaardigde, die, evenals hij, dag en nacht elk in
twaalf gelijke deelen verdeelden. Wij zijn dus aan dezen aap niet
alleen het letterschrift verschuldigd, maar tevens ook de
tijdsverdeeling.
Het verdient opmerking, dat de oude Egyptenaren wel geloof sloegen aan
hunne familieverwantschap met de apen, maar geenszins gedacht hebben
aan eene afstamming van deze wezens.
Zulk een opvattingswijze omtrent de familierelatie tusschen menschen en
apen ontmoeten wij het eerst bij de Indiërs. Onder dezen heerscht
sedert onheugelijke tijden het geloof, dat althans enkele koninklijke
familiën van een, in Indië voor heilig gehouden in zekeren zin als een
goddelijk wezen beschouwden slankaap, den hulman, afstammen, terwijl de
zielen der afgestorven koningen in het lichaam van dezen aap
terugkeeren. Een der regeerende dynastieën beroemt zich zelfs op deze
afkomst, door zich den titel te geven van „gestaarte Rana.”
Gelijke denkbeelden als bij de Indiërs in zwang zijn, hebben zich in
onzen tijd ook weder opgedaan, en de apenvraag, om mij zoo eens
uittedrukken, heeft veel stof doen opwaaien. Wetenschappelijke, voor ’t
gewone publiek onverstaanbare uiteenzettingen, hebben hier een heiligen
toorn opgewekt om dien in lichte laaie vlammen te doen ontvonken, ginds
de denkers in twee vijandige kampen voor en tegen verdeeld, die ieder
vurig hunne eigen meening bepleiten. Het wetenschappelijk onderzoek van
geheel vreemde elementen hebben den strijd opgenomen, zonder te weten,
of zelfs te vermoeden voor welk doel deze eigenlijk gevoerd wordt, en
dien op een terrein overgebracht, alwaar hij slechts onheil kan
stichten, en waardoor eene verwarring is uitgelokt, die niet
gemakkelijk weder zal worden weggenomen. Over apen te spreken is alzoo
een gevaarlijke zaak geworden; men loopt daarbij gedurig gevaar òf den
geduchten stamvader, òf door hem den vermeenden nakomeling te
vernederen—afgezien nog van de smaadredenen der afschuwelijkste soort,
waarmede onbeschaafde, in blinde woede tegen het tijdsbewustzijn
vechtende ijveraars, onverwijld een ieder overladen, die zich maar
verstout het woord „aap” uit te spreken.
Toch zal de apenvraag nog niet zoo spoedig van de agenda van den dag
verdwijnen; want deze wezens, die ongetwijfeld onze naaste verwanten in
het dierenrijk zijn, verdienen in te hooge mate onze belangstelling,
dan dat wij ons door bovengenoemde overwegingen zouden laten weêrhouden
iets dieper in hun leven in te dringen en daarmede ons eigen doen en
laten te vergelijken, ten einde op deze wijze ons niet alleen een
juister voorstelling van de apen, maar ook van de menschen te vormen.
Het volgende zij daartoe een bijdrage. Het valt moeilijk in weinige
woorden een algemeen levensbeeld—want daartoe wil ik mij bepalen—van
deze zoo zeer van elkander onderscheiden dieren te schetsen. Zij
bewonen in ongeveer vier-, in elk geval in veel meer dan driehonderd
soorten, alle deelen der aarde, Australië alleen uitgezonderd, en wel
voornamelijk de tropische gewesten. In Amerika strekt zich het
verbreidingsgebied dezer dieren uit van den 28sten Zuiderbreedtegraad
tot aan de zee der Antillen; in Afrika van 35° Z.Br. tot aan de straat
van Gibraltar; in Azië van de Soenda-eilanden tot Japan; in Europa
vindt men ze enkel op de rotsen van Gibraltar, alwaar sedert
onheugelijke tijden een troep van ruim twintig magots of kortstaartige
macaco’s, onder de bescherming der bezetting, in wezen blijft. Bosschen
en rotsachtige gebergten, die tot twee en een half duizend meter hoogte
beklommen worden, zijn hunne woonplaatsen. Hier zoowel als ginds
verblijven zij, enkele soorten uitzonderd, jaar in, jaar uit, ofschoon
in zooverre rekening wordt gehouden met de jaargetijden, dat zij, met
het oog op de rijpe vruchten, meer of minder uitgestrekte tochten door
de bosschen ondernemen, of tegen den aanvang van het warme jaargetijde
zich hooger op het gebergte begeven om tegen het koele seizoen weder
omlaag te dalen. Want ofschoon men ze zelfs nog op met sneeuw bedekte
velden aantreft, zijn zij zoowel beminnaars van de warmte als
liefhebbers van een overvloedige en lekkere tafel. Waar zij voor langen
of onbeperkten tijd hun woonsteden zullen opslaan, daar moet iets te
knabbelen en te eten vallen; zoo niet, dan gaan zij verhuizen. Bosschen
in de nabijheid van menschelijke volkplantingen zijn in hun oogen een
waar paradijs; de verboden boom hindert hen niet. Maïsvelden,
suikerrietplantages, tuinen met ooftboomen, bananen, pisangs en
meloenen beschouwen zij als hun wettig erfdeel; streken, alwaar het
godsdienstig geloof der inwoners hun bescherming verleent, zijn hun
natuurlijk eveneens een welaangename verblijfplaats.
Alle apen, de anthropomorphen wellicht alleen uitgezonderd, leven in
troepen van soms aanzienlijke sterkte, die door een oud mannetje worden
aangevoerd. Tot deze waardigheid wordt alleen hij verheven, die de
sterkste armen en de langste tanden bezit. Terwijl bij die zoogdieren,
welke een vrouwelijk individu met de leiding belasten, alle andere
individuen der kudde gewillig volgen, eischt de aanvoerende aap, als
onbeperkt alleenheerscher der ergste soort, onbepaalde gehoorzaamheid.
Wie niet goedschiks zich onderwerpt wordt door beten, knijpen en
stooten tot zijn plicht gebracht. De aanvoerder wil slaafsche
onderwerping, zelfs van den kant der apinnen. Ridderlijke galanterie
tegenover het zwakkere geslacht kent hij niet: „door geweld verovert
hij het loon der min;” zijn tucht is gestreng, zijn wil onbuigzaam.
Geen apenjongeling verstout zich met een apenmeisje te minnekoozen,
geen apin zou het bestaan een anderen aap dan den aanvoerder liefde te
bewijzen. Hij zelf heerscht onbeperkt over zijn harem, en zijn geslacht
vermenigvuldigt zich als dat van Abraham, Izaäk en Jakob, gelijk het
zand aan den oever der zee. Wordt de kudde te talrijk, dan scheidt zich
een gedeelte onder aanvoering van een inmiddels opgegroeiden jongeling
af om een eigen staat te gronden. Tot zoolang werd de eerste algemeen
geacht, geëerd en gevreesd. Oude, ervaringrijke apenmoeders zoowel als
jonge bakvischjes zijn er op uit hem te vleien, en beijveren zich om
het zeerst hem den allergrootsten dienst te bewijzen, dien men in ’t
algemeen een aap kan bewijzen, n.l. zijn haarkleed te zuiveren van alle
daar niet thuis behoorende zaken. Van zijnen kant laat hij zich deze
hulde welgevallen met het air van een pacha, wiens voeten worden
gereinigd door de meest geliefde slavin. De achting, die hij zich wist
te verwerven, verleent hem zekerheid en waarde in zijn optreden, de
strijd, waarin hij niettemin voortdurend is gewikkeld, waakzaamheid,
moed en zelfvertrouwen, de noodzakelijkheid zijn heerschappij te
handhaven omzichtigheid, list en geslepenheid. Terwijl deze
eigenschappen hemzelf in de eerste plaats ten goede komen, zijn ze
tevens der gemeenschap van nut en zijne onbeperkte heerschappij erlangt
daardoor kracht van wet en duurzaamheid. Door hem geregeerd en geleid,
voert de troep, ofschoon inwendig beroerd door geweldige stormen, naar
buiten veilig, daardoor een behagelijk leven.
Alle apen, de weinige soorten van nachtapen uitgezonderd, werken des
daags en rusten gedurende den nacht. Eerst geruimen tijd, nadat de zon
is opgegaan, staan zij uit den slaap op. Hun eerste bezigheid bestaat
daarin, dat zij zich in de zon koesteren om zich daarna te wasschen. Is
de nacht koud en guur, dan dringen zij zoo dicht mogelijk opeen, ten
einde den invloed dier weinig verkwikkelijke omstandigheid zoo goed
mogelijk te ontgaan.
Maar niettemin rillen zij bij ’t opstaan nog dikwijls zoo van de koû,
dat zij genoodzaakt zijn zich geruimen tijd in ’t zonnetje te
koesteren. Zoodra de nachtdauw is opgedroogd verlaten zij de
slaapplaats, klauteren langzaam naar de hoogste toppen der boomen of
rotsen, zoeken een zonnig plaatsje uit, en keeren nu beurtelings alle
lichaamsdeelen achtereenvolgens naar de zon. Is de pels gedroogd en
behoorlijk verwarmd, dan ontwaakt de begeerte het haarkleed te
reinigen; vol ijver begeeft zich een ieder aan dezen arbeid, of bewijst
dien dienst aan een ander om op zijne beurt gelijke weldaad terug te
ontvangen.
Is ook deze plechtigheid afgeloopen, en het haarkleed, zoo noodig,
gekamd, dan laat zich de behoefte aan het ontbijt gevoelen. Die
behoefte is doorgaans gemakkelijk te bevredigen, daar de apen alles
lusten, en het planten- en dierenrijk beide, bijdragen moeten leveren.
Bosschen zoowel als bergruggen schenken vruchten, blad- en
bloemknoppen, vogelnesten met eieren of jonge vogels, slakken en
insekten, de tuinen ooft en groenten, de akkers graan en peulvruchten.
