Alle levende wezens voelen in zich den drang om het andere geslacht aan
zich te binden, om een tweede ik met het eigen wezen tot één geheel te
vereenigen; door onbaatzuchtige overgave trachten zij gelijke gevoelens
op te wekken, ten einde de innigste banden te sluiten, die het eene
wezen aan een tweede, het eene leven aan een ander verbindt. Wij zien
hierin de openbaring eener even onverbiddelijke als noodwendige
natuurwet; geene macht is in staat die wet op te heffen, of zelfs maar
haar invloed te verzwakken. Onophoudelijk overwint zij alle hinderpalen
en streeft zij steeds zegevierend naar het doel.
Liefde noemen wij de alvermogende kracht, door welke deze wet regeert,
wanneer wij van menschen spreken; wij heeten haar instinct, wanneer er
van haar invloed op de dieren sprake is.
Zulks is evenwel niets anders dan een woordenspel, tenzij wij de
beteekenis van het eerstgenoemde woord zoodanig wijzigen, dat wij er
onder verstaan: de ook in den mensch aanwezige, maar door hem veredelde
en tot een zedelijk beginsel verheven natuurlijke aandrift. Ontdoen wij
het van deze toevoeging, dan wordt het moeilijk eenig verschil in
beider uitingen op te merken. Mensch en dier gehoorzamen aan dezelfde
wet; maar het dier is gewilliger in ’t gehoorzamen dan de mensch. Het
dier wikt niet, berekent niet, maar geeft zich onstuimig over aan den
invloed dier wet. De mensch daarentegen beeldt zich niet zelden in, dat
hij zich aan haar invloed kan onttrekken.
Ongetwijfeld ziet hij, die à priori reeds de solidariteit van mensch en
dier in twijfel trekt, in het laatste niets anders dan een levende
machine, die door van buiten aangebrachte krachten in beweging wordt
gesteld en tot handelen gedreven, en dus ook daardoor wordt aangespoord
om naar de gunst van het andere geslacht te dingen, aangevuurd tot zijn
jubelend gezang en geprikkeld tot den strijd met mededingers. Het
spreekt wel van zelf, dat er bij zulke machines geen sprake kan zijn
van vrijheid en eigen wilsbepaling, van strijd tegen opkomende
gemoedsaandoeningen, van eenig zieleleven in ’t algemeen. Zonder zelf
daardoor in waarde te stijgen, verlaagt hij, die op deze wijze voor
zich alleen aanspraak maakt op geestelijk leven, inzonderheid op
geestelijke vrijheid, het dier tot een conterfeitsel zijner opgeblazen
ijdelheid, tot een wezen, dat eer een schijnleven dan een werkelijk
bestaan voert, en onvatbaar is voor de genietingen en vreugde des
levens.
Wij oordeelen anders en ongetwijfeld is ons oordeel juister en
billijker, wanneer wij het tegendeel aannemen; wij oordeelen misschien
niet eens te scherp, wanneer wij beweren, dat hij, die aan de dieren
verstand ontzegt, zelf bezorgdheid inboezemt, en dat hij, die het
gevoelsleven der dieren loochent, zelf niet weet wat gevoel is. Wie
onbevangen oordeelt zal vroeger of later tot de erkenning moeten komen,
dat de geestelijke functies van alle dierlijke wezens, hoeveel verschil
daaromtrent ook moge bestaan, op dezelfde wetten berusten, en dat elk
dier, binnen den hem aangewezen levenskring, onder dezelfde
omstandigheden denkt, gevoelt en handelt als ieder ander, en geenszins
in tegenstelling met den mensch, volgens zoogenaamde hoogere wetten,
tot eng bepaalde levensuitingen gedwongen wordt. Men moge de oorzaken,
die de dieren bij hunne handelingen besturen, met den naam van wetten
bestempelen, maar dan moet men niet uit het oog verliezen, dat ook de
mensch aan zulke wetten onderworpen is. Wel is waar, de mensch kan door
zijn geest sommige dier natuurwetten aan zich dienstbaar maken, op
andere invloed uitoefenen, eene enkele maal zelfs zich misschien aan
die wetten onttrekken, maar verbreken kan hij ze niet, vernietigen
evenmin.
Ik wil beproeven de juistheid mijner beweringen te staven door met een
voorbeeld op te helderen hoe gelijksoortig in het wezen der zaak de
levensuitingen van menschen en dieren kunnen zijn, hoe beiden door de
belangrijkste aller natuurwetten, die de onderhouding der soort beoogt
of ten gevolge heeft, in gelijke mate beheerscht worden. Mensch en
vogel! hoe breedt is de klove, die beide wezens scheidt! hoe groot is
het verschil tusschen beider doen en laten! Is er eene macht, die deze
kloof kan dempen? Zijn er verhoudingen mogelijk, die beiden kunnen
nopen tot wezenlijk dezelfde levensuitingen? Wij willen zulks
onderzoeken.
Onbezorgder dan de mensch onderwerpen de vogels zich aan de wisseling
der jaargetijden. „Zij zaaien niet, zij oogsten niet en verzamelen niet
in de schuren” en deswege moeten zij, willen zij leven, zich goedschiks
of kwaadschiks voegen naar de bovengenoemde variaties. Daarom bloeien
zij in de lente, brengen ze in den zomer vruchten voort, bergen deze en
zich zelf in den herfst, en rusten in den winter, evenals aller moeder,
de aarde. Hunne levensuitingen zijn gebonden aan de seizoenen des
jaars.
In dit opzicht staan ze letterlijk onder de heerschappij eener ijzeren
wet, tegenover welke vrijheid en willekeur ondenkbaar zijn. Die wet
moet evenwel noodwendig leiden tot gebrek en nood, tot levensgevaar
voor zichzelf en hunne jongen. Zij buigen zich dus gewillig onder die
wet, maar genieten daarbij eene vrijheid, die wij menschen hun zouden
benijden, indien wij niet nog meer dan zij in staat waren ons aan den
invloed der jaargetijden te onttrekken. Maar bloeien ook wij niet in de
lente, en rusten ook wij niet in den winter? En moeten ook wij niet den
nek krommen onder het ijzeren juk der noodzakelijkheid? Zijn de vogels
in genoemd opzicht gebonden, zij behouden zich toch in een ander
opzicht vrijheid en willekeur van handelen voor; ja oefenen deze soms
nog blijmoediger en op onbeperkter wijze uit dan de mensch.
Geen vogel ontzegt zich vrijwillig het genot der liefde; slechts
enkelen hunner onttrekken zich aan de banden des huwelijks, ieder
echter tracht liefde te verwerven en te genieten, zoodra hem zulks
mogelijk is. Nog vóór het kleed der jeugd is afgelegd weet hij het
verschil in sexe te onderscheiden en te waardeeren; reeds veel vroeger
vecht het mannetje, als in dartelen, jeugdigen overmoed met zijns
gelijken; en niet zoodra is het volwassen, of het dingt met vuur en
volharding om de gunst van een wijfje zijner eigene soort. Geen
vogelmannetje veroordeelt zichzelf tot het leven van een oud-vrijer,
geen vogelwijfje sluit haar hart voor welgemeende liefde. Ter wille van
het wijfje trekt het mannetje rusteloos en doelloos over land en zee;
ter wille van een eerzaam mannetje vergeet het wijfje geleden smart,
droeve rouw, hoe diep beiden ook mogen geweest zijn, ja ter wille van
een beteren minnaar verbreekt het wellicht de banden der echt.