Hier wordt een rijpe aar afgebroken, ginds een sappige vrucht geplukt,
in de hoogte een nest geplunderd, op den grond een steen omgekeerd, in
de bewoonde streek een tuin gebrandschat of een akker geplunderd;
overal wordt iets weggenomen. Elke aap verwoest daarenboven, als hij
tijd heeft, nog tienmaal meer dan hij nuttigt, en is daarom een plaag
voor landbouwer en tuinman. Bij den aanvang van zulk een rooftocht
tracht ieder allereerst den eersten honger te stillen; men is niet
kieschkeurig, eet alles wat voorkomt, en stopt de wangzakken, indien
zij deze bezitten, nog daarenboven propvol; is aan de eerste behoefte
voldaan dan begint de aap alles op de onbeschaamdste wijze te keuren en
te kritiseeren; elke gebroken aar, elke afgeplukte vrucht wordt
beroken, betast, bekeken, alvorens die op te eten, en in de meeste
gevallen wordt het een zoowel als het andere weggeworpen, naar iets
nieuws gezocht en hiermede eveneens gehandeld. „Wij zaaien en de apen
oogsten” zoo klaagden mij eens de bewoners van Oost-Soedan, en zij
hadden gelijk. Tegen zulke dieven verleenen heg noch muur beschutting,
slot noch grendel; zij klimmen over de heiningen en openen de laatste.
En wat zij niet verslinden wordt mee naar huis gedragen. Het is een
prachtig maar tevens een droevig gezicht, dat zulk een troep
plunderende apen oplevert; ook in dit bedrijf spreiden zij, evenals in
hun geheele wezen, driestheid, sluwheid, overmoedigheid, genotzucht en
voorzichtigheid ten toon, en niet minder komt daarin hun
onbeschaamdheid, list en boosaardigheid uit. Hoe gevaarlijker de
onderneming is, hoe meer al deze eigenschappen aan ’t licht treden. Men
loopt, klautert, springt,—in tijd van nood wordt er zelfs gezwommen,—om
elken hinderpaal uit den weg te ruimen, terwijl men onder dit alles
geen enkel oogenblik de veiligheid uit het oog verliest. De aanvoerder
gaat steeds vooruit, lokt, roept, vermaant, waarschuwt, bromt, scheldt
en bestraft, al naar bevind van zaken; de troep volgt en gehoorzaamt,
zonder echter geheel en al zich op hem te verlaten. Bij gevaar denkt
ieder individu ’t allereerst om eigen lijfsbehoud en schaart zich eerst
later weder om zijn aanvoerder; alleen de moeders, die kinderen aan de
borst hebben of deze op den rug dragen, vormen eene uitzondering, daar
zij om ’t lot van haar kroost meer bezorgd zijn, of althans schijnen te
zijn, dan om zichzelf.
Op tochten, waaraan geen gevaar verbonden is, wordt nu en dan halt
gehouden; dan hebben ook de kinderen gelegenheid om met elkander te
spelen. Onder gevaaraanbrengende omstandigheden volgt eerst na het
einde van den tocht een korter of langer tijd van rust en ontspanning;
ter bevordering der spijsvertering houdt men dan ook wel eens een
middagslaapje. In den namiddag wordt een nieuwe strooptocht ondernomen,
en tegen zonsondergang begeeft zich de bende naar de gewone
slaapplaatsen, die zoo goed mogelijk tegen de aanvallen van gevaarlijke
roofdieren beveiligd zijn, om hier, ofschoon eerst na langdurig krakeel
en getwist, schelden en kijven de welverdiende rust te zoeken en te
vinden.
Enkele tochten uitgezonderd, die of uit nood worden ondernomen, of kans
bieden op een meer dan gewonen oogst, gaat het op deze wijze vrij
geregeld dag aan dag voort. De voortplanting, die bij het meerendeel
der andere dieren gewoonlijk groote veranderingen in de levenswijze te
voorschijn roept, oefent op de apen geen merkbaren invloed uit; deze
toch is aan geen bepaald tijdstip gebonden en de apenmoeder sleept
overal haar jong mede. Meestentijds wordt er maar één kind tegelijk
geboren; het komt goed ontwikkeld en dus met open oogen ter wereld. De
apenjongen zijn evenwel naar onze begrippen afschuwelijke wezens en in
weêrwil der reeds vergevorderde ontwikkeling zeer hulpbehoevende
schepseltjes. Afschuwelijk zijn zij in onze oogen, omdat de geplooide
gezichtjes en de levendige oogjes hun een oudachtig voorkomen geven, en
het nog dunne haarkleed de buitendien reeds lange voorste ledematen nog
langer doet schijnen; hulpbehoevend zijn ze, omdat zij van de ledematen
nog geen ander gebruik weten te maken dan er zich mede aan de borst der
moeder vast te klampen. Hier hangen zij, met armen en handen den hals,
met beenen en voeten den buik der moeder omklemmende, weken lang zonder
eenig ander lichaamsdeel dan het hoofd te bewegen; dientengevolge is de
moeder in staat alle gewone bezigheden te verrichten, zelfs evenals
vroeger op de gevaarlijkste wegen te loopen of halsbrekende sprongen te
doen, zonder dat zij daarbij van haar kind eenigen last ondervindt.
Eerst na geruimen tijd, zelden vroeger dan na verloop van eene maand,
beginnen de kleinen enkele bewegingen uit te voeren, doch handelen
daarbij zoo plomp, dat het eer ons medelijden dan onzen lachlust
opwekt. Deze gedrochtjes worden echter, misschien wel juist om die
hulpeloosheid, door de moeders met zulk eene teederheid behandeld, dat
de uitdrukking „apenliefde” zeer gepast mag heeten. Altijd is de
apenmoeder met haar kleintje bezig. Dan likt zij het, dan zuivert zij
het, dan legt zij het aan de borst, dan neemt zij het in de handen, en
beschouwt het met innig welbehagen, dan schommelt zij het, als wilde
zij haar kind in slaap wiegen.
Wordt zij bespied, zij keert zich om als misgunde zij aan andere wezens
het gezicht van haar lieveling. Is de laatste wat ouder en bewegelijker
geworden, dan verkrijgt hij een enkele maal verlof de moederborst te
verlaten om met andere kindertjes van gelijken leeftijd te spelen, maar
steeds staat hij onder streng toezicht, en ontvangt hij bij de
geringste ongehoorzaamheid stompen en knepen. Tot het voedsel zelfs
strekt zich de zorg der moeder uit. Hoe gulzig deze anders ook zijn
moge, met haar kind deelt zij elke bete, maar duldt echter niet, dat
het door haastig of te veel eten zich ziek zou maken; in zoodanige
gevallen laat zij haar moederlijk gezag gelden. Zelden evenwel is een
ernstige bestraffing noodig, want het apenkindje is gewoonlijk
voorbeeldig gehoorzaam, zoodat het in dit opzicht menig menschenkind
tot voorbeeld kan strekken. Roerend is het gedrag der moeder, wanneer
haar lieveling pijn heeft; wanhopig stelt zij zich aan, wanneer het
sterft. Uren, ja dagen lang sleept zij het kleine lijkje overal mede,
weigert alle voedsel, blijft wezenloos op dezelfde plek zitten en
kniest zich dikwijls letterlijk dood. Het apenkindje is echter voor
zulk een gevoel niet vatbaar, en is er ook beter aan toe dan menig
menschenkind, indien het zijn moeder verliest. Want het eerste het
beste medelid der troep, ’t zij mannetje of wijfje, trekt zich het lot
van den armen wees aan, en vindt op deze wijze bevrediging voor de
allen apen aangeboren zucht, voor moedertje te spelen, liefkoost het op
het innigste—maar komt helaas! ook niet zelden ter wille van het lieve
eten, in tweestrijd met zijn beter ik, zoodat het pleegkind, zoo ’t
zich niet reeds alleen weet te helpen, erbarmelijk honger lijdt, en wel
eens van gebrek sterft.
Het valt moeilijk, zoo niet onmogelijk, eene juiste beschrijving te
geven van de verstandelijke vermogens en talenten der apen, daar deze
even verschillend zijn als zij zelf. Enkele trekken zijn aan allen
gemeen; verreweg de meeste eigenaardigheden van hun wezen wijken zeer
van elkander af. De aanleg, die bij den eenen aap nauwelijks merkbaar
is, springt bij een ander duidelijk in ’t oog; dezelfde karaktertrek,
die hier sterk voorkomt, wordt elders te vergeefs gezocht. Wanneer men
evenwel, de familiën, geslachten en soorten vergelijkend in deze
beschouwingen opneemt, dan neemt men eene inderdaad verrassende en
ongedachte opklimming waar van alle talenten en vermogens. Het is zeer
leerrijk op deze wijze te werk te gaan.
Als de minst ontwikkelde leden der orde moeten wij de klauwapen of
eekhoornapen van Zuid- en Middel-Amerika beschouwen; dit zijn
levendige, kleine, fraaie en onderling veel gelijkenis met elkander
vertoonende dieren. Zij hebben wel is waar hetzelfde gebit als de
hoogere soorten, maar dragen echter alleen aan de duimen platte nagels,
aan de overige teenen en vingers daarentegen smalle, lange klauwachtige
nagels, waardoor dus de handen en voeten, althans de handen tot pooten
gedegradeerd worden. En met deze uitwendige kenmerken komen de
intellektueele eigenschappen overeen. Het apendom is als het ware bij
deze soort nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. In vorm en kleur
zoowel als in houding, gedrag en hun geheele zijn, zelfs in hun stem
herinneren zij aan de knaagdieren. Zij zitten bijna nooit, zooals
andere apen, rechtop, hoogstens evenals de eekhoorntjes, maar meestal
steunen zij op alle vier ledematen; ook klauteren zij niet zooals de
andere leden der orde, los en gemakkelijk, met handen en voeten de
takken omklemmende, maar meer op de wijze der knaagdieren, met
ingetrokken klauwen, zich tegen de voorwerpen aandrukkende, in
sprongen—toch evenwel niet langzaam en plomp.