Ieder vogelwijfje verkrijgt een echtgenoot; aan den anderen kant
evenwel valt het elk vogelmannetje niet zoo gemakkelijk zich een wijfje
te verwerven. Want ook onder de vogels moet zulk een kostbaar kleinood
langs den weg van moeite en strijd verkregen worden. In ’t algemeen
zijn er meer mannetjes dan wijfjes; daarom zijn velen genoodzaakt het
hardste noodlot, dat hen kan treffen, te torschen, en althans tijdelijk
ongehuwd te blijven. Voor verreweg de meeste vogels is echter het
oud-vrijersleven eene kwelling, waarvan zij zich met alle inspanning
van krachten pogen te ontdoen. Zij trekken daarom op vrijerswieken door
het land, kijken overal rond naar een vrouwtje, en, hebben zij er een
gevonden, dan doen zij onverwijld en onbeschroomd aanzoek om hare hand,
onverschillig of het een gehuwd of ongehuwd wijfje of zelfs eene weduwe
is. Bleven de reizen zonder gevolg, zij zouden waarschijnlijk niet zoo
geregeld heen en weer trekken als feitelijk geschiedt. Wanneer de
mannetjes om de gunst der wijfjes dingen, putten zij alle hulpmiddelen
uit, die de natuur hun verleende. Ieder spreidt naar aard en talent
zijn beste gaven ten toon; ieder tracht zich van de meest
aantrekkelijke zijde te doen zien, alle hem eigen lieftalligheden aan
den dag te leggen, uit te blinken, kortom zijn soortgenooten de loef af
te steken. Zijn verlangen neemt toe met de hoop op verhooring; zijne
liefde wordt tot een roes en ontneemt hem alle bezinning. Hoe ouder hij
wordt des te opvallender stelt hij zich aan, treedt hij met meer
zelfvertrouwen op, en streeft hij onstuimiger naar het loon der min.
Het spreekwoord: „met den ouderdom komen de gebreken” wordt door hem
gelogenstraft. Slechts zeer zelden veroordeelt de ouderdom hem tot
zwakheid en onvermogen, vermeerdert daarentegen gewoonlijk alle hem ten
dienste staande talenten en verhoogt door de gerijpte ervaring de
volheid van kracht, waarin hij zich verheugt. Geen wonder dus, dat de
jonge wijfjes aan oude mannetjes zelfs de voorkeur geven, en
begrijpelijk is het, dat deze, zoo niet vuriger, althans met meer
vertrouwen vrijen dan jonge.
De middelen, die een vogelmannetje bezigt om zijn liefde te verklaren
zijn vele; zooals van zelf spreekt staan zij in verband met zijne ’t
meest in ’t oog vallende talenten. Het eene mannetje heeft zijn lied,
een ander zijn vleugels, deze den snavel, gene zijn pooten; het eene
spreidt alle mogelijke vederenpracht ten toon, het andere ontplooit een
of ander bijzonder sieraad, een derde openbaart talenten, vroeger
ongekend. Ernstige vogels geven zich over aan scherts en spel en voeren
de koddigste narrenstreken uit; stille vogels worden praatziek, rustige
bewegelijk, zachtmoedige strijdlustig, vreesachtige moedig,
voorzichtige zorgeloos; kortom, bijna allen laten zich van een andere
zijde zien dan gewoonlijk. Hun gansche wezen schijnt veranderd, daar
alle bewegingen levendiger en opgewekter zijn dan gewoonlijk, en hun
doen en laten bijna in elk opzicht van den gewonen regel afwijkt;
feitelijk verkeeren zij in een roes, die hun veêrkracht verheft en
versterkt, terwijl geenerlei afmatting zich laat zien. Zij onthouden
zich van slaap, of deze wordt althans beperkt tot den kleinst
mogelijken duur, en toch doet hun zulks geen kwaad; wakend spannen zij
alle krachten in zonder moede te worden. Alle, met eene stem begaafde
vogels vrijen met duidelijk verstaanbare klanken en hun gezang is niets
anders dan het zuchten en juichen der liefde. De woorden des dichters:
Wilt gij naar de nachtegalen vragen,
Die met zoete en teedre melodij,
U verrukten in de lentedagen—
Slechts zoolang zij minden, waren zij.
behelzen de volle waarheid; want het gezang van den nachtegaal en van
alle overige vogels, die ons met hun liederen opvroolijken, begint met
het ontluiken der eerste liefde en eindigt met het uitdooven van het
minnevuur om door een ander gevoel, somtijds dat van zorg, verdrongen
te worden. Zingend trekt de vogel ter bruiloft; dat gezang kondigt het
wijfje zijn nabijheid aan; in een vurig lied drukt hij zijn geestdrift
uit, wanneer hij zijn wijfje gevonden heeft; in het lied geeft hij zijn
begeerte en verlangen, zijn verwachting en hoop te kennen; in het lied
openbaart hij zijn kracht. Jubelend geeft hij uiting aan het gevoel van
zaligheid en geluk; met een lied daagt hij elk mannetje zijner soort
uit, dat zich vermeten dorst zijn geluk te storen. Slechts zoo lang de
roes der liefde duurt, zingt de vogel met toewijding en volle kracht;
zingt hij buiten dien tijd nog een enkele maal, dan doet hij zulks in
herinnering aan dien roes, die hem eenmaal zoo gelukkig maakte. Er zijn
er die beweren, dat de vogels zonder eenig gevoel hunnerzijds zingen,
dat zij op bepaalde tijden zingen moeten en niet anders kunnen,
daarentegen op een anderen tijd niet kunnen en niet mogen zingen; die
zoo spreken hebben het lied der vogelen nooit verstaan of niet willen
verstaan, maar enkel en alleen op jammerlijke wijze uiting gegeven aan
hun vooroordeel. Men neme eens onbevangen waar, en alras zal men
ontdekken, dat het lied der vogels, ofschoon dit in den grond der zaak
hetzelfde blijft, zich voegt naar elke gevoelsuiting; al naar de
gemoedsstemming van den vogel zelf is, vloeien de tonen nu eens rustig
daarhenen, dan eens klimmen zij omhoog en worden zij tot een luid
gejubel, om straks weder lager gestemd te worden. Telkens wekt het
echo’s in de borst van andere mannetjes. Hadden zij gelijk, die
beweren, dat er geen verband bestaat tusschen het lied en de
gemoedsstemming der vogelen, dan zou het eene mannetje precies eveneens
moeten zingen als het andere der zelfde soort, en elk mannetje zou het
hem door de natuur geschonken lied moeten opdreunen, evenals eene
speeldoos de aria’s eener in haar zich bewegende, beprikte wals
aframmelt; van leeren, veranderen, verbeteren, van prijskampen was dan
geen sprake. Maar de ervaring leert juist het tegendeel en daarom zijn
wij er van overtuigd, dat de vogel met volle bewustheid zingt, en dat
in zijn lied zich zijne ziel openbaart. Hij is zelfs een dichter, die,
binnen de hem gestelde grenzen, vindt, vormt en naar uitdrukking
streeft; de drijfveêr van dit alles is echter de liefde. Door de liefde
beheerscht, zingt, murmelt en fluit de meerkol, wauwelt de ekster,
verkeert de krassende raaf zijn ruw geluid in zachte, weeke tonen, laat
de anders stomme fuut zijn stem hooren, dompelt de roerdomp den snavel
in het water ten einde zijn gewoon geschreeuw, het eenige hem
geschonken geluid, in een vèrklinkend dof gebrul te veranderen, en
zingt de zeeduiker zijn wild, maar klankrijk zeelied. Zeker zingt de
vogel slechts op bepaalde tijden, maar niet daarom, omdat hij op andere
tijden niet zingen kan, maar omdat hij dan geen reden heeft tot zingen,
omdat hij dan niet zingen wil. Hij zwijgt, omdat hij niet meer mint,
of, m.a.w. zoodra de paartijd voorbij is. Zulks wordt al dadelijk
bewezen door den koekoek. Negen maanden lang hoort men geen enkele
syllabe uit de keel van dezen vogel; maar nauw is het voorjaar gekomen,
of hij roept onafgebroken door, van het krieken van den dag tot den
avond en net zoolang als de paartijd duurt. Hij zwijgt echter eerder in
het zuiden dan in het noorden, eerder op de vlakte dan op het gebergte,
geheel in overeenstemming met den broedtijd der pleegouders, die in het
zuiden en in de vlakte vroeger met den nestbouw beginnen en eerder de
opvoeding der jongen voltooid hebben dan in het noorden of op de
hoogten der gebergten.
Bij hunne liederen of eigenaardige stemgeluiden voegen een aantal
vogels nog sierlijke bewegingen, waarbij nu eens de vleugels hunne hulp
bewijzen, dan eens weder de pooten mede dienst doen; nog andere vogels
nemen eigenaardige houdingen aan, om zich hierin aan het wijfje te
laten zien of voor haar op en neêr te wandelen; verder zijn er, die het
een of ander vreemd gedruisch voortbrengen. En dit alles geschiedt
eenig en alleen om de gunst van het vrouwelijk geslacht te verwerven.
Terwijl sommige valken en zoo ook de uilen hunne begeerte uitsluitend
of hoofdzakelijk door een luid geroep te kennen geven, voeren andere
roofvogels voor of gemeenschappelijk met het wijfje prachtige
luchtspelen uit, die nu eens op een dans gelijken, dan weder aan
razernij doen denken. De arenden, buizerden, slechtvalken, kleine en
gewone torenvalken beschrijven uren achtereen kringen om elkander,
klimmen in schroeflijnen tot duizelingwekkende hoogten op, en
volbrengen, onder het vliegen, klaarblijkelijk om elkander te behagen
en het leven te veraangenamen, allerlei kunststukken; nu en dan laten
zij een luid geschreeuw hooren, spiegelen hun gevederte in het
zonnelicht, om eindelijk, langzaam en zwevend naar de eene of andere
hooge zitplaats te dalen en hier verder te minnekoozen. De wouwen of
milanen, die zich in hoofdzaak eveneens gedragen, laten zich soms
plotseling met half toegevouwen vleugels uit aanzienlijke hoogten naar
beneden vallen, strijken rakelings langs den grond of het watervlak,
beschrijven dan in snelle vaart vele schroeflijnen, houden zich eene
poos met trillende vleugels stil boven dezelfde plek staande, of
volbrengen allerlei andere vreemdsoortige bewegingen, om daarna weder
langzaam tot dezelfde hoogte op te stijgen.
De kuikendieven vliegen langen tijd oogenschijnlijk onverschillig
achter of naast het gevrijde wijfje, daarna in kringen om haar heen,
terwijl straks beiden te zamen allerlei door elkaar gevlochten
cirkelkringen beschrijven; nu laat het mannetje het wijfje alleen,
steigert met den kop naar boven, bijna steilrecht omhoog; de trage
vlucht gaat allengs over in eene woeste vaart, het buitelt plotseling
over den kop, valt met bijna geheel toegevouwen vleugels loodrecht naar
beneden, beschrijft enkele kringen, vliegt nogmaals naar boven om nu
het straks beschreven spel opnieuw aan te vangen, tot eindelijk ook het
wijfje besluit dat voorbeeld te volgen. Sterker toeren dan deze allen
verricht de goochelaar van Centraal-Afrika, een wouw van de grootte
eens arends, en in ’t algemeen een roofvogel van vreemdsoortige
gedaante en manieren. Zijn zonderlinge wijze van vliegen trekt ten
allen tijde de aandacht, maar in den paartijd grenst zijn vliegkunst
aan ’t ongeloofelijke; het is alsof de vogel een kluchtspel in de lucht
uitvoert, een kluchtspel, dat zinbekorend op den toeschouwer werkt.
Evenals de roofvogels gedragen zich in den paartijd een aantal andere
vogels, en zelfs zulke, die volstrekt niet tot de beste vliegers
behooren. Dat ook deze de hulp der vleugels inroepen, wanneer zij
dingen naar de liefde van een wijfje, of als zij uitdrukking willen
geven aan het gelukkig gevoel van verkregen bezit, is volgens het
zooeven medegedeelde niet meer dan natuurlijk. Vol ijver zit de zwaluw
naast het gevrijde of reeds verworven wijfje zijn heerlijk lied te
zingen; het in zijn hartje flikkerende liefdevuurtje is evenwel veel te
sterk dan dat deze vliegvaardige vogel onder het zingen stil op
dezelfde plek zou kunnen blijven zitten; hij vliegt daarom op, zingt al
vliegende voort en zweeft middelerwijl boven en rondom het wijfje, dat
hem ondertusschen is nagevlogen. De geitenmelker zit geruimen tijd
overlangs op een boomstam, soms vrij ver van het wijfje verwijderd,
spint eenige minuten achtereen zijn snorrende strophen, vliegt op,
beschrijft klapwiekend, sierlijke kringen om het wijfje, en roept dit
zulk een teeder „haïet” toe, dat men er verbaasd over staat, hoe het
mogelijk is, dat zoo zachte geluiden kunnen ontwellen uit die rauwe
keel. De bijenvreter, die eveneens slechts met een zeer bescheiden stem
begiftigd werd, verwijlt langen tijd, dicht tegen zijn wijfje
aangedrukt, op zijn wachtpost, laat of in ’t geheel niet of slechts
flauw eenig geluid hooren en schijnt zich te vergenoegen met haar enkel
door den teederen blik zijner schoone, hoogroode oogen toe te spreken;
eensklaps echter komt ook hij in vuur, roert plotseling de vleugels,
stijgt omhoog, beschrijft een cirkel, laat een luiden juichkreet
hooren, en keert naar zijn wijfje terug, dat intusschen haar plaats
niet heeft verlaten. En wat de duif betreft, te midden van haar
minnezang, ’t zij wij er den naam aan geven van kirren of huilen,
staakt zij plotseling haar lied, evenals werd zij door geestvervoering
aangegrepen, breidt de vleugels uit, klapwiekt een en andermaal,
klautert omhoog, breidt de vleugels uit en daalt langzaam zwevend op de
een of andere boomkruin neder om hier van voren aan te beginnen.
Boompiepers, waterpiepers, grasmusschen, spotvogels gedragen zich
evenals de duiven; de fluiters laten zich, altijd doorzingende, van hun
verheven zitplaats naar beneden vallen en vliegen van hier weder naar
een hoogeren tak, om daar hun lied af te breken; straks daarop beginnen
zij van voren aan om het op gelijke wijze te eindigen. De vlasvinken,
sijsjes en grauwgorzen tuimelen, van liefde dronken, op zulk eene
vreemdsoortige wijze door de lucht, dat het schijnt alsof zij het vrije
gebruik der vleugels verloren hebben; de leeuweriken steigeren, onder
het zingen van hun minnelied, letterlijk ten hemel; de groenvink neemt
den schijn aan alsof hij bij een vleêrmuis in de leer was geweest.