Zeer verschillende van die der hoogere apen is hunne stem; het geluid,
dat zij geven, is een in de hooge tonen zich bewegend gefluit, dat nu
eens herinnert aan het gekweel van vogels, dan eens aan het gepiep van
ratten en muizen, ja wellicht nog de meeste overeenkomst bezit met het
stemgeluid der Guineesche biggetjes. Volkomen knaagdierachtig is hun
gedrag; zij laten dezelfde onrust en bewegelijkheid, dezelfde
nieuwsgierigheid, schuwheid en angst, dezelfde ongedurigheid als de
eekhoorntjes blijken. Het kopje is geen enkel oogenblik in rust en de
donkere oogen richten zich nu op het eene, dan op het andere voorwerp,
maar altijd vol drift en schijnbaar zonder veel bewustheid, hoe
verstandig zij overigens ook mogen kijken. Alle handelingen getuigen
van weinig overleg. Onwillekeurig volgen zij de ingeving van het
oogenblik en vergeten het daarop volgende waar zij meê bezig waren,
zoodra een nieuw voorwerp hun opmerkzaamheid trekt. Zij zijn luimig in
den hoogsten graad; zoo even goed gehumeurd en schijnbaar tevreden met
hun lot, gelukkig door eene vriendschappelijke bejegening, grijnzen zij
eene seconde later hun weldoeners aan, houden zich alsof zij ten
uiterst bevreesd zijn en hun leven op het spel staat, laten de tanden
zien en pogen te bijten. Even prikkelbaar als apen en knaagdieren,
ontbreekt hun toch het persoonlijke, dat vooral de hoogere apen
teekent; de een toch handelt precies zoo als de ander, als het ware
zonder zelfbewustzijn, en altijd kleingeestig. Zij bezitten alle
eigenschappen van bloodaards; de jammerlijke stem, den onwil om zich in
’t onvermijdelijke te voegen, de beklagenswaardige wijze, waarop zij
alle gebeurtenissen opnemen, een ziekelijke neiging om elke handeling
van een ander schepsel wantrouwend en als henzelf geldend te
beschouwen, de zucht om te pralen, wanneer zij een denkbeeldig of
wezenlijk gevaar uit den weg trachten te gaan, machteloosheid in willen
en doen. Juist omdat zij zoo weinig apen zijn worden zij door de
vrouwen in bescherming genomen, maar door de mannen geminacht.
Op hoogeren trap van ontwikkeling staan de eveneens in Amerika thuis
behoorende breedneusapen, ofschoon ook in dezen de werkelijke aap nog
niet recht zichtbaar is. Hun gebit telt in elke kaak eene kies meer dan
dat der overige apen; zij bezitten dus geen 32 maar 36 tanden; aan de
vingers en teenen zitten enkel platte nagels; het lichaam heeft door de
meerdere lengte der ledematen een min of meer slanken vorm en de staart
is bij velen een uitstekend grijpwerktuig. Evenals de klauwapen zijn
ook zij uitstekende boomdieren en uit dien hoofde zeer onbeholpen en
linksch zoodra zij zich op den vlakken grond bevinden. Hun gang is
alsdan hoogst onzeker en waggelend, en in dit opzicht onderscheiden die
soorten, welke van een grijpstaart voorzien zijn, zich nog het
onvoordeeligst; toch is hun klimmen zelfs niet in de verte te
vergelijken met dat van de apen der oude wereld. Vermenigvuldiging toch
der bewegingswerktuigen behoeft nog geenszins met eene verbetering in,
en nog minder met eene vermenigvuldiging van de bewegingen zelf gepaard
te gaan, maar kan soms de oorzaak worden van eenzijdigheid. En dit
laatste is bij deze apen het geval. Hun grijpstaart is niet hun vijfde,
maar hun eerste hand; hij dient hen voor het ophangen of de bevestiging
van ’t geheele lichaam, tot het aanhalen van allerlei voorwerpen, als
trappen, hangmatten, enz.; maar hij verhaast de bewegingen evenmin als
hij die gemakkelijker maakt; hij verlangzaamt ze integendeel door ze
meer zekerheid te geven. Daar dit lichaamsdeel onophoudelijk in gebruik
wordt gesteld, loopt deszelfs bezitter nimmer gevaar het evenwicht te
verliezen en van de veilige hoogte naar beneden in de gevaarlijke
diepte te storten, maar het belet hem dan ook elke vrije en stoute
beweging. Langzaam zendt hij den grijpstaart als het ware bij elke
schrede vooruit; altijd wordt deze het eerst en soms zelfs van voren
bevestigd, en eerst nu maakt hij hand voor hand en voet voor voet van
de takken, die hij omklemd hield, los. Zoo bindt hij zich meer aan de
takken vast, dan dat hij er op en langs klautert, en uit dien hoofde
denkt hij er nooit aan een eenigszins koenen sprong te wagen. Deze zich
nooit verloochenende zorg voor de beveiliging van het eigen kostbaar ik
drukt op deze apen den stempel van verveling en niet dien van
bedachtzaamheid. Het is merkwaardig hoe volkomen alle andere
begaafdheden der apen van de Nieuwe Wereld daarmede in harmonie zijn.
Hunne stem is niet zoo eentonig als die der klauwapen, altijd echter
nog onaangenaam. Van jammeren tot brullen doorloopt dat geluid alle
daar tusschen gelegen modulaties; het jammerende, het smartelijke heeft
echter altijd de bovenhand, en de gedragingen dezer dieren zijn
daarmede in volkomen overeenstemming. Warm beschijnt de zon na een
koelen, aan dauw rijken nacht de boomen van het oerwoud en strooit
hierover haar goud; duizendvoudige begroetingen en jubelkreten stijgen
op uit millioenen kelen; ook de brulapen maken zich gereed tot hun
danklied. Maar op welke wijze? Op de dorre kruintakken van een
reuzenboom geklauterd, die boven alle boomen des wouds uitsteekt,
hebben zij zich door middel hunner grijpstaarten op veilige wijze
vastgehecht en koesteren zich in het zonnetje. De behagelijkheid, die
hun deel is, wekt ook in de brulapen den lust hunne stem te laten
hooren. Een individu, dat, naar men zegt, uitmunt door eene hooge,
gillende stem, de voorzanger, ziet zijn makkers strak aan en begint; de
anderen kijken even strak op den eersten en vallen mede in; een
vreeselijk concert weêrklinkt door het woud, nu eens huilend, dan
brommend, straks knorrend, gronzend, rochelend, steunend, als waren
alle dieren des wouds in moorddadigen strijd gewikkeld. Met
afzonderlijke brulgeluiden begint deze vreemde symphonie; zij worden
woester en volgen sneller op elkaar, naarmate de aanvankelijk nog niet
zichtbare opwinding des voorzangers toeneemt en op de anderen overgaat;
het geluid wordt een huilend gebrul, dat eindigt gelijk het is
aangevangen. Werpt men een blik op die langgebaarde, ernstige zangers,
dan kan men zich moeilijk van lachen onthouden; de alle maat te boven
gaande wangeluiden, waaraan zij zich schuldig maken verwekken echter al
spoedig een gevoel van verveling, evenzeer als hunne eenzijdige, eer
kruipende dan klimmende bewegingen. Wat de een doet aapt de ander
gedachtenloos na; maar wat hij ook doen moge, steeds verwekt zijn doen
en laten verveling. Alle met een grijpstaart voorziene apen komen vrij
wel met de genoemde brulapen overeen; iets vrijer en zelfstandiger
gedragen zich de capucijnerapen en enkele andere, meer ontwikkelde
leden der familie. In ’t algemeen zijn zij in verstandelijk opzicht
even log als zij zulks lichamelijk zijn; evenwel zacht van aard,
vertrouwelijk, maar tevens dom, gemelijk, klagend, sommigen ook
eigenzinnig, boosaardig en vol streken. Zij staan dus wel is waar boven
de klauwapen, maar verre beneden de apen der Oude Wereld. Misschien
doet men hun geen onrecht met de bewering, dat zij wel de slechte, maar
niet de goede eigenschappen van hunne Afrikaansche en Aziatische
bloedverwanten bezitten. Hun zachtmoedigheid en goedmoedigheid—die
evenwel volstrekt nog niet het kenmerk is van alle soorten—weegt in de
verste verte niet op tegen het op allen drukkend gemis aan
ondernemingsgeest, moed, opgewektheid, levendigheid, beradenheid,
vindingrijkheid en bedachtzaamheid, door welke eigenschappen de apen
der Oude Wereld zich voordeelig onderscheiden. Hun eeuwig gejammer en
gehuil wischt ook die eigenschappen uit, welke hun nog enkele vrienden
onder ons zouden kunnen verwerven.
Evenals de apen der Nieuwe Wereld kan men ook die der Oude Wereld in
twee groepen verdeelen, die men wellicht tot den rang van familiën zou
kunnen verheffen, ofschoon het gebit van allen gelijkvormig is. Wij
noemen de eene groep hondskopapen, de andere menschapen; de eerste
groep leert ons het ware apendom kennen, de tweede is bereids daarboven
verheven. Voor genen geldt hoofdzakelijk wat ik zoo even opmerkte; men
vindt er onder zoowel schoone als leelijke, zoowel lieve als
terugstootende, zoowel vroolijke als ernstige, zoowel goedaardige als
boosaardige apen. Werkelijk misvormde apen komen er niet onder voor,
daar ook de leelijke, of althans in onze oogen leelijk schijnende
soorten evenredige vormen bezitten; toch treft men er vreemdsoortige
kameraads onder aan. Hun voornaamste kenmerk bestaat in den
vooruitstekenden snuit, die aan een hond doet denken, in de
betrekkelijk korte armen, den tot een stompje verkorten staart, de vrij
sterk ontwikkelde eeltplekken en de maar zelden ontbrekende wangzakken.