In gelijken roes verkeeren alle vogels, die door dansen hunne liefde
openbaren. Ook deze verloochenen onder den dans hunne gewone
geaardheid, en geraken ten slotte in zulk eene sterke geestvervoering,
dat zij alles om zich heen vergeten. Weinige vogels laten gedurende den
dans in ’t geheel geen geluid hooren; de meesten stooten alsdan
integendeel geluiden uit, die hun anders vreemd zijn. Tevens ontplooien
zij middelerwijl al den vedertooi, waarover zij hebben te beschikken,
of zij eindigen daarmede den dans.
Tot de ijverigste dansers behooren de hoenderachtige vogels. Onze
huishaan stelt zich daarmede tevreden, dat hij trots heen en weder
stapt, kraait en met de vleugels slaat; zijn hofgenooten, de pauw en
kalkoen doen al iets meer en balderen. Maar de lustigste dansers zijn
de ruigpoothoenders en enkele fazanten. Wie in de eerste morgenuren den
balderenden auerhaan waarneemt, wie het ratelende en slijpende korhoen
heeft beluisterd, wie in de schemernachten van de noordelijke lente het
moerassneeuwhoen op de sneeuwvelden der toendra zag dansen, zal mij
gelijk geven wanneer ik zeg, dat zulk eene hulde, gelijk genoemde hanen
hun hennen bewijzen, even onweêrstaanbaar op ons werkt als die, welke
de pauw zijn wijfje bereidt, wanneer hij zijn prachtkleed als een
baldekijn voor haar uitspreidt.
Op nog vreemdsoortiger wijze gedragen zich de mannetjes der
satyrhoenders of hoornfazanten, prachtige vogels uit het zuiden van
Oost-Azië, die zich kenmerken door twee hoornachtige, levendig
gekleurde, buisvormige huidlappen aan beide zijden van den bovenkop, en
een met de gloeiendste kleuren prijkende, voor uitzetting vatbare
keellel. Nadat de haan een en ander maal om de hen is rondgeloopen,
schijnbaar zonder op haar te letten, blijft hij eindelijk op eene
bepaalde plaats stil staan en vangt aan buigingen voor haar te maken.
Steeds sneller volgen deze bewegingen op elkander, terwijl
ondertusschen de horens zich langzaam uitrekken en de keellel zich
verbreedt en daalt, totdat eindelijk beide organen den van liefde
dronken vogel over den kop vliegen. Nu ontplooit hij de vleugels,
spreidt den omlaag gedrukten staart uit, hurkt op de ingebogen pooten
en veegt al blazend en sissend met zijn vleugels den grond. Plotseling
staakt hij deze bewegingen. Diep gebogen, met opgerichte veêren,
vleugels en staart tegen den grond gedrukt, de oogen gesloten, hoorbaar
adem halende, blijft hij een poos als in geestvervoering in deze
bewegingloosheid volharden. Een verblindende glans schiet van uit zijne
nu geheel ontplooide tooisels.
Plotseling richt hij zich echter weder op, blaast en sist, siddert over
zijn geheele lichaam, brengt de veêren weder in den gewonen stand,
scharrelt met de pooten, werpt den staart omhoog, slaat met de
vleugels, richt zich met rukken in zijn volle lengte op, rent onstuimig
op het wijfje los, staakt bliksemsnel dien wilden loop en vertoont zich
voor haar in olympische heerlijkheid; hij blijft nog een oogenblik
staan, trilt, beeft, sist en laat eensklaps alle pracht verdwijnen,
strijkt de veêren glad, trekt de horens en de keellel in, en begeeft
zich, even als ware er niets gebeurd, aan zijn gewonen arbeid.
Met sierlijken tred, gebogen kop, uitgespreiden staart en vleugels,
terwijl de laatste in trillende beweging verkeeren, trippelt de
kwikstaart al buigende, nu naderende, dan zich verwijderende, om de
uitverkoren gade; als een flikkerende offervlam verschijnt de vuurvink
op den top eener aar van het kafferkoren, waarin hij met zijn wijfje
zijn woning heeft opgeslagen, pronkt met zijn prachtig gevederte in de
stralen der zon, en draait, onder ’t zingen van een lustig lied, zich
op zijn zetel in het rond. Teeder als echte menschenkinderen, mond aan
mond, borst aan borst gedrukt, voeren doffer en duif gemeenschappelijk
een langzamen dans uit; hartstochtelijk, met levendige sprongen, dansen
de kraanvogels; niet minder ijverig, zelfs ten aanzien van schijnbaar
hen bewonderende toeschouwers, doen zulks de prachtige rotshoenders van
Middel-Amerika; en zelfs de condor, een vlieger van den eersten rang,
die duizenden meters boven de hoogste toppen der Andes door den ether
zweeft, en van wien men niet zou verwachten, dat hij andere
minnemiddelen zou bezigen dan het vliegen, veroorlooft zich wel eens
een dansje en draait, met diep gebogen kop en breed uitgespreide
vleugels, om het wijfje rond, terwijl hij daarbij een eigenaardig
trommelend geluid laat hooren.
Nog andere vogels dansen niet zoo zeer, maar springen woest op en
neder, of huppelen op de takken rond, terwijl zij ondertusschen met hun
fraai gevederte pronken; zoo doen b.v. de paradijsvogels, die in de
morgenuren gemeenschappelijk op zekere boomen verschijnen, om hier als
hulde aan het wijfje, onder allerlei bewegingen en onder het trillen
der vleugels hunne sierlijke vederen uittespreiden. Er zijn er weder
andere, die een soort van priëeltjes bouwen, welke zij met gekleurde,
glinsterende voorwerpen versieren, en waarin zij allerlei dansen
uitvoeren.
Sommige vogels eindelijk, die noch met hunne stem, noch met vliegen en
dansen kunnen schitteren, gebruiken den snavel, om hiermede de
vreemdsoortigste geluiden voort te brengen. Op deze wijze vrijen alle
ooievaars; zij slaan de beide snavelhelften schielijk tegen elkaar, wat
een geklepper veroorzaakt dat de plaats vervangt eener stem, die dezen
vogels ontbreekt. Ook de spechten handelen eveneens, en hameren met hun
snavel tegen een dooden stam of tak, waardoor het hout in trilling
wordt gebracht, terwijl een doordringend geluid in het bosch
weêrklinkt.
Ofschoon het wijfje eene haar geldende liefdesverklaring eigenlijk niet
met preutschheid afwijst, schenkt het toch slechts in geval van nood
hare hand aan den eersten den besten vrijer. Aanvankelijk luistert het
schijnbaar zeer onverschillig naar de teederste minneliedjes en blijft
koel onder ’t aanschouwen der vliegspelen en dansen, die haar ter eere
worden opgevoerd, en even onverschillig aanschouwt het schijnbaar alle
pracht, die voor haar alleen wordt ten toon gespreid. Meest doet het
alsof al die bekoringsmiddelen van het mannetje haar niet aangaan, en
vervolgt dood bedaard haar gewone bezigheden, tot het zoeken van eten
toe. In vele, ofschoon lang niet alle gevallen, laat het zich in de
nabijheid lokken, maar geeft toch geen enkel teeken van goedkeuring of
genegenheid. Vele vogelwijfjes, o.a. die der in polygamie levende
hoenders, bezoeken niet eens de balderplaatsen, ofschoon deze vogels
juist alles behalve preutsch zijn en de balderende hanen niet zelden
door een uitlokkend geroep in vuur en vlam weten te zetten. Wordt een
mannetje vrijpostiger dan haar lief is, dan onttrekt zij zich door de
vlucht aan zijn vrijheden. Zulks moge nu meestal niet gemeend zijn,
maar zij doet het met zooveel ernst en volharding, dat men moeilijk kan
bepalen of deze vlucht zonder eenig nevendoel dan wel uit schijn
geschiedt. In elk geval bereikt zij er toch dit mede, dat het mannetje
zijn verlangen ten toppunt voelt stijgen en tot de uiterste inspanning
van alle krachten wordt gedreven. Meer dan ooit in vuur, niet denkende
aan eenige terughouding, slechts naar het ééne doel strevende, stormt
het op het wijfje los, als om haar te dwingen gehoor aan zijn liefde te
geven; vuriger dan ooit klinkt het lied, met meer geestdrift dan te
voren baldert het, danst het en vliegt het, wanneer het wijfje hem een
oogenblik van rust laat, en ijveriger dan straks neemt het de
vervolging weêr op zich, zoodra dit laatste hare vlucht opnieuw
voortzet.