Het gebit bevat 32 aaneengesloten tanden. Deze apen bewonen Europa,
Azië en Afrika, maar zijn in laatstgenoemd werelddeel het talrijkst.
In eigenschappen en begaafdheden staan zij ver boven de klauwapen en de
breedneuzen. Zij kunnen meerendeels goed loopen, alhoewel er onder
zijn, die onzen lachlust opwekken door hun hinkenden gang. Het valt hun
gemakkelijk op de achterste ledematen te gaan staan; zij richten zich
dan in hunne volle lengte op en kunnen dan zelfs in deze houding een
eind weg voortkomen. Het zijn daarbij goede klimmers; sommigen oefenen
zich hierin op de rotsen, anderen in de boomen. De meesten zijn ook nog
uitstekende zwemmers. Die, welke op de boomen leven, klauteren als het
ware vliegend, want de acrobatische toeren, die zij in de takken
uitvoeren, zijn inderdaad verbazingwekkend. Sprongen van 8 en 10 meter
zijn niets ongewoons; uit den hoogsten boomtak springen zij naar den
laagsten, doen dezen doorbuigen, en, geholpen door het terugspringen
van dien tak, zetten zij den tocht voort naar een anderen. Den staart
en de achterste ledematen uitstrekkende, en zich hiermede in evenwicht
houdende, doorklieven zij de lucht als een pijl uit den boog. Elke
boomtak, al is hij ook met de gevaarlijkste dorens bezet, is hun een
gebaand pad, elke slingerplant een weg. Zij klauteren vooruit en
achteruit, langs den onderkant der takken zoowel als langs den
bovenkant, grijpen onder het springen een dunne twijg, hechten er zich
aan vast en blijven onbepaald lang in deze houding zweven, klimmen
daarna op den tak en verder, even gemakkelijk als bevonden zij zich op
den vlakken grond. Mist de hand, de voet herstelt de fout; breekt de
tak onder den plotselingen druk, een tweede of derde wordt gegrepen;
breken alle takken, zij springen, uit welke hoogte zij ook mogen
vallen, ongedeerd op den grond, om nu langs den eersten den besten stam
of de meest nabijzijnde slingerplant, weder omhoog te klauteren. Bij
het klevende of kruipende klimmen hunner Amerikaansche verwanten
vergeleken, is dat der hondskopapen eene waarlijk vrije, bandelooze,
elken hinderpaal wegruimende beweging. Gene zijn stumpers, deze zijn
volleerde kunstenaars, gene slaven der boomen, deze beheerschers der
takken.
Even als hunne bewegingen zulks zijn is ook de stem dezer apen meer
volkomen. Men verneemt van hen geen kweelend of piepend, geen klagend
of huilend, maar een met den indruk des oogenbliks en de omstandigheden
overeenkomend geluid, dat ook voor ons verstaanbaar is. Voor behagen en
mishagen, verlangen en tevredenheid, lust en onlust, liefde en haat,
goedhartigheid en toorn, vreugde en smart, vertrouwen en wantrouwen,
sympathie en antipathie, teederheid en hardvochtigheid,
inschikkelijkheid en trots, vooral plotselinge opwellende aandoeningen,
zooals vrees, schrik en ontzetting, voor al deze gesteldheden der ziel
vinden zij een uitdrukking, hoe beperkt ook overigens hun
spraakmiddelen mogen zijn.
Hand aan hand gaan met deze de zoogenoemde geestelijke fakulteiten
gepaard. Terecht kan men hier opmerken, dat de hand, die bij hen eerst
tot zekere ontwikkeling is gekomen, hen boven alle andere dieren
grootelijks bevoorrecht, en hen dingen doet doen, die soms grooter
schijnen dan zij werkelijk zijn; zoo ziet men hen kunststukken
verrichten, die een hond of ander dier onmogelijk zou ten uitvoer
kunnen brengen. Toch moet men de apen onder de verstandigste zoogdieren
rekenen, die een mate van overleg ten toon spreiden, welke verbaast.
Zij hebben een sterk geheugen; de verschillendste indrukken blijven
bewaard en hun wikkend verstand verwerkt die indrukken tot ervaringen,
die in voorkomende omstandigheden groote diensten bewijzen. Zij
handelen met volle bewustzijn en niet als slaven, die zonder eigen wil
gehoorzamen aan eene van buiten komende kracht, maar zelfstandig, vrij
en met afwisseling; zij weten slim van alles partij te trekken en waar
het te pas komt bedienen zij zich van allerlei hulpmiddelen om hun doel
te bereiken. Zij onderscheiden oorzaak en gevolg, weten het laatste òf
te verijdelen òf te bewerken; zij onderscheiden niet enkel wat goed of
wat kwaad voor hen is, maar zij weten zelfs of zij goed of slecht
handelen, onverschillig of zij daarbij het standpunt van hun eigen lief
ik, of dat van een boven hen staand wezen innemen. Niet het blinde
toeval, maar het zich bewust zijn van de gevolgen regelt hun doen en
laten, maakt hen afhankelijk van ’t overwegen van ’t betere, noopt hen
om gemeenschappelijk te werken en te handelen, leert hen om gezamenlijk
zich aansprakelijk te stellen voor het wel en wee van ieder
afzonderlijk lid, vreugde en leed, geluk en ongeluk, veiligheid en
gevaar, welvaart en gebrek met hem te deelen, m.a.w. een op
wederkeerige afhankelijkheid berustend verband te vormen; het
onderwijst hen in het gepast aanwenden der hun niet van nature
aangeboren krachten en middelen, en drukt hun eindelijk wapens in de
hand, die deze laatsten hun niet konden schenken. Wel is waar delft de
bezonnenheid dikwijls tegenover hunne driften en neigingen het
onderspit, maar juist deze driften getuigen van de levendigheid der
gewaarwordingen, of, wat op hetzelfde uitkomt, van de werkzaamheid van
hunnen geest. Zij zijn gevoelig als kinderen, prikkelbaar als
geestelijk zwakke menschen, en uit dien hoofde ontvankelijk voor elke
soort van behandeling, hun aangedaan; voor tegemoetkomende liefde, voor
terugstootenden haat, voor aansporenden lof, voor krenkenden smaad,
voor streelende vleierij en bitteren hoon, voor liefkoozingen en
tuchtiging. En toch laten zij zich niet zoo gemakkelijk behandelen, nog
minder africhten als een hond of ander verstandig huisdier, want zij
zijn eigenzinnig in den hoogsten graad en bezitten haast evenveel
zelfbewustzijn als de mensch. Onvermoeid leeren zij, maar slechts
wanneer en voor zooveel zij willen en geenszins dan, wanneer zij er toe
gedwongen worden; hun zelfbewustzijn doet hun elk bevel weêrstreven,
waarin zij geen voordeel voor zich zelf zien. Wel weten zij zeer goed
welke straf hen wacht, en zij geven zulks dikwijls vooraf reeds door
passende geluiden te kennen, maar toch weigeren zij te doen wat hun
geboden werd; daarentegen volbrengen zij gewillig en onder luide
bijvalsteekenen wat hun genoegen verschaft. Hij, die hun zelfbewustzijn
in twijfel trekt, moet hen maar eens gadeslaan, wanneer zij zich bezig
houden met een ander dier. Zij beschouwen dit, zoo althans geen vrees
voor diens sterkte en gevaarlijkheid hen terughoudt, als een speelgoed
voor hunne luimen, onverschillig of zij het plagen, foppen of kwellen,
of nu en dan met liefkoozingen overladen.
Enkele voorbeelden, voor welker waarheid ik in sta, mogen tot bewijs
mijner beweringen strekken.
Toen ik in het land der Bogo’s reisde, ontmoette ik op mijn eersten rit
door het gebergte een talrijke troep dierzelfde mantelbavianen, waarvan
Scheik Kemal el Din Demiri gewaagt. Het was een schilderachtig gezicht,
deze dieren op de bovenste kammen eener rots te zien zitten, terwijl
zij het golvend haarkleed in de zon droogden; ik begroette hen met
geweerkogels, zoodat zij in allerijl de vlucht namen. Terwijl ik mijn
weg door het nauwe en zeer gewonden rotsdal van Mensa vervolgde,
ontmoette ik geruimen tijd later weder denzelfden troep en wel in het
dal zelf, dat zij zich gereed maakten over te steken ten einde
bescherming te zoeken op de rotsen der overzijde. Een aantal was
bereids aan den anderen kant gearriveerd, het grootste deel echter was
nog op het punt den overtocht te bewerkstelligen. Onze honden,
prachtige, slanke hazewinden, die gewoon waren zegevierend den strijd
met hyaena’s en andere roofdieren te bestaan, wierpen zich op de
bavianen, die uit de verte gezien meer op carnivoren dan op apen
geleken, en dreven deze dieren snel rechts en links naar de rotswanden
omhoog. De wijfjes echter alleen vluchtten, de mannetjes vlogen fluks
op de honden in, vormden er een kring omheen, brulden, sloegen grimmig
met de handen tegen den grond, sperden den muil wijd open, lieten de
tanden zien, en zagen hun vijanden zoo woedend en boosaardig aan, dat
de anders zoo moedige honden ontzet terugdeinsden en angstig bij ons
bescherming zochten. Nog voor het ons gelukte de honden weder tegen de
apen op te hitsen, was de toestand der laatsten geheel veranderd, want
toen de honden weêr opnieuw op hen aanvlogen, hadden de meesten zich
reeds in veiligheid gesteld.
Een jonge aap, niet ouder dan een halfjaar, was achtergebleven; toen
deze de honden op zich aan zag komen, begon hij verschrikkelijk te
schreeuwen, doch wist nog bij tijds een rotsblok te bereiken, alwaar
het veilig dacht te zijn. Onze honden handelden met overleg en sneden
den aap den terugtocht af, zoodat wij de hoop begonnen te koesteren het
diertje op te vangen. Maar het zou niet geschieden. Fier en vol
waardigheid, zonder zich in ’t minst te haasten en op ons acht te
slaan, stapte een zeer oud mannetje, van de veilige rots afdalende, op
het in nood verkeerende jong af, ging, zonder de minste vrees te
verraden, de honden tegemoet, hield deze door blikken, gebaren en voor
ieder verstaanbare geluiden in bedwang, beklom langzaam het rotsblok,
legde het bedreigde apenkind aan zijn borst, en voor wij op de plaats
waren gekomen, had hij den terugtocht weêr aanvaard, terwijl de honden
geen poot verroerden en hem stil lieten wegtrekken. En onder dit moedig
bedrijf van zelfopoffering hoorde men in het dichte kreupelhout der
rotshelling, werwaarts de apen zich hadden begeven, tonen weêrklinken,
zooals ik nog nooit van bavianen had gehoord. Ouden en jongen,
mannetjes en wijfjes brulden, gilden, knorden, bromden, blaften door
elkander en verwekten een geschreeuw alsof zij met panters en
dergelijke gevaarlijke roofdieren in gevecht waren geraakt. Het was,
gelijk ik later ontdekte, het veld- of krijgsgeschreeuw der apen, dat
ik hoorde; zij hadden daarmede ten oogmerk om de honden schrik aan te
jagen, misschien ook wilden zij daarmede moed inblazen aan den
onversaagden ouden ridder, die zich onder hunne oogen in het
dreigendste gevaar begaf.
Eenige dagen later zou ik ervaren, dat deze zelfbewuste dieren het ook
tegen den mensch durven opnemen. Bij mijn terugkomst uit het land der
Bogo’s stieten wij nogmaals op een, misschien denzelfden troep; van uit
het dal openden wij uit zeven dubbelloopsgeweren een moorddadig vuur op
hen. De uitwerking was onbeschrijfelijk. Dezelfde oorlogskreten, die ik
vroeger had gehoord, klonken ook nu weder, en als op het bevel van een
generaal rustten zich allen ten strijde. Terwijl de gillende wijfjes
met de jongen ijlings wegvluchtten, en, over den kam der rotsen
spoedende, zich buiten bereik onzer wapenen stelden, betraden de oude
mannetjes, met van woede fonkelende blikken, terwijl zij de handen
tegen den grond sloegen, eer blaffend dan brullend, de vooruitstekende
steenen en rotspunten, overzagen eenige oogenblikken onder voortdurend
luid gebrom, geknor en gegil, de diepte, en begonnen daarop met zooveel
drift en behendigheid ons met steenen te bombardeeren, dat wij het
gevaarlijke onzer positie terstond inzagen en op de vlucht sloegen.
Indien wij niet in staat waren geweest tegen de overstaande hellingen
van het nauwe dal naar boven te klimmen, om ons op deze wijze in
zekerheid te stellen tegen het geschut der apen, wij zouden het
onderspit hebben gedolven. De verstandige dieren handelden bij hunne
verdediging niet alleen stelselmatig, maar daarenboven,
gemeenschappelijk naar één doel strevend, in onderling overleg en
samenwerking. Een onzer zag zelfs hoe een der strijders zijn steen op
een boom droeg, om dien van hier uit met meer effekt naar ons toe te
slingeren; ik zelf nam waar dat twee apen gezamenlijk een zwaren steen
aan ’t rollen brachten.
Tot zulke middelen van tegenweer grijpt geen enkel ander dier dan de
boven allen verheven aap, evenmin als het mannetje eener andere
diersoort zich aan gevaren blootstelt om een hulpeloos jong te redden.
Zulke trekken mogen niet geloochend of verkeerd beoordeeld worden; want
zij getuigen luider en beter voor zichzelf dan alle spitsvondige
uiteenzettingen, die ten doel hebben aan het dier verstand en
zelfbewuste handelingen te ontzeggen.
Hoe juist de hondskopapen oorzaak en gevolg weten te onderscheiden, kan
ieder bij eigen ervaring waarnemen, die deze dieren onbevooroordeeld
nagaat. Zij openen deuren en vensters, schuifladen, kasten en doozen,
maken knoopen los; zij weten hinderpalen uit den weg te ruimen, niet
alleen wanneer zij eenmaal hebben opgemerkt hoe men daarbij te werk
gaat, maar zij vinden zelf middelen uit om daartoe te geraken. Zekere
baviaan, dien ik verzorgde en in mijn gezin had opgenomen, pakte eens
eene jonge kat met het voornemen, dit beestje tot pleegkind aan te
nemen en er moedertje over te spelen. De aap werd eens door het dier
gekrabd; hij stelde terstond een onderzoek in naar de vermoedelijke
oorzaak, en toen hij bevond dat de nagels als zoodanig moesten
beschouwd worden, beet hij deze organen onmiddellijk af, overtuigd dat
hij nu voortaan gevrijwaard zou zijn tegen eene herhaling van deze
onaangename bejegening. Denzelfden baviaan werd nu eens door mijn
broeder dan door mijzelf herhaaldelijk schrik aangejaagd, doordien wij
buskruit op den grond strooiden en dit aanstaken. Het plotseling
ontvlammende kruit veroorzaakte den aap zulk een hevigen angst, dat hij
elken keer luidkeels begon te schreeuwen en zoo ver weg sprong als het
touw, waaraan hij vastgebonden was, toeliet. Nadat dit tooneel eenige
malen was herhaald, kwam de baviaan op den inval het ontvlammen te
voorkomen door eerst het stuk zwam met de hand uit te dooven, en daarna
het buskruit eenvoudig op te eten. Een ander maal werd hij zelf de
oorzaak van zijn angst. Even als alle apen, geen uitgezonderd, was hij
uitermate bevreesd voor reptielen, inzonderheid voor slangen; wij
hadden hierin grooten schik en plaagden hem daarom dikwijls door eene
levende, doode of opgezette slang in eene groote blikken doos te doen,
dien wij hem gesloten toereikten. Hij kende ten laatste doos en inhoud
volkomen, maar niet in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen,
opende hij telkens weder de doos om onmiddellijk daarna met een luiden
schreeuw weg te loopen.
Niet tevreden met de kennis van werkelijk aanwezige oorzaken, zocht
deze aap, indien hem eene onaangenaamheid bejegende, naar ingebeelde
oorzaken.
Iets of iemand moest van zijn leed de schuld zijn, dit stond bij hem
vast. En zoo keerde zich soms zijn volle woede tegen den eersten den
besten, dien hij in ’t gezicht kreeg. Werd hij b.v. bestraft, dan
richtte zijn toorn zich niet op zijn heer en meester, maar op dengene,
die toevallig bij die bestraffing tegenwoordig was; deze was in zijne
oogen de oorzaak der snoode behandeling, die hij van de zijde zijns
anders zoo goedaardigen gebieders ondervond. Even als onverstandige
menschen in dergelijke gevallen ook gewoon zijn te doen, verdacht hij
dus onschuldigen.
Ofschoon zelf buitengemeen gevoelig voor eene hem aangedane of
toegedachte onrechtvaardige behandeling, zoo ook indien men hem plaagde
of kwelde, kon onze baviaan het toch nimmer nalaten andere dieren te
sarren, ja te mishandelen. Onze oude, knorrige dashond hield eens,
genoegelijk in de zon uitgestrekt, zijn middagslaapje. De baviaan zag
zulks, sloop voorzichtig naar de plaats, waar de hond lag, beschouwde
het dier aandachtig met zijn duivelsche, boosaardige oogjes, om zich te
overtuigen, dat de hond werkelijk sliep, pakte vlug diens staart en
bracht het beest door krachtig aan dat orgaan te trekken uit de wereld
der droomen in die der werkelijkheid terug.
Grimmig trachtte de hond dezen hoon te wreken en sprong op den
twistzoeker los.
Deze echter ontkwam de dreigende straf door vlug over den hond heen te
springen; hij had in ’t volgende oogenblik wederom den staart van dit
dier gegrepen, daar weêr aan getrokken, zich vermakende met de
machteloosheid van zijn vijand, totdat deze met beveiligden, d.i. met
opgetrokken staart, razend van toorn en woede, tot blaffen niet meer in
staat, schuimbekkend het hazepad koos om zijn tegenstander het veld te
laten. Zoo de baviaan had kunnen lachen, zou er niets meer ontbroken
hebben aan de overeenstemming tusschen zijne handelwijze en die van een
boosaardig mensch. Niettemin werd de overwonnen hond op zeer
verstaanbare wijze met spot en schimp overladen. Elke plagerij, hem
zelven daarentegen aangedaan, nam de aap zeer euvel op en reeds het
lachen van den een of anderen guit kon hem in woede doen ontsteken,
terwijl hij niet naliet zich op zoo iemand te wreken zoodra hij de kans
schoon zag, al mochten er ook weken verloopen zijn sedert het feit was
bedreven. Hij was een „aap”, hij gevoelde zijn waarde als zoodanig, en
beschouwde alzoo den hond als een zoo verre beneden hem staand wezen,
dat zijne aanmatiging ons even verschoonbaar voorkomt, als die van
zeker ander wezen, dat tegenover hem op gelijke wijs dorst te handelen,
in de oogen des aaps verkeerd en strafbaar schijnt.