Waarschijnlijk zouden de wijfjes der vogels gewilliger zijn, indien het
aantal vrijers niet zoo groot ware. Tengevolge van het gemeenlijk
grootere aantal mannetjes genieten de wijfjes het geluk der volle vrije
keuze. Een aantal mannetjes, bij tijd en wijle zelfs een groot aantal,
brengt het wijfje hun hulde, en gerechtvaardigd is alzoo haar
besluiteloosheid en kieschkeurigheid. Uit eigen beweging of
onwillekeurig gehoorzaamt het aan de wet der teeltkeus; het streeft er
naar het beste, gezondste, in alle opzichten voortreffelijkste mannetje
uit velen uit te kiezen; het mag kieschkeurig zijn. De terugwerking van
het gedrag en de handelingen van het wijfje ten aanzien der mannetjes
openbaart zich in toomeloozen minnenijd, die de hevigste gevechten,
soms een strijd op leven en dood na zich sleept. Elke vogel, zelfs de
schijnbaar zachtmoedigste en vreesachtigste, wordt in dien strijd om
eene geliefde een held, en ieder weet daarbij zulk een goed gebruik te
maken van de hem door de natuur geschonken weêrmiddelen, als: snavel,
nagels, sporen, zelfs van de met hoornachtige stekels voorziene
vleugels, dat in vele gevallen de strijd eerst eindigt met den dood des
eenen medeminnaars.
Naar de soort en den stand der vogels wordt het gevecht in de lucht, op
den grond, in de takken of in het water uitgevochten. Arenden en valken
vallen elkander in de lucht, met klauwen en snavels aan. Zulke
tweegevechten kenmerken zich door sierlijke wendingen, een wedijverend
omhoog stijgen, ten einde een voor den aanval gunstige hoogte te
bereiken, pijlsnel uitgevoerde stooten, schitterende afweringen,
wederzijdsche vervolgingen en een moedig standhouden. Wanneer het een
der koninklijke helden gelukt zijn mededinger te grijpen, slaat ook de
laatste den eersten de klauwen in de borst en beiden dalen alsnu, van
’t gebruik der vleugels beroofd in een schroeflijn ter aarde. Hier
aangekomen wordt de strijd begrijpelijkerwijs gestaakt; maar stijgt een
hunner echter weêr omhoog, onmiddellijk volgt hem de ander, en weinige
minuten later begint het duel opnieuw. Wordt een der strijdenden b.v.
ten gevolge van bekomen wonden vermoeid, dan vangt hij den terugtocht
aan, of vlucht weg, verwoed door den ander vervolgd. Snel en zonder
eenigen tegenstand meer te bieden, verre buiten de grenzen van het
rijk, dat het wijfje voor zich heeft uitverkoren, ongeacht alle
nederlagen, geeft het evenwel toch den strijd niet eer op, voor het
wijfje zich bepaald voor den overwinnaar heeft verklaard. Een
doodelijken afloop heeft zulk een gevecht, hoewel zelden, toch eene
enkele maal; want de arend, wiens ijverzucht door liefde en eergevoel
werd geprikkeld, kent geen erbarmen of genade en vermoordt onmeêdoogend
den weêrloos gemaakten medeminnaar. Zelfs de torenzwaluwen, anders
zulke zachtzinnige vogeltjes, die op gelijke wijze als de arenden
vechten, dooden hare medeminnaars door dezen hare scherpe nagels in de
borst te slaan en dit lichaamsdeel zoodanig open te rijten dat de dood
er op volgt.
Bij alle vogels, die met eene stem begiftigd zijn, gaat een werkelijke
uitdaging den strijd vooraf.
Reeds het lied van den zangvogel wordt tot een wapen, waarmede,
ofschoon onbloedig, gestreden en overwonnen wordt; reeds het
paringsgeroep, dat op zulk eene karakteristieke wijze het aanzoek
uitdrukt, doet de ijverzucht ontbranden. Wie de kunst verstaat het
geroep van den koekoek natebootsen, lokt den anders zoo voorzichtigen
dwaas tot op den boom, waaronder men zich heeft opgesteld; wie het
ingewikkeld gefluit van den goudmerel, het koeren der wilde duiven, het
zacht gekir der tortels, het trommelen der spechten, met één woord de
loktonen der vogels natuurlijk weet terug te geven, verkrijgt gelijk
resultaat. Verschijnt een medeminnaar op het tooneel, zoo geeft deze
zijn komst eveneens door een geroep of met zingen te kennen; spoedig
echter gaat hij tot feitelijkheden over en er ontbrandt tusschen de
beide minnaars een even heftige strijd als tusschen de straks
genoemden. Tot in het binnenste der ziel verbitterd, roepende,
schreeuwende en gillende, jaagt de een den ander na, onverschillig of
de weg door hooge of lage luchtlagen voert, door de toppen der boomen
of door de struiken, en even als bij de vervolging van het wijfje
prikkelt de een den ander nog onder deze jacht door uitdagende tonen,
door een lied, door het uitspreiden der tooisels en soortgelijke
honende gebaren. Haalt de vervolger den vervolgde in, dan stoot hij
dezen zoodanig met zijn snavel, dat de veêren er langs stuiven; laat
hij af, dan keert de vervolgde zich bliksemsnel om, teneinde nu op zijn
beurt aanvallenderwijs te werk te gaan; houden beiden stand dan
plukharen zij elkander zoo hevig als zij maar kunnen, in de lucht, in
de takken of op den grond. Is de strijd beslist, dan komt ook hier het
wijfje nader om zich aan de zijde des overwinnaars te scharen.
Grondvogels vechten altijd op den grond, zwemvogels in het water.
Hoe ernstig de hoenders vechten weet ieder, die eenmaal den strijd van
twee hanen bijwoonde. Ook hier geldt het een kamp op leven en dood,
ofschoon de dood zelf er zelden meê gemoeid is, tenzij menschelijke
ruwheid de natuurlijke wapenen verscherpte, en de weêrmiddelen
verzwakte. De om een wijfje vechtende struisvogels gebruiken almede
hunne krachtige pooten en brengen elkander met hun sterke of scherpe
klauwen diepe wonden toe in borst, lijf en pooten; jaloersch geworden
trapvogels maken, na elkander eerst met opgeblazen keelzak, verwrongen
vleugels en uitgespreiden staart, en onder een hevig geblaas, langen
tijd te hebben uitgedaagd, een geweldig gebruik van hunne snavels;
strandloopers en andere strandvogels, inzonderheid de kemphanen, welke
vogels om elke kleinigheid met elkander vechten, niet alleen om een
wijfje, maar zelfs om een vlieg, om de zon, om het licht en om de een
of andere plaats, rennen met hunne snavels als waren het aangelegde
lanzen, op elkander in, telkens de stooten opvangende met hunne sterk
ontwikkelde borstveêren, die bij de kemphanen tot een waar schild zijn
geworden; de waterhennetjes loopen op het wankelende dek van drijvende
waterplanten op elkander af en brengen elkander slagen toe met de
pooten; de zwanen, ganzen en eenden vervolgen elkander net zoo lang tot
het een der strijders gelukt den ander bij den nek te pakken en zoolang
onder water te houden tot hij gevaar loopt te verdrinken; in elk geval
wordt hij door deze manoeuvre zoo verzwakt, dat hij den strijd niet
dadelijk weder kan aanvaarden; de zwanen maken daarbij, even als de
spoorvleugels, gebruik van de harde, spitse, verhoornde uitsteeksels
aan de vleugelbocht, om daarmede gevoelige slagen uit te deelen.
Zoo lang het wijfje zich nog niet bepaald voor een mannetje verklaard
heeft, neemt het geen deel aan dien strijd, ja het schijnt er zich zelf
niet eens warm voor te maken. Toch moet het alles opmerkzaam nagaan,
daar het zich gemeenlijk voor den overwinnaar verklaart, althans diens
aanzoeken het oor leent. Op welke wijze het jawoord gegeven wordt kan
ik niet zeggen, ja zelfs niet vermoeden. Nog voordat de strijd is
geëindigd heeft het reeds de keuze bepaald en van af dit oogenblik
geeft het zich geheel en al aan den man harer keuze over, volgt dien
even dikwijls als het hem voorgaat, aanvaardt met zichtbaar welbehagen
diens liefdesverklaringen, en beantwoordt met eene zelfverloochenende
teederheid al zijn liefkoozingen.
Vol verlangen roept het hem, jubelend begroet het hem, gewillig volgt
het zijn wenschen en voegt zich naar zijn handelingen. Dicht
aaneengedrukt zitten de gepaarde papegaaien naast elkander, al zijn ook
honderden op denzelfden boom vereenigd; de volkomenste harmonie
beheerscht hen, slechts door één wil schijnen zij bezield.
Neemt het mannetje voedsel tot zich, zijn gade volgt zijn voorbeeld;
zoekt het eerste een ander plaatsje op, de laatste volgt hem; laat het
mannetje zijn geschreeuw hooren, het wijfje antwoordt terstond.
Liefkoozend verbergen zij den snavel in elkanders veêren, en gewillig
buigt de zwakke partij kop en hals, om deze bewijzen van liefde te
ontvangen. Al is het niet altijd op zulk eene zichtbare wijze, elk
vogelwijfje ontvangt en beantwoordt de haar gewijde liefkoozingen met
gelijke teederheid. Het weet van geen luim of humeur, van geen pruilen
of grommen, van geen schelden of kijven, van geen misnoegen of
ontevredenheid, het kent slechts liefde, teederheid en overgave, en het
mannetje zwelgt in geluk en zaligheid, zich bewust van een kostbaar
bezit, dat hij wenscht te handhaven. Is hij heden de toongever, morgen
schikt hij zich naar de wenschen zijner gade; als zij opvliegt volgt
hij, als zij de woonplaats verlaat, trekt hij mede uit, wanneer zij
naar huis terugkeert, wendt ook hij zich derwaarts. Niet te verwonderen
is het dus, dat het huwelijk der vogels gelukkig en rein is. Al
verouderen ook de voor hun leven verbonden echtgenooten, hunne liefde
veroudert niet, maar blijft eeuwig frisch en jong; elke lente voert
nieuwe olie aan om de oude vlam te voeden; de wederzijdsche liefde
verzwakt niet al duurt de echt nog zoo lang. Getrouw nemen beiden een
deel op zich van de noodzakelijke huishoudelijke bezigheden, die
nestbouwing, bebroeding en de opvoeding der jongen vragen;
zelfopofferend helpt het mannetje zijn wijfje bij alle moeitevolle
werkzaamheden, die de kinderen haar veroorzaken; moedig verdedigt hij
deze; zonder bedenken stort hij zich in de grootste gevaren, ja deinst
voor den dood niet terug, waar het leven van hun kroost op het spel
staat. In één woord: zij deelen van het oogenblik hunner vereeniging af
alle lief en leed, en zoo bijzondere omstandigheden zulks niet
verhinderen, duurt deze innige band het gansche leven.
Het ontbreekt niet aan waarnemingen, die ten bewijze van het gezegde
kunnen strekken.
Scherpzinnige waarnemers, die jaren achtereen enkele vogels hebben
gadegeslagen en deze eindelijk zoo nauwkeurig kenden, dat eene
verwisseling met andere vogels derzelfde soort onmogelijk was, zijn ons
daarvoor borg geworden; en ieder onzer, die zijne opmerkzaamheid
slechts wijdt aan bijzonder in ’t oog vallende vogels, zal tot een
gelijk besluit moeten komen. Een paar ooievaars op het dak geeft den
eigenaar der woning gelegenheid te over om mannetje en wijfje van
andere ooievaarsmannetjes en wijfjes te onderkennen, zoodat hier elke
vergissing uitgesloten schijnt. Wie evenwel zijn ooievaar gadeslaat zal
ervaren, dat altijd hetzelfde paar naar het nest terugkeert zoo lang
beide echtgenooten nog in leven zijn. En ieder natuuronderzoeker en
ieder jager, die trekkende vogelparen scherp in ’t oog vat, of, wanneer
de geslachtsverschillen niet uitwendig zichtbaar zijn, ze neêrschiet,
zal steeds ondervinden, dat het mannetje en wijfje zijn. Op mijn reizen
in Afrika heb ik veelvuldig trekkende vogelparen ontmoet, die ook hier
in gelijke, het huwelijk der vogelen zoo gunstig onderscheidende innige
gemeenschap leefden en even onafscheidelijk aan elkaar gehecht waren
als ginds bij het nest; die gemeenschappelijk handelden,
gemeenschappelijk duldden en leden. De paren van den dwergarend waren
ook dan nog als echtgenooten te kennen, wanneer zij in gezelschap van
andere vogels hunner soort reisden en toefden; de zangzwanen, die ik
aan het Mensale-meer in Egypte waarnam, verschenen paarsgewijs en
vertrokken eveneens paarsgewijs; alle andere in echt levende vogels,
die ik onderweg aantrof, bevestigden dezen regel. Dat beide
echtgenooten gemeenschappelijk dulden en lijden, ervoer ik, toen ik aan
een waterpoel in Zuid-Nubië eens een ooievaarspaar aantrof, dat daarom
mijne opmerkzaamheid trok, dewijl het zich hier nog ophield op een
tijdstip, dat alle soortgenooten reeds lang een toevlucht hadden
gezocht in het hartje van Afrika. Teneinde de oorzaak van dit
achterblijven te leeren kennen, liet ik het doodschieten en nu bevond
ik, dat het wijfje den eenen vleugel had gebroken, zoodat het
verhinderd werd verder te reizen; het door en door gezonde mannetje was
dus alleen uit liefde voor zijn gade en om haar gezelschap te houden,
teruggebleven, en dat in een oord, hetwelk alle gegevens miste voor een
goed winterverblijf.
Slechts de dood kan een eind maken aan het innige en trouwe verbond van
door den echt vereenigde vogels.