Van zulk een sterk gevoel van eigenwaarde, juister gezegd van
overschatting van eigenwaarde, geven de hondskopapen ons dagelijks een
aantal bewijzen; men moet hen slechts nauwlettend gadeslaan. Dezelfde
baviaan, van wien zoo even sprake was, hield, gelijk alle apen, veel
van pleegkinderen; eens trok hem een meerkat, die met hem dezelfde kooi
deelde, bijzonder aan. Men kon hem dit dier zelfs buiten de kooi gerust
toevertrouwen; altijd had hij de meerkat aan zijn zijde en deze sliep
in zijn armen en gehoorzaamde hem slaafs. De baviaan beschouwde deze
onderworpenheid als iets, wat van zelf sprak; onbepaalde gehoorzaamheid
vooral eischte hij evenwel tijdens den maaltijd. Terwijl de
goedaardige, gehoorzame meerkat zonder eenigen schijn van verzet gedwee
toestond, dat haar pleegmoeder—onze baviaan was een wijfje—de beste
stukken voor zich zelf behield, gunde de laatste haar lieveling niet
meer dan het allernoodigste; was de meerkat zoo gelukkig geweest, iets
ter zijde te leggen, b.v. iets in haar wangzakken te steken,
onbarmhartig brak hij deze open om den inhoud zichzelf toe te eigenen.
Hoe groot de aanmatiging en overschatting van eigen persoonlijkheid bij
de hondskopapen ook mogen zijn, zij zijn zich niettemin zeer goed
bewust van iets strafbaars gepleegd te hebben. Schomburgk haalt ten
bewijze daarvan een zeer leerzaam voorbeeld aan. In de zoölogische
afdeeling van den plantentuin te Adelaïde deelde een oude hoedaap met
twee soortgenooten, waarover hij erg de baas speelde, hetzelfde hok.
Door de eene of andere toevallige omstandigheid geërgerd, overvalt deze
aap op zekeren dag onverhoeds zijn oppasser, en brengt dezen, door hem
een slagader van het handgewricht door te bijten, eene gevaarlijke
wonde toe. Schomburgk veroordeelde den booswicht ter dood en gelast aan
een anderen oppasser dit vonnis door middel van kruit en lood ten
uitvoer te brengen. Apen nu zijn zeer gewend aan vuurwapenen, daar deze
veel worden gebruikt om in den tuin schadelijke dieren te dooden; zij
kennen de uitwerking, doch maken zich volstrekt niet ongerust wanneer
men hen in de nabijheid van zulke voorwerpen brengt. Ook nu, op den
volgenden dag na het misdrijf van den tyran, blijven de beide jonge
apen rustig aan den etensbak zitten als de oppasser aan wien de
executie van hun kameraad was opgedragen, zich laat zien; maar de
veroordeelde misdadiger daarentegen vliegt snel naar zijn slaaphok en
is door geen enkel lokmiddel te bewegen dit te verlaten. Men poogt hem
te paaien door hem voedsel aan te bieden; hij laat, wat vroeger nooit
geschiedde, zijn beide slaafjes de lekkere kost verteren, en waagt het
niet aan hun maaltijd deel te nemen. Eerst wanneer de onheilspellende
oppasser zich verwijderd heeft sluipt hij steelsgewijs nader, neemt
snel eenige brokken om angstig naar zijn veilige schuilplaats terug te
vlieden. Men slaagt er eindelijk in hem voor de tweede maal naar buiten
te lokken en den toegang tot zijn sluiphoek van buiten te sluiten. En
als hij nu weder den oppasser met het moordtuig ziet naderen, weet hij,
dat hij reddeloos verloren is. Als waanzinnig werpt hij zich op de deur
van zijn slaapvertrek om deze zoo mogelijk te openen; als hem dit niet
gelukt, vliegt hij als een waanzinnige door de kooi, alle hoeken en
gaten doorzoekende of deze hem nog gelegenheid bieden tot ontkoming, en
eindelijk, geene uitkomst ziende, over zijn geheele lichaam sidderende,
werpt hij zich vertwijfelend op den grond en onderwerpt zich
wilsverlamd aan zijn noodlot, dat hem een oogenblik later heeft
achterhaald.
Men zal moeten toestemmen, dat geen enkel zoogdier uit een der andere
orden zoo zou handelen, zelfs niet zou de sedert duizenden van jaren
door den mensch gedresseerde en onderwezen, ik zou haast zeggen, door
den mensch geschapen hond; zelfs deze heeft het niet eens tot zulk eene
hooge verstandelijkheid gebracht. En toch ligt er nog eene breede klove
tusschen genoemde hondsapen en de menschapen, van welke laatste ik
zooeven heb opgemerkt, dat zij zich reeds boven het gemiddelde peil van
het apendom hebben verheven.
Onder menschapen begrijpen wij al die apen, welke in gedaante het meest
op den mensch gelijken, doch zich van dezen nog zeer onderscheiden door
hun grootere hoektanden, de betrekkelijk lange armen en korte beenen,
den bouw der hand, de bij sommige soorten voorkomende eeltplekken en
het haarkleed. Zij bewonen de tropische gewesten van Afrika en Azië, in
laatstgenoemd werelddeel in meer soorten dan in het eerste, en
vervallen in drie familiën, een van welke tot Afrika beperkt blijft.
Elk dezer familiën bevat slechts weinig soorten, maar waarschijnlijk
zijn ons alle soorten nog niet bekend.
Ook de menschapen worden door hun bouw gedwongen hoofdzakelijk op de
boomen verblijf te houden; zij zijn echter evenmin als slankapen,
meerkatten en makako’s boomslaven, veeleer uitnemende klimmers. Zij
bewegen zich echter, zoowel op de takken als op den grond, anders dan
alle andere apen. Wanneer zij een boom, inzonderheid een gladden stam
zonder takken beklimmen, nemen zij dezelfde houding aan als een mensch,
wanneer deze in een boom klimt; geholpen door hun lange armen en korte
beenen vorderen zij evenwel veel sneller dan de meest geoefende en
vaardigste menschelijke klimmer; in de vertakking aangeland beschamen
zij den besten turner door de veelsoortigheid en zekerheid hunner
bewegingen. Met hunne ver reikende armen vatten zij den eenen tak, met
de voeten omklemmen zij een ander, die met den eersten parallel loopt
en iets lager zit, ongeveer voor de helft, om er nu over heen te
loopen, terwijl zij den bovensten tak als leuning gebruiken, en dat zoo
snel, dat een man beneden al loopende zijn best zou moeten doen om hem
bij te houden; en toch, de apen spannen zich daarbij in ’t geringste
niet in. Aan het uiteinde van den tak gekomen, grijpen zij een
nabijzijnden tak, b.v. van den naasten boom, en zetten hierop hunne
wandeling met gelijke snelheid voort, zonder zich daarbij wezenlijk te
haasten. Willen zij naar boven dan grijpen zij den eersten den besten
tak, zoo deze hen slechts kan dragen, en slingeren zich vaardig omhoog,
onverschillig of één of beide armen gebruikt worden; willen zij naar
beneden, dan hangen zij zich aan beide armen op en zoeken met hun
voeten naar een nieuw steunpunt. Soms ziet men hen enkel voor hun
genoegen minuten lang in deze houding schommelen; dikwijls loopen zij,
met handen en voeten den tak omvattende, voor de afwisseling langs
deszelfs benedenkant; kortom, elke denkbare houding nemen zij aan, elke
denkbare beweging wordt door hen in de hoogte uitgevoerd. Onovertroffen
meesters in het klimmen zijn de langarmapen of gibbons, menschapen met
zulke onevenredig lange armen, dat deze eene lengte kunnen overspannen
tweemaal zoo groot als die van hun geheele lichaam, dit in
rechtopgaande houding gedacht. Met ongeëvenaarde snelheid en zekerheid
beklimmen zij de boomkruinen of bamboestengels, brengen dezen of den
een of anderen hun dienenden tak in schommeling, en slingeren dan bij
het terugbuigen met zulk eene gemakkelijkheid over tusschenruimten van
8 à 12 meter, dat men waant een afgeschoten pijl of een naar beneden
stootenden vogel te zien. Ook deze apen kunnen onder het springen de
eerst ingeslagen richting nog veranderen en den sprong plotseling
afbreken, door den eersten den besten tak te grijpen, zich daaraan vast
te klemmen, er aan te schommelen, te wiegelen en er eindelijk bij op te
klimmen, ’t zij om eerst even te rusten, ’t zij om terstond weder van
voren aan te beginnen.
Niet zelden springen zij op deze wijze achtereenvolgens drie-, vier-,
vijfmalen door de lucht, zoodat het den schijn heeft alsof de
zwaartekracht voor hen niet bestond. Even gemakkelijk als zij klimmen,
even moeilijk valt hun het gaan. Sommige andere menschapen kunnen
zonder groote inspanning in opgerichten stand, dus alleen op de voeten
een vrij grooten afstand afleggen; echter, indien zij wat haastig
willen loopen, vallen ze weêr voorover, en waggelen nu op handen en
voeten verder, hierbij steunende op de omgebogen vingerknokkels en den
buitenkant der voetzolen, terwijl zij het lichaam, dat als een logge en
zware massa tusschen de omhoogstaande armen schommelt, als het ware
vooruitwerpen.
De gibbons echter bewegen zich alleen in geval van nood op deze wijze
en dan nog meer springend dan loopend; daarentegen leggen zij veel
korter afstanden af als zij zich in hun volle lengte oprichten, om, met
uitgeslagen armen zich in evenwicht houdende, de duimen zoover mogelijk
uitspreidende, met kleine, snel opeenvolgende schreden allerdroevigst
voort te strompelen. Hunne bewegingen moeten dus eenzijdig genoemd
worden; want, wat zij in vaardigheid in ’t klimmen boven de andere
menschapen vooruit hebben, verliezen zij weder ten aanzien van hunne
hulpeloosheid op den vlakken grond.