Zulks is regel—maar er zijn uitzonderingen. Ook onder de vogels komt,
alhoewel zeldzaam, echtbreuk voor. Hoe trouw zich de wijfjes ook
gewoonlijk aan hare echtgenooten betoonen, hoe weinig zij ook naar
andere mannetjes kijken, hoe zelden het voorkomt dat zij iemand als
huisvriend opnemen, wanneer zich zulk een indringer opdoet—bijzonder in
’t oog loopende eigenschappen van een vreemd mannetje kunnen
verleidelijk worden. Een meesterzanger der zelfde soort, die met zijn
gezang den echtgenoot in de schaduw stelt, een arend, die het door een
wijfje uitverkoren mannetje in alle of althans in vele opzichten
overtreft, kunnen het geluk van het nachtegaalsgezin, respectievelijk
dat van den arend op gruwzame wijze verstoren, en soms zelfs de wijfjes
tot ontrouw verleiden.
De oud-vrijers, die gedurende den broedtijd het land doortrekken,
strekken ten bewijze van het gezegde. Zij dringen onbeschaamd binnen
het gebied der echtelieden en dingen driest om de gunst der vrouw,
zoodat hieruit hevige vechtpartijen ontstaan tusschen deze
alleenloopers en het rechtmatige mannetje, welke gevechten ook nu weder
gewoonlijk uitgevochten worden, zonder dat het wijfje zich in dien
strijd mengt. Ook schijnt daarvoor te pleiten het gedrag dier wijfjes,
die plotseling weduwe zijn geworden en zich niet alleen terstond door
een nieuwen echt weten te troosten over het geleden verlies, maar eene
enkele maal zelfs niet schuwen den moordenaar van den eersten gemaal te
huwen. Op het dak van het riddergoed Ebensee bij Erfurt broedde sinds
jaren een ooievaarspaar, dat wel is waar in de beste eendracht leefde,
maar toch nu en dan last had van om het nest rondvliegende
schuimloopers. In zeker voorjaar verscheen daar ter plaatse een
mannetje, dat brutaler was dan een te voren, en dat den huisvader
gedurig tot een tweestrijd uitdaagde of hem noodzaakte onophoudelijk
goede wacht te houden. Op zekeren dag zit deze, van ’t vechten moede,
met den kop tusschen de veêren gedoken, oogenschijnlijk in slaap
gevallen, op zijn nest; de vreemdeling schiet plotseling van boven op
hem neêr; doorboort hem met zijn snavel en slingert het lijk van het
dak. En de weduwe? Zij verdrijft den sluipmoordenaar niet, maar neemt
hem onmiddellijk, als haar gemaal aan, en gaat voort met broeden even
alsof er niets gebeurd ware.
Deze en vroeger vermelde omstandigheden pleiten niet ten gunste van de
vogelwijfjes, doch zij worden, ik wil dit reeds hier aanstippen, door
een aantal tegenbewijzen zoozeer ontzenuwd, dat zij slechts mogen
gelden als uitzonderingen op den regel om alzoo den regel zelf te
bevestigen. En wanneer er werkelijk reden bestaan om in dit opzicht de
wijfjes te veroordeelen, wij mogen daarbij niet vergeten, dat de
mannetjes, die veel minder aanleiding hebben tot ontrouw, omdat zij zoo
veel talrijker zijn dan de wijfjes, insgelijks de heiligheid van den
echt kunnen schenden. Ieder die de duiven kent, vogels, die men ten
onrechte afschildert als in ’t bezit te zijn van alle mogelijke
deugden, weet hoe weinig zij den roem waard zijn, waarmede de
overlevering en de denkbeelden der ouden hen versieren. De teederheid
der duiven is verleidend, maar niet echt; haar trouw jegens gade en
kroost wordt geprezen, maar kan de proef niet doorstaan. Hun geringe
vaderliefde daargelaten, maken de doffers zich maar al te dikwijls
schuldig aan echtbreuk, en niet zelden nemen zij den tijd, dat hun
echtgenooten zitten te broeden, waar, om met andere duifjes te
coquetteeren. De eenden handelen nog berispelijker en de roodhoenders
maken het ook al niet beter. Zoodra de eenden vast op de eieren zitten,
zoeken de heeren gemaals elkander op, om elkander zoo aangenaam
mogelijk den tijd te korten, terwijl ondertusschen de arme vrouwtjes
zich afsloven en zonder eenige hulp met de zorg voor de kleinen belast
blijven. Eerst dan voegen zich de mannetjes weêr bij hunne echtgenooten
wanneer de kinderen groot geworden zijn en dus hunne hulp niet meer
behoeven. De roodhoenders, en waarschijnlijk ook onze patrijzen, maken
gedurende den paartijd hun opwachting bij elken anderen mannelijken
soortgenoot om met dezen naar hartelust te vechten; de Spanjaarden
maken hiervan gebruik door hen met behulp van tamme individuen te
misleiden en dan te dooden; later, wanneer de hennen broeden en de
vechtlust is geweken, verschijnen zij echter op het geroep der hennen
en nu zelfs nog schielijker dan te voren.
Doch, gelijk gezegd, dit zijn uitzonderingen op den regel, die zich met
de in veelwijverij levende vogels in de verte niet laten vergelijken.
Te vergeefs heeft men getracht de veelwijverij der runder-troepialen,
koekoeken, fazanten, boschhoenders, kalkoenen, kwartels, pauwen en
kemphanen te verklaren; een afdoende reden heeft men nog niet kunnen
vinden. Wanneer men beweert, dat de koekoek en diens naaste verwanten
niet broeden, omdat zij de opdracht ontvingen de al te snelle
vermeerdering van rupsen tegen te gaan, zoodat zij dientengevolge niet
kunnen huwen en voor hun eigen kroost zorgen, dan bazelt men zonder
eenige verklaring te geven, en vergeet dat ook de runder-troepialen hun
kroost aan vreemden toevertrouwen; en wanneer men zegt, dat de natuur
door de instelling der veelwijverij bij sommige hoendersoorten, die
sterk aan vervolgingen zijn blootgesteld, voor eene talrijke
nakomelingschap heeft willen zorg dragen, dan mag men wijzen op het
feit, dat dit doel bij andere hoenderachtige vogels, die in monogamie
leven en in vruchtbaarheid voor eerstgenoemden niet onderdoen, eveneens
bereikt wordt.
Het woord veelwijverij is eigenlijk slecht gekozen, want het begeeren
blijft hier niet beperkt bij de mannetjes, maar ook de wijfjes deelen
dit gevoel. Het koekoekswijfje houdt zich heden bij dit, morgen bij een
ander mannetje op, ja het maakt wellicht binnen het tijdsverloop van
een enkel uur velen gelukkig; hennen geven zich vrij onverschillig nu
aan dezen dan aan dien haan over. Bij al deze vogels is er van geen
eigenlijk huwelijk sprake. De mannetjes bekommeren zich slechts nu en
dan om de wijfjes, en deze zien evenmin veel naar de mannen om; elke
sexe gaat haar eigen gang, zondert zich buiten den paartijd zelfs van
de andere af en bekommert zich niet om het lot van het andere geslacht.
Eene grenzenlooze hartstocht en eene hierdoor tot het uiterste gedreven
jaloezie, heerschzuchtig eischen en deemoedig inwilligen, toomeloos
willen en bereidwillig verhooren zijn de karakteristieke eigenschappen
van den sexueelen omgang bij al deze vogels. Zoo wordt het dan ook
verklaarbaar, dat bij hen vaker dan bij andere vogels mishuwelijken
worden gesloten, ten gevolge waarvan bastaarden ontstaan, die een
jammerlijk bestaan voeren, en die òf kinderloos blijven, òf door paring
met een der stamsoorten nakomelingen teelen, die weder onvruchtbaar
zijn. Mishuwelijken of gemengde huwelijken komen wel is waar, ook bij
sommige in monogamie levende vogels voor, maar alleen dan, wanneer er
geen goede echtgenooten te vinden zijn en de nood er toe dwingt; bij de
vroeger genoemden zijn het toeval en de verleidelijke gelegenheid de
gewone motieven.