De stem der menschapen is onze aandacht ten volle waard. Wij vinden
n.l. dat de levendigste en vlugste soorten der groep ook de luidste
stem bezitten, terwijl daarentegen de menschapen, welke meer veelzijdig
ontwikkeld zijn, alhoewel hunne levendigheid bij die der anderen
achterstaat, met een meer rijk geluid begiftigd zijn. Ik zeg niet te
veel, wanneer ik beweer, dat ik nooit van eenig zoogdier, natuurlijk
den mensch uitgezonderd, eene stem heb gehoord, die voller van toon en
welluidender in mijn oor heeft geklonken dan die van de door mij in
gevangen staat waargenomen langarmapen. Aanvankelijk was ik verbaasd,
later verrukt over deze uit diepe borst, met volle kracht uitgestooten,
eer aangenaam dan onaangenaam klinkende, zuivere, ronde tonen. Bij
zekere soort begint het verklinkend geroep, dat ik liever een gezang
dan een geschreeuw wil noemen, met den grondtoon E en klimt door alle
toonen van de chromatische ladder een octaaf omhoog, om met een gillend
geluid te eindigen, in hetwelk het dier al zijn kracht schijnt te
vereenigen. De grondtoon blijft steeds hoorbaar en dient als voorslag
voor elke volgende noot, die bij het klimmen altijd langzamer, bij het
dalen altijd sneller en eindelijk zeer snel op de voorgaande volgt. Zij
worden evenwel met evenveel regelmaat als schielijk voorgedragen.
Enkele soorten moeten minder zuivere tonen voortbrengen, maar toch
roepen allen zoo luid, dat men ze in de open lucht wel een engelsche
mijl ver, duidelijk kan hooren. Dezelfde afhankelijkheid tusschen
bewegingsvermogen en stem merken wij op bij andere menschapen. Van de
zich zoo langzaam bewegende en droefgeestige orang-oetans heeft men,
voor zoover mij bekend is, nog nimmer een ander geluid vernomen dan een
krachtig, laag keelgeluid; de vroolijke, bewegelijke en wakkere
chimpanzee daarentegen weet in de weinige geluiden, over welke hij te
beschikken heeft, zulk een afwisselenden klank te leggen, en er zulk
eene verstandelijke uitdrukking aan te geven, dat men geneigd wordt
dezen aap een taal toe te kennen. Met woorden spreekt hij weliswaar
niet, maar hij doet zulks met geluiden, zelfs met sylben, over welker
zich steeds gelijk blijvende beteekenis elke waarnemer, die geruimen
tijd met hem verkeerde, niet in twijfel kan staan. Geen andere
menschaap komt den chimpanzee hierin nabij.
Wie uit eigen ervaring de hoogte wil leeren kennen, tot welke het
intellekt van een aap zich kan verheffen, kan niet beter doen dan den
chimpanzee of een van diens allernaaste verwanten tot het voorwerp
zijner waarneming te maken, en geruimen tijd op intiemen voet met hem
te verkeeren, even gelijk ik heb gedaan. Men zal dan met verwondering
en verbazing, misschien wel niet zonder zekere huivering ervaren, hoe
klein de klove kan worden, die den mensch van de apen scheidt. Ook de
andere menschapen zijn zeer verstandige dieren; ook zij overtreffen in
alle opzichten alle andere apen, doch deze talenten komen echter noch
bij de gibbons, noch bij de orang-oetans tot zulk een algemeen
verstaanbare uitdrukking, of springen zoo sterk in ’t oog als bij
eerstgenoemden.
Deze pongo’s—de gorilla, tschego en chimpanzee—kan, mag men niet meer
als dieren behandelen; men moet veeleer met hen verkeeren als waren het
menschen, wil men hunne geestesgaven naar eisch leeren kennen en
waardeeren. Hun verstand staat weinig lager dan dat van een ruw,
onwetend, onbeschaafd mensch. Zij zijn en blijven dieren, maar zij
handelen zoo menschelijk, dat men het dier in hen vergeet.
Ik heb jaren lang chimpanzee’s verzorgd, hen nauwkeurig en
onbevooroordeeld gadegeslagen, en veel en intiem met hen verkeerd; ik
heb hen in mijne familie opgenomen, ze gemaakt tot speelkameraads
mijner kinderen, aan mijn tafel laten eten, hen onderwezen, ja
letterlijk opgevoed; ik heb ze in ziekten opgepast en in hun
stervensuur niet verlaten; ik mag dus aannemen, dat ik deze dieren
althans zoo goed ken als iemand anders en dus in staat ben een juist
oordeel te vellen. Om al deze redenen kies ik den chimpanzee tot
voorbeeld, teneinde u duidelijk te maken tot welk een hoogte een dier
geestelijk kan klimmen.
De chimpanzee is niet alleen een der verstandigste schepselen, maar ook
een nadenkend, overleggend wezen. Al zijn handelingen getuigen van
bewustzijn en overleg. Hij bootst na, maar met verstand en oordeel; hij
laat zich onderwijzen en leert. Hij is zichzelf bewust en draagt kennis
van zijn omgeving, alsmede van de plaats, die hij inneemt. In den
omgang met den mensch onderwerpt hij zich aan dezen als aan eene boven
hem staande geestelijke meerderheid; in het verkeer met dieren geeft
hij blijk van hetzelfde bewustzijn van eigen persoonlijkheid als de
mensch. Wat in dit opzicht bij andere apen slechts flauw te voorschijn
treedt, is bij den chimpanzee duidelijk uitgedrukt. Hij houdt zich voor
beter en meerder dan andere dieren, zelfs dan andere apen; hij maakt
onderscheid tusschen menschen en menschen; hij behandelt b.v. kinderen
geheel anders dan volwassenen; voor de laatsten heeft hij ontzag, de
eersten behandelt hij ongeveer als zijns gelijken. Hij geeft zijn
medelijden te kennen ten aanzien van dieren, met welke hij geen
vriendschap sluiten of andere betrekkingen aanknoopen kan, en eveneens
met voorwerpen, die zijn natuurlijke behoeften niet kunnen bevredigen,
want hij is niet enkel nieuwsgierig, maar tevens weetgierig. Elk
voorwerp, dat zijne opmerkzaamheid trok, wint bij hem in waarde,
wanneer het hem eenig voordeel kan schenken. Hij kan besluiten trekken,
het een uit het ander afleiden, en weet vroegere ervaringen doelmatig
over te dragen op nieuwe verhoudingen; hij is listig, ja doortrapt
slim, heeft geestige invallen en veroorlooft zich grappen, laat van
luim en humeur blijken, vindt het eene gezelschap onderhoudend, het
andere vervelend, leent het oor aan passende scherts, maakt zich boos
over minder gepaste, is eigenzinnig, ofschoon niet koppig, goedaardig,
maar gooit zichzelf niet weg. Zijn gevoel drukt hij uit als een mensch.
Is hij welgemoed, hij glimlacht, is hij bedrukt, zijn gezicht trekt
zich in plooien, die op zichzelf reeds genoeg te kennen geven, maar
waaraan hij door een klagend geluid nog nadere verklaring toevoegt; in
ziekten stelt hij zich aan als een wanhopige, vertrekt het gezicht,
schreeuwt, werpt zich op den rug, slaat met handen en voeten om zich
heen en rukt zich de haren uit. Een vriendelijken groet beantwoordt hij
met geluiden, die tevredenheid uitdrukken, barsche woorden door zulke,
die leedgevoel te kennen geven. Van den morgen tot den avond is hij in
de weer, hij zoekt steeds bezigheid en bedenkt iets nieuws, wanneer de
gewone handelingen en oefeningen zijn afgeloopen, al zou hij ook niets
anders doen dan met de handen tegen de voeten slaan, of, door op holle
klankgevende lichamen te kloppen allerlei geluiden te voorschijn
roepen, die hem zichtbaar genot verschaffen. In de kamer houdt hij zich
onledig met het onderzoeken van alle mogelijke voorwerpen; hij opent
schuifladen en keert den inhoud om, ziet naar het vuur, nadat hij het
kacheldeurtje eerst heeft open gemaakt, om het daarna ook weder te
sluiten; hij hanteert een sleutel gelijk het behoort, gaat voor den
spiegel staan en aanschouwt met blijkbaar welbehagen zijn eigen
beeltenis, en meteen de gebaren en grimassen, die hij daarbij maakt;
hij gebruikt bezems en dweilen, zooals men hem geleerd heeft, hult zich
in dekens en kleedingstukken, enz.
Hoe juist hij waarneemt blijkt uit zijn bijna altijd rechtvaardig
oordeel ten aanzien van menschen. Hij kent en onderscheidt niet alleen
zijn vrienden van andere lieden, maar zelfs goedgezinde van
kwaadgezinde menschen, en zulks zoo scherp, dat de oppasser van zekeren
chimpanzee overtuigd was iederen mensch, dien deze aap van zich stiet
als een deugniet of booswicht te mogen beschouwen. Zeker doortrapt en
geslepen huichelaar, die mijzelf en anderen wist te misleiden, was mijn
chimpanzee van den beginne af een gruwel, even alsof hij den
roodharigen schurk van het eerste oogenblik af had doorgrond.
Een chimpanzee, met wien men zich veel bezighoudt, verkeert het liefst
in den huiselijken kring. Hier doet hij, alsof hij zich onder zijns
gelijken bevindt. Hij let nauwkeurig op alle huiselijke gewoonten,
merkt terstond op of men hem gadeslaat of niet, doet in het eerste
geval wat men verlangt, en in het tweede wat hemzelf behaagt. Spelende
leert hij, en daarbij betoont hij den grootsten ijver, dus geheel
anders dan andere apen. Men kan hem leeren rechtop aan tafel te zitten,
bij ’t eten mes, lepel en vork te gebruiken, uit een glas of een kopje
te drinken, de suiker in het kopje om te roeren, met zijn buurman te
klinken, het servet te gebruiken, enz. Even gemakkelijk gewent hij zich
aan kleedingstukken, dek en bed; zonder veel moeite eigent hij zich een
deel der menschelijke taal toe, beter nog dan de best opgevoede hond,
daar hij zich niet enkel naar den klank der woorden richt, maar tevens
naar hunne beteekenis, en bepaalde lastgevingen en bevelen juist
uitvoert. Uiterst gevoelig voor liefkoozingen en vleierij, zelfs voor
loftuitingen, evenzeer voor een onvriendelijke behandeling of
berisping,—is hij tevens vatbaar voor de levendigste dankbaarheid en
ook al heeft men hem daartoe niet afgericht, geeft hij zulks te kennen
met handdruk of kus. Van kinderen houdt hij ongemeen veel. Uit zijn
aard niet humeurig, evenmin boosaardig, behandelt hij kinderen, zoo
lang deze hem niet plagen, altijd zeer vriendelijk, kleine, nog
hulpelooze wichtjes zelfs met eene waarlijk roerende teederheid; in het
verkeer met anderen zijner eigen soort, met andere apen of andere
dieren daarentegen kan hij niet zelden ruw en onvriendelijk worden. Ik
breng dezen karaktertrek, dien ik bij alle door mij verzorgde
chimpanzees heb opgemerkt, daarom onder de aandacht, dewijl men hieruit
kan zien, hoe deze aap zelfs in het kleinste kind een mensch herkent en
waardeert.
Roerend is het gedrag van een zieken, zwaar lijdenden menschaap.
Smeekend, klagend, waarlijk menschelijk, ziet hij zijn oppasser aan,
ontvangt elk hulpbetoon, iederen dienst met innige dankbaarheid en ziet
alras in den geneesheer zijn weldoener, reikt dezen den arm of steekt
op diens verlangen de tong uit, ja doet zulks bij een herhaald bezoek
van den geneesheer reeds uit zichzelf; hij neemt gewillig de
geneesmiddelen in en staat zelfs toe dat de chirurg hem opereert; in
één woord, hij handelt als een ziek en geduldig mensch. Naarmate zijn
einde nadert wordt hij zachter gestemd, treedt het dierlijke meer op
den achtergrond en komen de meer edele trekken van zijn wezen meer te
voorschijn.
De chimpanzee, dien ik het langst verpleegde en met behulp van een
verstandigen en dierenlievenden geneesheer op het zorgvuldigst
verzorgde, kreeg eene longontsteking, gepaard met eene verettering der
lymphklieren van den hals. Chirurgische behandeling bleek noodzakelijk.
Twee artsen, die met mij en mijn chimpanzee bevriend waren, namen op
zich het halsgezwel te openen; dit bleek te meer noodzakelijk daar de
aap zelf hierin de oorzaak zijner kwaal zocht en al aanstonds de hand
des onderzoekers op die plaats bracht. Maar hoe de snede aan de
gevaarlijke plek uit te voeren, zonder het dier in gevaar te brengen?
Verdoovende middelen konden niet toegepast worden wegens de zieke
longen, en elke poging, om den chimpanzee door eenige sterke mannen
vast te houden moest opgegeven worden, daar het in hoogen graad
opgewonden dier hevigen tegenstand bood. Wat geweld niet vermocht,
bewerkte overreding. Door minzame toespraken en liefkoozingen van de
zijde zijns oppassers weder tot rust gebracht, liet de aap nogmaals
gewillig toe, dat het halsgezwel werd onderzocht, en zonder een ooglid
te vertrekken, veroorloofde hij den geneesheer nu het mes te gebruiken;
zonder eenige klacht te uiten doorstond hij alle verdere
kunstbewerkingen, zelfs de zoo pijnlijke ontlasting van het geopend
gezwel. De belemmerde ademhaling werd weêr vrij; een niet te miskennen
uitdrukking van verlichting kwam op het gelaat des lijders, dankbaar
reikte hij dan beide geneesheeren de hand, en omhelsde blijde zijn
oppasser—niemand echter had hem tot het een zoo min als het andere
aangespoord!
Helaas, het leven des diers bleef niet gespaard. De halswond genas,
maar de longontsteking nam toe en werd eene oorzaak des doods. Met
volle bewustzijn gaf hij den geest, zacht en kalm, niet gelijk een
dier, maar zooals een mensch sterft.
Dit zijn karaktertrekken uit het leven en gedrag van een menschaap,
wier beteekenis noch verkleind, noch misduid kan worden. Bedenkt men
daarbij, dat deze karaktertrekken aan alle nog niet volwassen, maar op
kinderlijken leeftijd staande apen konden afgeluisterd worden, dan
wordt men wel genoodzaakt aan deze dieren een zeer hooge plaats in te
ruimen. Want de door den een of anderen onbevoegden waarnemer
uitgesproken, en door honderden gedachtenloos nagesproken bewering, dat
de aap met toenemenden leeftijd geestelijk achteruitgaat is niets
anders dan een grove leugen, die onmiddellijk weerlegd wordt door
iederen van zijn jeugd af tot zijn rijperen leeftijd toe goed en
onbevooroordeeld gade geslagen aap. Al wisten wij van volwassen
menschapen ook verder niets anders dan deze twee feiten, 1o. dat zij
eer huizen dan nesten bouwen, en 2o. dat zij holle boomen als trom
gebruiken, om daarop voor hun vermaak te trommelen, dan reeds zou zulks
genoeg zijn om ons tot hetzelfde besluit te leiden, als waartoe de
jonge, door ons verzorgde apen dezer groep ons hebben gebracht. M.a.w.
om in dezen de meest hoogbegaafde dieren en onze eigene allernaaste
bloedverwanten te zien.
En nu de apenvraag? Ik zou mogen aannemen, dat ik deze vraag in
bovenstaande regelen reeds voldoende heb beantwoord; toch wil ik gaarne
mijne opvatting nog iets breeder ontwikkelen.
Een iegelijk moet toestemmen, dat de mensch geen vertegenwoordiger is
van een bijzonder natuurrijk; hij is slechts een lid van het dierenrijk
en nu is het voor iederen onbevooroordeelde duidelijk, dat de apen onze
naaste verwanten zijn. Vergelijkt men de apen onderling en met de
menschen, dan komt men onvermijdelijk tot de overtuiging, dat het
verschil tusschen de klauwapen en de menschapen grooter is dan tusschen
deze laatsten en den mensch. In dierkundigen zin kan men dus zelfs niet
eens aan de menschen en de apen eene plaats in verschillende orden van
de klasse der zoogdieren aanwijzen. Men heeft zulks toch gedaan en doet
zulks nog, en noemt de menschen tweehandig, de apen vierhandig, maar
hierbij zag men het gewichtigste kenmerk der zoogdieren, het gebit,
over het hoofd. Het gebit van apen en menschen is werkelijk zoo zeer
aan elkander gelijk, dat dit kenmerk ons dwingt beiden in eene en
dezelfde afdeeling te plaatsen. Bovendien zijn ook de bepalingen twee-
en vierhandig niet juist; wel bieden de menschen en apen groote
verschillen aan, wat den bouw hunner handen en voeten betreft, maar zij
vormen daarom nog geen tegenstellingen; de apen zijn even goed
tweehandig als wij. Wil men ter plaatsbepaling van menschen en apen
dezelfde wetten toepassen, die men zonder uitzondering elders in het
dierenrijk aanwendt, dan wordt men gedwongen beide in dezelfde orde te
vereenigen. Ik heb ze den naam van „primaten,” of eersten, gegeven.
De overeenstemming evenwel, wat de kenteekenen der orde aangaat, moge
nu bij alle primaten aan geen bedenking onderhevig zijn, toch blijken
er bij eene nauwkeurige beschouwing van menschen en apen verschillen te
bestaan, die eene innige versmelting wederom beletten. De
evenredigheden in vormen, de betrekkelijke mindere lengte der armen, de
breedte en groote bewegelijkheid der handen, de lengte en kracht der
beenen, de platte voetzolen, de naakte huid en vooral de mindere
ontwikkeling der hoektanden, zijn lichamelijke kenmerken der menschen,
wier waarde men niet te gering moet schatten, ja, die belangrijk genoeg
zijn om beiden althans tot verschillende familiën te brengen, zoo niet
tot twee verschillende onderorden. Trekt men verder nog den meerderen
aanleg van den mensch in den kring der beschouwingen, vergelijkt men
zijn bewegingen, zijn gearticuleerde spraak, zijn geestelijke vermogens
met de overeenkomende fakulteiten der apen, dan voorzeker gevoelt men
zich nog meer gedrongen tot bovengenoemde onderscheiding.
Blinde aanhangers der evolutieleer, door Darwin gegrondvest en door
anderen verder uitgewerkt, overschrijden gedachtenloos die grenzen; wie
nadenkt kan zich niet aan hunne zijde scharen. Hoe bevredigend, om zoo
te zeggen hoe waarschijnlijk de Darwinistische leer ook zijn moge, meer
dan eene zinrijke hypothese is zij tot dusverre niet, en onomstootbare
bewijzen voor hare waarheid kon zij tot heden niet bijbrengen.
Veranderlijkheid der rassen en variëteiten kan men bewijzen en zelfs in
’t leven roepen, de omvorming van de eene soort in eene andere werd tot
nog toe voor geen enkel geval bewezen. En zoolang laatstgenoemd bewijs
nog niet is geleverd, zoo lang behouden wij ook het recht menschen en
apen als van elkander verschillende wezens te beschouwen en de
afstamming van den een uit den ander te ontkennen. Elke poging om een
gemeenschappelijken voorvader te ontdekken, elke poging om een stamboom
van den mensch te ontwerpen, kan hierin niets veranderen, want de ware
natuurwetenschap vergenoegt zich niet met verklaringen, maar verlangt
bewijzen; zij wil niet gelooven, maar weten.
En zoo mogen wij dan onbekommerd aan de apen die plaats inruimen, die
het onbevooroordeeld onderzoek hun in de rij der dierlijke wezens
aanwijst. Als de op ons het meest gelijkende dieren, of als onze naaste
verwanten in dierkundigen zin mogen wij hen beschouwen, maar meerdere
rechten ontzeggen wij hun te eenenmale. Veel, wat den mensch geschonken
werd, viel ook hun ten deel; van het werkelijke menschdom scheidt hen
nog eene breede klove. Veel van den mensch, maar niet de geheele mensch
werd in hen belichamelijkt en vergeestelijkt.