Nood,—dringende, noodzakelijke evenwel,—de behoefte om het leven te
redden der pas uit het ei gekomen of nog in het ei sluimerende jongen,
hierin moeten wij waarschijnlijk de reden zoeken, die de wijfjes der
monogamisch levende vogels aanspoort om den weduwensluier spoediger met
den bruidskrans te verwisselen dan de mannetjes het verlies hunner
gaden kunnen vergeten. Of de rouw der weduwen evenwel minder groot is
dan die der weduwnaars is, hoezeer de schijn er voor pleit, verre van
zeker. Evenals de ooievaarsvrouw van Ebensee doen vele vogelwijfjes.
Een ekster-paar, dat in onzen tuin broedde, moest gedood worden, daar
wij schade vreesden voor onze zangvogels. ’s Morgens om zeven uur werd
het mannetje dood geschoten; reeds twee uren later had het wijfje een
anderen man tot zich genomen; een uur later viel ook deze onder ’t
moordend lood; om elf uur was het wijfje voor de derde maal gehuwd. Een
herhaling zou ook nu niet uitgebleven zijn, indien niet het beangste
wijfje met haar nieuwen echtgenoot naar elders ware verhuisd.
Mijn vader schoot eens in het voorjaar een mannetjespatrijs. De hen
vloog op, streek spoedig weêr neêr, werd onmiddellijk daarop door een
nieuwen haan gevrijd, dien zij aannam. Tschudi-Schmidthofen ving van
het nest van een roodstaartje binnen acht dagen niet minder dan twintig
mannetjes weg en liet toen eerst aan de twintig malen in rouw
gedompelde, maar telkens weder vertrooste weduwvrouw het geluk en de
vreugde des huwelijks.
Het tegendeel van zulk eene schijnbare wispelturigheid nemen wij waar,
wanneer de vogelmannetjes hunne echtgenooten verloren hebben. Luid
schreeuwende, weemoedig klagende, door stem en gebaren hunne droefheid
te kennen gevende, vliegen zij rondom het lijk der geliefde, raken dit
met den snavel aan, even als trachtten zij de doode te bewegen om op te
staan en mede weg te vliegen, laten opnieuw, ook voor den mensch
verstaanbare klaagtoonen hooren, dwalen binnen hun gebied van plaats
tot plaats, verwijlen roepend, lokkend, jammerend, nu eens op dit, dan
weder op een ander lievelingsplekje, weigeren alle voedsel, storten
zich boosaardig op andere mannetjes hunner soort, als benijdden zij
dezen hun geluk, en als wilden zij hen deelgenooten maken van hun eigen
leed, vinden nergens rust, beginnen zonder iets ten eind te brengen, en
handelen zonder te weten, wat zij doen. Zoo gaat het dagen, soms weken
achtereen voort, en dikwijls toeven zij op de plaats des onheils zoo
lang mogelijk, zonder zich zelfs korte uitstapjes ter opsporing eener
andere levensgezellin te veroorloven. Sommige soorten, en volstrekt
niet alleen de z.g. „inséparables” onder de papegaaien, maar ook vinken
en andere vogels, zelfs de oehoe’s verliezen tengevolge van zulk een
zwaren slag, alle lust- en levensvreugd, en treuren stil voor zich
heen, totdat de dood hen van hun leed bevrijdt.
Zoo niet de eenige, dan toch de hoofdoorzaak van zulk eene diepgaande
smart kan wellicht gelegen zijn in de steeds groote moeilijkheid, soms
onmogelijkheid om een ander wijfje te vinden en machtig te worden. Het
wijfje heeft zeer dikwijls geen tijd tot treuren; want vroeger of
later, dikwijls op ’t zelfde oogenblik, komen nieuwe vrijers bij haar
aan de deur, die haar met zooveel gunsten en liefde overladen, dat het
zich wel moet laten troosten. En wanneer de moederborst bovendien
gedrukt wordt door de zorg voor de nakomelingschap, zwijgen vele andere
gedachten, zoodat de kommer geen macht over haar verkrijgt.
Maar wordt ook haar de vergoeding onthouden, dan drukt ook haar het
leed niet minder dan het mannetje. Toch gebeurt het somtijds, dat zij
nieuwe minnaars afwijst. Eene musschenweduwe, nam, gelijk mijn vader
eens gelegenheid had waar te nemen, in weêrwil, dat zij eieren had uit
te broeden en later jongen had groot te brengen, geen nieuwen aanbidder
aan, maar bleef weduwe en voorzag hare hongerige kinderschaar geheel
alleen van het noodige voedsel.
Eene andere, waarlijk roerende geschiedenis, die ten bewijze kan
strekken van den diepen rouw eener vogel-weduwe, werd mij door Eugenius
von Homeijer verhaald. Het huwelijksgeluk van een op het huis van
genoemden degelijken natuuronderzoeker nestelend ooievaarspaar werd
plotseling op treurige wijze vernietigd door een ellendeling, die het
mannetje neêrlegde. De treurende weduwe neemt geen nieuwen echtgenoot
aan, kwijt zich geheel alleen van de ouderplichten en aanvaardt tegen
het begin van den herfst met haar kroost den tocht naar Afrika. Het
volgende voorjaar verschijnt zij weêr op het oude nest, maar als weduwe
zooals zij was vertrokken. Velen dingen naar hare hand, maar zij wijst
alle vrijers met boosaardige snavelhouwen af; zij arbeidt ijverig aan
de verbetering van het nest, doch doet zulks alleen, om haar huisrecht
te handhaven.
In den herfst trekt zij wederom met andere ooievaars naar den vreemde,
om in het volgende voorjaar nogmaals terug te keeren en te handelen als
het vorige jaar. En zoo gaat het elf jaren achtereen. In het twaalfde
jaar poogt een ander ooievaarspaar zich in ’t bezit van het nest te
stellen; zij verzet zich moedig tegen dien aanslag, maar kan ook nu nog
niet besluiten door het aangaan van een tweede huwelijk zich een
verdediger in dien strijd te verschaffen. Men ontrooft haar het nest,
en zij blijft ongehuwd; de roovers handhaven zich in het bezit en maken
er een practisch gebruik van; de rechtmatige eigenares laat zich niet
meer zien, maar, gelijk later blijkt, brengt zij den ganschen zomer op
een, ongeveer vijftien kilometer daarvan verwijderde plaats eenzaam
door. Nauwelijks evenwel zijn de roovers vertrokken, of zij bezoekt het
oude nest, toeft daar eenige dagen en aanvaardt dan ook zelf de reis.
Deze ooievaarsvrouw werd in die gansche streek bekend onder den naam
van kluizenaarster; haar lot en handelwijze verwierven haar de
genegenheid van alle weldenkenden.
En zoodanig doen en handelen zou niets anders zijn dan het werken en
drijven eener van buiten bestuurde machine? Al deze zoo even geschetste
uitingen van een meer dan warm en levendig gevoel zouden zonder
zelfbewustzijn geschieden? Geloove wie zulks kan, verdedige zulks wie
wil. Wij gelooven en verdedigen het tegendeel en zijn jaloersch op het
zich zelf bewuste geluk van de huwelijkstrouw der vogels.